Hotze de Roos en de Kameleon, wie is er niet groot mee geworden?

Astrid Lindgren heeft een biopic die wereldwijd volle zalen trekt. Annie M. G. Schmidt heeft een eigen musical. De Chocoladefabriek van Sjakie en Roald Dahl is een mondiale klassieker. En Hotze de Roos? De geestelijk vader van de in Nederland uberpopulaire Kameleonreeks moet het doen met wat plaquettes hier en daar.

Niet dat iemand anders dat gebrek aan waardering te verwijten valt dan De Roos zelf. Die had namelijk een broertje dood aan publiciteit. Interviews met de in 1991 overleden auteur zijn op de vingers van een gemankeerde hand te tellen. In die sporadische vraaggesprekjes mopperde hij er dan vrolijk op los over auteurs die wél werden gewaardeerd door de goegemeente. Zoals Gerard Reve en Harry Mulisch. Hen werd dan op bescheiden toon ‘lawaaischopperij’ aangewreven. “Moet ik van kotsen, van die gewichtigdoenerij op televisie”, zo liet hij zich eens ontvallen.

“Ik heb eens naast Mulisch gestaan in de Bijenkorf in Amsterdam”, bekende De Roos in 1970 in de Leeuwarder Courant. “Maar ik heb niet met hem gesproken. Ik heb ook geen boeken van hem gelezen. Ik lees bijna nooit iets van andere schrijvers.” De enige collega over wie hij eens z’n goedkeuring uitsprak, was Chris van Abkoude, de schrijver van Pietje Bell. “Die vond ik erg leuk schrijven.”

Officiële waardering viel hem nauwelijks ten deel. Hotze de Roos moest het dan ook zonder prijzen stellen. Ja, in 1980 kreeg hij een zilveren pen van kinderen van een basisschool in het Friese Terherne. En pas in zijn sterfjaar 1991 was hij één van de tien genomineerden voor de CPNB publiekspijs. De uitreiking – aan de uiteindelijke winnaar Annie M.G. Schmidt, voor haar gehele oevre – mocht hij echter niet meer meemaken. Met veel gevoel voor ironie heet prijs voor de best debuterende kinderboekenschrijver tegenwoordig de ‘Hotze de Roosprijs’.

Recensenten gaven regelmatig blijk geen hoge pet op te hebben van de schrijfsels van De Roos. Recensies logen er vaak niet om: Gebeurtenissen ‘worden min of meer geslaagd met elkaar in verband gebracht’, maar ‘niet altijd voldoende uitgewerkt’. De avonturen zijn ‘niet als spannend te typeren’ en alles hangt ‘als loszand-hoofdstukken’ aan elkaar. Het ademt een ‘ouderwetse sfeer uit’, waar bij het ‘woordgebruik, begrippen en situaties tamelijk gedateerd zijn’. Z’n boeken hebben vaak ‘geen begin, climax, noch einde’.

Toe maar.

De doelgroep – kinderen vanaf een jaar of zeven, acht, negen – had daar kennelijk geen boodschap aan. Hotze de Roos werd namelijk één van de succesvolste Nederlandse (kinderboeken)schrijvers aller tijden. Hij scheidde maar liefst zestig Kameleon-delen af, waarvan er in totaal bijna dertien miljoen werden verkocht. Ter vergelijking: de alom bewierookte Annie M.G. Schmidt moest het doen met tien miljoen Jip & Jannekes en Pluk van de Petteflets. En van die koddige papzak Dik Trom gingen er ‘slechts’ drie miljoen stuks over de toonbank.

Tijdens mijn jeugd – tweede helft jaren zeventig, begin jaren tachtig – was ik één van die vele Kameleon-fans. Net als al mijn vriendjes trouwens. Nieuwe Kameleon-deeltjes werden door ons blind aangeschaft. À vier gulden en een kwartje (bij boekhandel Rossing). Prijzen die door uitgeverij Kluitman bewust laag werden gehouden. Kinderen moesten namelijk in staat zijn de boekjes zelf te kopen, meende de gewiekste uitgever. Een gouden businessplan. Een Kameleonboek was in die tijd het ideale verjaardagscadeau. Verrassend en origineel was ’t niet, maar succes was tenminste verzekerd. Met ’n Kameleonboek kon je niet fout gaan.

Ik moet ook toegeven dat ik er, als schrijver, door ben beïnvloed. Ik genóót van het archaïsche taalgebruik, dat ook toen al als oubollig gold. ‘Drommels’, ‘deksels’ of ‘welverdraaid’, in plaats van een hardgrondige vloek. Mooi toch? Belhamels, deugnieten, kwajongens, schavuiten en rekels die zich te buiten gingen aan schelmenstreken. Kattenkwaad uithalen, prachtig. Er konden mij niet genoeg poetsen worden gebakken. Vooral als het ‘prompt’ gebeurde. Ik kan ’t nog altijd niet nalaten om in ieder verhaal één of meerdere ‘Kameleonnetjes’ te droppen.

Overigens was het oubollige taalgebruik dat De Roos gebruikte bewust gekozen. Het paste namelijk een beetje binnen zijn credo, zo verklapte hij in een interview in 1961: “Geen revolvers, geen moord en doodslag, dat kan alleen maar funest werken. Binnen de perken van het welgevoeglijke blijven, maar toch zorgen voor voldoende spanning en humor, dan ben je op de juiste weg.”

Of een schurk zonder pistool wel een échte schurk was, wilde een verslaggever eens weten. “Natuurlijk kun je een schurk en pistool of een mes geven”, antwoordde De Roos, “maar ik heb dat nooit nodig gevonden. Ik heb ook nog nooit van een kind een reactie gehad dat hij of zij mijn schurken te slap zou vinden. Schurken spelen ook maar een bescheiden rol in mijn boeken. Ze dienen slechts als kapstok om de jongens met hun Kameleon weer een avontuur te laten beleven.”

1948. Timmerman Hotze de Roos en zijn vrouw stappen in Krommenie samen op de fiets. Doel van het tochtje: Kluitman in Alkmaar, de toonaangevende uitgever van jeugdboeken, met beroemde titels als Dik Trom en Pietje Bell in de stal. Op de bagagedrager ligt het handgeschreven manuscript van ‘De tweeling van de dorpssmid’ stevig vastgesnoerd. Als iemand jeugdboeken op waarde weet te schatten, dan is Kluitman het wel, meent De Roos.

Hoe het boek begon? Zo:

“Wie springt er nu op zondagmorgen in de sloot?”, mopperde moeder Klinkhamer kwaad, terwijl ze de natte  plunjes van haar beide zoontjes, Hielke en Sietse, in een teil deed.

“’t Is me wat moois!”, vervolgde ze, de beide boosdoeners één voor één streng aankijkend, “nu zal ik nog op zondag voor jullie moeten wassen.”

In het vervolg van het boek zou de dokter van het dorp z’n auto de plomp inrijden, waarna de twaalfjarige tweeling de motor van diens kapotte vehikel cadeau kreeg. Die krachtbron werd vervolgens geplaatst in een aftandse duwboot, die vervolgens werd opgeleukt met restjes verf. Voilà, de supersterke en snelle speedboot van de tweeling Klinkhamer was een feit.

“U bent zeker onderwijzer”, veronderstelde de oude heer Kluitman.

“Nee, ik ben timmerman”, antwoordde De Roos.

Hoe dan ook, de oude Kluitman vond het een prima verhaal. Alleen die titel… ‘De tweeling van de dorpssmid?’ Dat kon sprankelender. ‘De Schippers van de Kameleon’, stelde hij voor. Nou, vooruit dan maar. Daar kon De Roos mee leven. En dus werd deel 1 van de serie in 1948 uitgegeven. Deel 2, ‘Kameleon Ahoy!’ verscheen drie jaar later. Dat is trouwens het enige deel (van de in totaal inmiddels zeventig) dat zich afspeelt in de winter.

À propos, aan het feit dat de cover van de boeken werd gesierd met de auteursnaam H. de Roos, in plaats van Hotze de Roos, zit nog wel een aardig verhaal vast. ‘Hotze’ klonk namelijk te Fries, vonden ze in Alkmaar. En ze wilden potentiële lezertjes in het zuiden van Nederland en Vlaanderen niet afschrikken. Culturele verschillen, nietwaar? Vandaar dat werd gekozen voor het wat neutralere H. de Roos.

Maar een Fries wás Hotze de Roos. In hart en nieren. In 1909 geboren in Langezwaag, als derde kind (van in totaal vijf) van een aannemer annex loco-burgemeester. Hij ging naar de ambachtsschool, werd timmerman, en verhuisde in de jaren dertig naar Krommenie, aan de andere kant van het IJsselmeer. Tijdens de crisisjaren was hij enige tijd werkeloos. De vrije tijd die dit opleverde, vulde hij met schrijven van stukjes voor de werklozenkrant.

Pas tijdens de tweede wereldoorlog, en in de jaren erna, waagde hij zich aan fictie. Inspiratiebron waren veelal de verhalen die hij op z’n werk hoorde van collega’s. Hij liet het zich allemaal afspelen tegen de achtergrond van de Friese meren, waar hij in z’n jeugd talloze zomervakanties had doorgebracht. “Die vakanties waren mijn mooiste jeugdherinneringen”, aldus De Roos, die moest bekennen zelf nooit een boot te hebben gehad. “Als kind stond ik aan de waterkant vaak jaloers te kijken naar kinderen die wel een boot hadden.”

Waar de tweeling Klinkhamer de buurt precies onveilig maakten? Tegenwoordig spelen de avonturen van de Kameleon zich af in het fictieve dorp Lenten. Ten tijde van Hotze de Roos werden er echter nimmer namen genoemd. Alles speelde zich af in ‘het dorp’, op ‘het meer’, in ‘de polder’, of in ‘het dorp aan de overkant’. Aan kinderen die hem brieven schreven, bekende hij dan dat hij bij ‘het dorp’ altijd Grouw voor ogen had gehad, en dat de meeste avonturen zich afspeelden op het Pikmeer, en tussen Grouw en Oldeboorn.

Maar De Roos was een schrijver, en schrijvers laten hun fantasie graag de vrije loop. En dus haalde hij de molen de ‘Woudaap’ uit Krommenie, evenals veldwachter Zwart. Klinkhamers smederij stond in het echt in Langezwaag, terwijl hij het eiland-met-de-bosjes eens in Terkaple had gezien. Het paviljoen stond weer in Grouw.

Aanvankelijk moest De Roos er nog even inkomen. ‘Schippers’ verscheen in 1948, ‘Ahoy!’ in 1951. Redders (1952), Speurders (1955) en Op Volle Toeren (1956) volgden. Op dat moment had hij het ritme te pakken. Tot aan z’n pensioen in 1983, verschenen er vanaf 1957 ieder jaar twee nieuwe delen.

Het schrijven deed hij naast zijn werk als meester-timmerman. Hij schreef met de hand, op zondagochtenden, in het voorkamertje van zijn nederige stulpje aan de Lijnbaan 54 in Krommenie, met het papier op zijn knieën. Af en toe, aldus de Leeuwarder Courant, hoorde mevrouw De Roos haar man dan lachen, als deze een vondst had gedaan die hij zelf grappig vond.

Uit het LC (1970): “Humor is ontzettend belangrijk”, vindt Hotze de Roos. In zijn boeken ziet hij kans om vooral via de figuur van Gerben zijn grappen kwijt te raken. “De onderwijzer moest boven wat wijzer wezen”, is één van Gerbens uitspraken die in het Nederlands zo ongeveer burgerrecht heeft gekregen. “Mijn man houdt veel van Engelse humor. Charles Dickens enzo”, zegt mevrouw De Roos. “Dat is hetzelfde als Friese humor”, meent haar man.

De Roos bleef altijd een bescheiden man. Over het gebrek aan waardering haalde hij z’n schouders op. “Het enige waar ik in geïnteresseerd ben, is de afrekening in het voorjaar”, zei hij dan. Natuurlijk moeten dertien miljoen verkochte exemplaren hem geen windeieren hebben gelegd. Of hij van het schrijven ruim zou kunnen leven, wilde een verslaggever eens weten. “Nou, ruimer dan wat ik verdien als timmerman”, antwoordde hij. Zoals hij ook z’n collega’s, die hem ‘stinkend rijk’ noemden, op z’n Gerben Zonderlands van repliek diende: “Ik heb wel tien honderd gulden.”

Aardige anekdote: Gerard van Straaten, de jongere broer van tekenaar Peter, was jarenlang de vaste illustrator van De Kameleon (“Het beviel me wel, die kneuterigheid, en dat gedoe met die bootjes”). Maar liefst 36 jaar voorzag hij de Kameleon-boeken van vijf (de kaft, een openingstekening, en drie verderop in ’t boek) illustraties per deel. Toen Van Straaten in een interview eens opmerkte dat De Roos vast wel een mooie bungalow aan het schrijven van de Kameleon had overgehouden, ging ’s avonds de telefoon. Er hing een boze Hotze de Roos aan de andere kant van de lijn.

“Hoe ik dat had kunnen zeggen, wat een onzin”, herinnerde de tekenaar zich het gesprek in de NRC (in 1995). Het was het enige contact dat de twee tijdens 36 jaar ‘samenwerking’ hadden. “We hebben verder nooit een woord gewisseld. Ik kreeg gewoon de manuscripten opgestuurd en deed braaf mijn werk.”

Toch veranderde niet alles wat Hotze de Roos aanraakte in goud. Drie Akkerwoude-boekjes bijvoorbeeld, die hij begin jaren vijftig schreef, deden niks. En ook in Duitsland kreeg hij niet echt voet aan de grond. Daar werden eind jaren zestig maar liefst tien Kameleon-delen (vertaald als ‘Tigerhai’) uitgegeven. De Roos vond het allemaal wel best. “Als het maar wat oplevert. Zo krijg ik misschien nog de radio terug die de moffen mij in de oorlog afgepikt hebben.”

Z’n hier en daar wat archaïsche taalgebruik was niet de enige kritiek die Hotze de Roos te verduren kreeg. Zijn wereldbeeld was volgens velen al evenzeer een tikje verouderd. Bijvoorbeeld waar het ging om man-vrouw-verhoudingen. Of de wijze waarop hij de tegenstelling stad-platteland continue placht neer te zetten. Kinderen uit de stad – waar überhaupt niets dan goed vandaan kwam – waren maar papkindjes, en in de dorpen was alles beter. Het platteland was heilig, uit de stad kwam niets anders dan criminaliteit en verderf.

Eind jaren zeventig was er zelfs een feministische werkgroep die jeugdboeken onderbracht in twee categorieën: pedagogisch verantwoord en onverantwoord. De Kameleon kwam cum laude terecht in categorie 2. Wegens ‘het totaal ontbreken van enige psychologische karaktertekening’. Verstandige ouders zouden hun kinderen deze lectuur moeten afraden, zo luidde het devies van de werkgroep.

Vanaf deeltje nummer 50, ‘De Kameleon in het goud’, voerde De Roos zelf al enige aanpassingen door en werden de boeken hier en daar al wat moderner. Na het overlijden van De Roos in 1991 werd er nog een tandje bijgezet, waarna ook tal van hertalingen werden doorgevoerd. “Vooral de vanwege gestaag afnemende verkoop”, zo liet de Kluitman-uitgever Pierre Stanco weten in Het vakblad voor de Kameleonlezer. “Wij vonden dat we weer aansluiting moesten zien te vinden bij de belevingswereld van de hedendaagse jeugd.”

Overigens was deze Stanco de eerste die het schrijven van de Kameleon, na de dood van Hotze de Roos in 1991, onder het pseudoniem P. de Roos voortzette. Hij hield het drie delen vol, waarna Fred Diks het stokje overnam. Ook Diks hield het na drie delen voor gezien. Hij werd opgevolgd door een duo: Bies van Ede en Maarten Veldhuis. Ook zij kwamen, onder het pseudoniem B.M. de Roos, tot drie Kameleon-delen.

Veldhuis ging vorig jaar in z’n eentje verder, onder het pseudoniem M. de Roos. Met ‘Geheimzinnige zaken in Lenten’ produceerde hij het zeventigste (!) deel van de reeks. Opvallend genoeg is deel 70 het eerste boek in de serie waarin de naam ‘Kameleon’ niet in de titel terugkomt. Het lijkt – althans op ’t eerste gezicht – dan ook niet echt ’n typisch Kameleon-verhaal.

“We hebben gemoderniseerd”, verklaarde Veldhuis tegenover boekenkrant.com. “Dat leek mij nodig. Toen ik de oude boeken van Hotze de Roos teruglas, schrok ik namelijk een beetje. Het is echt uit de tijd.”

Me dunkt dat de bezem er doorheen is gegaan. Zo zijn de overalls en de klompen van Hielke en Sietse verdwenen. De Klinkhamertjes, die nooit ouder werden dan veertien, dragen tegenwoordig baseballjacks en gympies. Hielke bouwt een Kameleon-website. Kees Dijkstra speelt op een Playstation. Allemaal hebben ze een laptop en een smartphone. En terwijl moeder Klinkhamer op zoek gaat naar een deeltijdbaan, helpen de jongens de asielzoekers in het dorp.

Veldhuis: “Minder opvallend is dat de vrouwen en meisjes veel mondiger zijn geworden. De enige zin die moeder Klinkhamer in de verhalen van Hotze ooit sprak, was: ‘Wie wil er een dikke boterham met pindakaas?’ Dat moest anders.”

De écht Kameleonfans hoeven voorlopig nog niet zonder. Steven de Jong maakte ondertussen twee speelfilms (2003 en 2005) en een twaalfdelige tv-serie (2018) over de Kameleon. En Veldhuis belooft dat hij nog minstens vier delen in de reeks zal volschrijven. “Zolang ik het volhou ga ik door.”

Mijn gekozen waardering € -

De interesses van Geert Jan Darwinkel zijn legio. Van (Amerikaanse) sport, tot film, human interest, lifestyle, muziek en reizen. GJ is old skool, maar toch reuze bij de tijd.