Vorig jaar verloren Jop de Vrieze en Zvezdana Vukojevic hun zoontje Mikki vlak voor de geboorte. Acht maanden later raakten ze weer in verwachting. Sindsdien schrijven ze over hun ervaringen. Episode 17: de apotheose.

STEUN RO

‘Hij is er nu echt bijna.’
We kijken elkaar aan en laten de woorden van de verloskundige tot ons doordringen. Tranen springen in onze ogen. Een knoop in mijn maag die straks weg zal zijn.

Alles is tot nu toe voorspoedig verlopen. De ruggenprik heeft zijn werk goed gedaan en werkt precies zoals ie hoort te werken: geen pijn, wel gevoel in je onderlijf. De ontsluitingsfase ben je volledig ontspannen doorgekomen. Ik schil nog een mandarijntje en stop een paar partjes in je mond. ‘Ik heb het gevoel dat ik naar de wc moet. Ik denk dat hij inderdaad komt,’ zeg je.

De verpleegkundige zet de spullen klaar rondom je bed. Ik maak de camera gereed, pak je hand nog maar eens vast. Even later komt ook onze gynaecoloog binnen, die speciaal voor deze keer helemaal zelf bij de bevalling aanwezig zal zijn en net al voorspelde dat het niet lang meer zou duren.

Met zijn vieren staan we om je heen en wachten op de eerste perswee. Je trekt je benen op, klemt je handen onder je knieën. Persen wil je maar niet te hard. Niet nu nog kapot maken wat zo dichtbij is. Iedere wee win je een klein beetje vertrouwen en verzamel je moed om al je kracht te gebruiken. ‘Hou je lucht vast’, zegt de verloskundige, ‘stop alles wat je hebt in het persen. Het gaat super goed met hem, je kunt volop persen.’

Ik loop heen en weer om steeds het proces te filmen en dan weer je hand vast te houden. Heen en weer tussen bij je zijn en vastleggen wat zich afspeelt. Heen en weer tussen het hier en nu en het besef hoe groot het moment straks gaat zijn.

‘Je doet het hartstikke goed’, zeggen de gynaecoloog en de verloskundige. ‘Echt hartstikke goed.’ Ze maken grapjes, volledig ontspannen wachten ze op de volgende wee. ‘Als er iets niet goed was, waren we nu al lang andere dingen aan het doen dan alleen rustig afwachten’, zeggen ze.

Dan, langzaam maar zeker, verschijnt er een harig kruintje in de opening. Steeds komt het tevoorschijn, en na een wee schuift het weer naar achteren, alsof hij zelf nog twijfelt of zijn ouders er klaar voor zijn.

Wanneer je even bij adem komt sta ik naast je, hou ik de camera omlaag, kijk je aan en bijt op mijn lip. Ik hou het niet meer tegen. Dikke tranen rollen langs mijn wangen. Om alles wat vooraf ging. Om alles wat te wachten staat. Verdriet en blijdschap samengebald in langzaam voorbij kruipende minuten.

‘Binnen drie weeën is ie er,’ zegt de verloskundige. Kippenvel kruipt over mijn lijf. Ik probeer niet te veel na te denken over straks. Over waar we al die maanden naartoe leefden. Over dat wat we ons niet konden voorstellen maar nu echt op het punt staat te gebeuren.

Er komt er weer een. Je slaakt een oerkreet. Spant aan, sluit je ogen en je mond. Het hoofdje komt dichterbij, ik zie de bolling er een klein beetje uit steken. Eén wee en hij is er.

Je klemt je benen vast. Een laatste krachtsinspanning. Nu echt bijna, het hoofdje verdwijnt niet meer na het persen. Je hapt naar adem. Daar komt ie, ineens gaat het razendsnel. De verloskundige pakt zijn hoofdje vast, trekt zijn lijfje eruit en omhoog, hij is zo groot, hij is grijs, hij is dood, schiet er door mijn hoofd, jullie zeiden dat alles goed ging maar toch is ie dood.
Ze trekken hem je op je borst, zeggen dat het goed is, een seconde vertwijfeling in zijn ogen, dan begint hij te bewegen, te murmelen. Hij verheft hij zijn stem, eerst vertwijfeld, dan luid. ‘En dat is zijn eerste huiltje,’ zegt de verloskundige.

‘Hij leeft, hij leeft en hij maakt geluid’, zeg je met trillende stem. ‘Hij maakt geluid.’ Met zijn vijven huilen we.

Verdomme, hij maakt geluid. Wat een hemels geluid.

Een boel haar
‘Wat een mooi jochie, en wat een boel haar!’ Zegt de verpleegkundige die in onze nieuwe kamer de controles komt doen. En hij is zo alert!’ Terwijl ik hem op mijn arm hou tuurt hij vrolijk de kamer rond. Af en toe kijkt hij een beetje scheel. Zijn ogen lijken groen met bruin, zoals de mijne. ‘Hij heeft hetzelfde mondje als zijn broertje’, zeg ik. ‘En dezelfde krullen’, zeg jij. ‘Alleen dan veel meer.’
Dik drieënhalve kilo is ie, ruim twee keer zo zwaar als zijn broer, met heerlijke spekarmpjes. Geen wonder dat ik bij zijn geboorte niet kon geloven hoe groot ie was. Inmiddels is ie gewoon ons kleine murmeltje. Zev, noemen we hem. Ons kleine wolfje.

Volgens protocol blijven we een extra dag ter observatie, omdat jij een streptococceninfectie had die je mogelijk op hem kon overdragen. Daar kreeg je antibitica voor, maar voor de zekerheid worden er toch wat extra controles uitgevoerd. Volgens de kinderarts van dienst zou ie al mee naar huis mogen, maar dit voelt beter. Omdat ie op zaterdag om elf over vijf was geboren blijven we nog een tweede nachtje, zodat de dag erna meteen de kraamhulp bij ons thuis zal zijn. De twee dagen leven we in onze bubbel. Niks Turkijerel, niks verkiezingscampagne Alleen wij drieën en ons geluk.

Onze nieuwe sores, ook. De tweede nacht is het zwaarst, zeggen ze. Waar hij vrijwel meteen na de bevalling al voor het eerst de borst op zocht, protesteert Zev deze avond steeds luider tegen de druppels leverende tepels. Terwijl ik wat uurtjes pak, houden jullie elkaar alsmaar wakker, tot je de wanhoop nabij bent en de verpleegkundige besluit dat een beetje kunstmelk uitkomst zal bieden.

Tegen zes uur ‘s ochtends komt hij na een klein flesje wat tot rust. Wanneer jij even naar de wc bent, wieg ik hem voorzichtig in slaap. Ik moet denken aan die ene keer dat ik dat met Mikki deed, tevergeefs hopend dat ik hem tot leven kon wekken.

Terwijl de oogjes van Zev steeds verder dichtvallen, begin ik zachtjes tegen mijn uitgeputte zoon te praten. ‘Weet je dat je een prachtig broertje hebt? Mikki heet ie. Weet je hoe graag ik hem had getroost? Mikki had vast ook heel graag van mama’s melk gedronken. Hij zou ook hebben uitgekeken naar jouw komst. Hij had met je willen spelen. Samen willen spelen.’ Tranen springen in mijn ogen, lopen langs mijn wangen en landen op zijn warme huid. Zout water. Hij is vredig in slaap gevallen.
‘We gaan ontzettend ons best voor je doen Zev. Net zoveel als voor je grote broertje.’

Je komt terug van de wc. ‘Heb je gehuild?’

‘Een beetje.’
Je gaat in bed liggen, eindelijk kom je aan slapen, kom je aan jezelf toe. Ik kijk nog een keer naar Zev, dan naar jou.

‘Gek is het hè? Zeg ik. ‘Nu zijn we blij als hij even stil is.’

De hele serie teruglezen?

1: Gefriemel
2: Zombies
3: Anders onder controle
4: Doorgetrokken streep
5: Kompas
6: Kikker
7: Rugzakje
8: Polsbandje
9: Vaderrol
10: Rekensom
11: Redecho
12: Heks
13: Pianomuziek
14: Grote broer
15: Oscar
16: Laatste loodjes

En het verhaal waar het allemaal mee begon:

Het kind van de rekening