Filosoof Michael Sandel vindt dat we ook oog moeten hebben voor de legitieme grieven die schuilgaan achter het populisme. Tegelijkertijd roept hij de Republikeinse Partij op om meer morele moed te tonen tegenover president Donald Trump.

STEUN RO

Zweetdruppels parelen op het voorhoofd van de enige levende filosoof met rockster-status, Michael Sandel. Deze hoogleraar geeft aan Harvard het college Justice (“Rechtvaardigheid”) dat online door miljoenen mensen wordt bekeken, maar nu, zomer 2017, heeft hij dat grote publiek omgeruild voor een klein, oververhit zaaltje in Venetië. Daar houdt hij een lezing, op een congres over het populisme. Sandel hamert op zijn favoriete punt, namelijk het tekort aan moreel debat in de politiek: ‘Drie decennia van marktgedreven globalisering en technocratisch liberalisme hebben ons democratische publieke debat uitgehold, gewone burgers van hun macht ontdaan, en aangezet tot een populistische tegenbeweging die erop uit is om de naakte publieke ruimte te vullen met een intolerant, rancuneus nationalisme.’ Met andere woorden: de opkomst van Donald Trump en consorten. Na zijn lezing, waarvan een deel in dit interview is verwerkt, spreek ik Sandel over wat hij als het meest urgente politieke thema van onze tijd beschouwt.

We zien populistische revoltes over de hele wereld: Turkije, Nederland, Frankrijk, Latijns-Amerika enzovoort. Maar is Trump een typisch Amerikaans fenomeen?

‘Hij is op vele manieren verwant aan de rechtse populisten in Europa, maar er zijn twee dingen die hem duidelijk Amerikaans maken. Ten eerste maakt hij gebruik van vaardigheden die hij ontwikkeld heeft in een realitytelevisieshow [The Apprentice, waarin hij veelvuldig de beroemde kreet You’re fired! liet horen, PW]. Hij gebruikt die vaardigheden behoorlijk effectief in de politiek. Hij put uit die ervaring, en het heeft hem geholpen. Voor zover reality-tv een soort Amerikaans fenomeen is, is dat het eerste element.

‘De tweede manier waarop Trump een typisch Amerikaanse versie van een rechtse populist is, bestaat erin dat hij benadrukt dat hij rijk is, en een winnaar. In zijn taalgebruik stelt hij het winnaar-zijn gelijk aan rijk zijn. Dat is iets typisch Amerikaans, dat zie je niet zoveel in Europa. Deze twee elementen tezamen vormen een karakteristiek Amerikaanse versie van het populisme.’

Maar heeft u het gevoel dat hij nog verder zou kunnen gaan, zoals het ondermijnen van de constitutie of zelfs een soort van fascistische heerser worden?

‘Dat is een serieuze vraag. Ikzelf geloof dat het Amerikaanse constitutionele systeem en de scheiding der machten zullen zorgen voor een effectieve beteugeling van zijn autocratische impulsen. Ik hoop dat dit het geval zal zijn, en ik verwacht het ook.’

U bent nog steeds optimistisch?

‘Jazeker. Meer dan de Europese politieke stelsels is het Amerikaanse systeem ontworpen om machtsmisbruik door de uitvoerende macht te voorkomen. Helaas zal dat gehele constitutionele bouwwerk nu op de proef worden gesteld op een manier die we sinds Nixon niet meer gezien hebben. Maar ik denk dat het zal standhouden.’

Wat vindt u erger, Trumps eventuele samenzwering (‘collusion’) met Rusland of het Watergate-schandaal?

‘Die twee affaires zijn moeilijk te vergelijken. Trump, zoals Nixon in het verleden, zadelt het Amerikaanse systeem op met een stresstest, om een woord uit de bankenwereld te gebruiken. Ik denk, nogmaals, dat het constitutionele stelsel zal standhouden, maar het feit alleen al dat we hierover moeten speculeren laat zien hoe ernstig het probleem is geworden.’

Persoonlijk had ik nooit gedacht dat zoiets kon gebeuren in de Verenigde Staten. Had u dit voor Trumps verkiezing ooit gedacht?

Hoofdschuddend: ‘Nee.’

Hij mag de verkiezing van Trump niet hebben zien aankomen, maar intussen heeft Sandel diep nagedacht over de achterliggende oorzaken ervan. In zijn lezing waarschuwt hij voor simplistische verklaringen: ‘Sommigen serveren de opkomst van het populisme af als weinig meer dan en racistische, xenofobe reactie tegen immigranten en het multiculturalisme. Anderen zien het vooral in economische termen, als een protest tegen het verlies aan banen veroorzaakt door de wereldhandel en nieuwe technologieën. Maar het is een vergissing om alleen de intolerantie te zien in populistische protesten, of om het alleen als economische klacht te zien. Dan ga je voorbij aan het feit dat de omwentelingen van vorig jaar een politiek antwoord waren op een politiek fiasco van historische omvang.

‘Het rechtse populisme dat vandaag de dag in opkomst is, is een symptoom van het falen van de progressieve politiek. De Democratische Partij is een partij geworden van een technocratisch liberalisme dat beter aansluit bij de professionele klasse dan bij de kiezers uit de arbeiders- en middenklasse die ooit hun achterban vormden. De Britse Labour Party bevindt zich in een soortgelijke penibele situatie.

‘Smeulende woede over de redding van de Amerikaanse banken tijdens de crisis wierp een schaduw over Obama’s presidentschap en zou ten slotte een stemming van populistisch protest aanwakkeren dat zich over het hele politieke spectrum uitstrekte – aan de linkerkant de Occupy-beweging en de kandidaatstelling van Bernie Sanders, en aan de rechterkant de Tea Party-beweging en de verkiezing van Trump.

Trump is zich zeer goed bewust van deze politiek van vernedering.

‘Voordat ze mogen hopen om de steun van het grote publiek terug te winnen, moeten de progressieve partijen hun missie en doelen opnieuw overdenken. En om dat te kunnen doen, moeten ze leren van het populistische protest dat hen vervangen heeft – niet door de xenofobie en het felle nationalisme over te nemen, maar door de legitieme grieven serieus te nemen waarmee deze lelijke sentimenten verstrengeld zijn. Zo’n heroverweging zou moeten beginnen met de erkenning dat deze grieven niet alleen economisch van aard zijn, maar ook moreel en cultureel: ze gaan niet alleen over lonen en banen, maar ook over sociale waardering.’

Wat moeten we dan bijvoorbeeld aan ongelijkheid doen?

‘Het standaard antwoord op ongelijkheid is de roep om meer gelijkheid in kansen. Door het omscholen van arbeiders die hun banen zagen verdwijnen door globalisering en technologische vooruitgang. Door de toegang tot het hoger onderwijs te verbeteren. Door barrières van ras, etniciteit en geslacht weg te nemen. Dat alles wordt samengevat in de slogan dat zij die hard werken en de regels volgen, het net zo ver moeten kunnen schoppen als hun talent toelaat.

‘Maar die slogan klinkt hol. In de huidige economie is het niet makkelijk om op te klimmen. Dit is vooral een probleem in Amerika, dat zich juist zo op de borst klopt om zijn opwaartse mobiliteit. Amerikanen hebben zich van oudsher minder zorgen gemaakt om ongelijkheid, vanuit het geloof dat het mogelijk is om door hard te werken op te klimmen van krantenjongen tot miljonair, ongeacht het milieu waarin je geboren bent. Maar nu wordt aan dit geloof geknaagd. Amerikanen met arme ouders blijven over het algemeen arm als ze volwassen zijn. Van degenen die geboren zijn in de onderste twintig procent van de inkomensschaal, zal 43 procent daar ook blijven, en slechts 4 procent zal het schoppen tot de bovenste twintig procent van de inkomensschaal.

‘Dit verklaart misschien waarom deze kansenpraatjes niet meer inspireren, zoals ze ooit wel deden. Progressieven moeten af van het idee dat sociale mobiliteit de ongelijkheid kan compenseren. Ze moeten de ongelijke verdeling van macht en rijkdom rechtstreeks aanpakken, in plaats van zich tevreden te stellen met mensen helpen om een ladder op te klauteren, terwijl de sporten steeds verder uit elkaar groeien.’

Hoe verhoudt Trumps populariteit zich tot die vernedering die velen uit de arbeidersklasse in de VS hebben ervaren, door het verlies van banen?

‘Zoals ik in mijn lezing aangeef: Trump is zich zeer goed bewust van deze politiek van vernedering. Gezien vanuit het standpunt van economische eerlijkheid is zijn populisme nep, een soort plutocratisch populisme. Zijn zorgplan zou voor veel van zijn stemmers uit de arbeidersklasse de gezondheidszorg wegsnoeien om gigantische belastingverlagingen voor de rijken te bekostigen. Maar wie zich enkel concentreert op deze hypocrisie mist het punt waar het om gaat.

‘Toen hij de Verenigde Staten terugtrok uit het klimaatakkoord van Parijs, beargumenteerde Trump dat hij dat deed – wat niet aannemelijk was – om Amerikaanse banen te beschermen. Maar het echte punt van zijn besluit, de politieke gedachte daarachter, lag besloten in deze, op het eerste gezicht verdwaalde opmerking: “We willen niet meer uitgelachen worden door andere landen, en andere leiders.”

‘Amerika bevrijden van de veronderstelde lasten van het klimaatakkoord ging niet werkelijk om banen of om de opwarming van de aarde. Het ging, in Trumps politieke verbeelding, om het voorkomen van vernedering. Dit vindt weerklank bij zijn kiezers, zelfs bij degenen die zich wel zorgen maken over klimaatverandering.

‘Voor hen die achtergelaten zijn door drie decennia van marktgestuurde globalisering is het probleem niet alleen de stagnatie op hun loonstrookje en het verlies van banen, het zit hem ook in het verlies van sociale waardering. Het gaat niet alleen om oneerlijke verdeling, maar ook om vernedering.’

En waar past ‘angst’ in deze legitieme grieven? En dan vooral de angst voor de islam en voor terrorisme, een van de onderwerpen die Trump claimt, zoals met zijn ‘Muslim Ban’.

‘Ik denk dat angst een belangrijke bron is voor het populisme, en op dit moment is het evident dat de angst voor terrorisme aardig wat populistisch taalgebruik aanwakkert. En ik meen ook dat de middenpartijen deze angst rechtstreeks kunnen en moeten aanspreken: door het te benoemen en door te zeggen wat hun voorstellen zijn om er iets aan te doen. Kijk, angst die vervalt in haat jegens de islam is een erg gevaarlijk fenomeen, maar ik blijf van mening dat de middenpartijen de angsten van mensen voor het terrorisme moeten aankaarten, op een manier die juist voorkomt dat populisten die angst kunnen verbinden met haat jegens de islam in het algemeen.’

En gelooft u dat ook deze angst, net als de andere legitieme klachten van het populisme, in een moreel debat kan worden thuisgebracht?

‘Jazeker.’

Maar hebben de Democraten dat wel afdoende gedaan?

‘Naar mijn mening hebben ze dat wel gedaan, in bepaalde mate. Ik geloof dat dit een terrein is, anders dan de andere terreinen die ik benoemde, waar de middenpartijen het vraagstuk van veiligheid en de angst voor terrorisme – althans tot op zekere hoogte – onder woorden hebben gebracht.’

Spreken over angst brengt ons bij het tegendeel: moed, en daarmee bedoel ik met name morele moed. Waarom heeft de Republikeinse Partij niet meer weerstand geboden aan Trump, die met zijn uitlatingen duidelijk een grens overschrijdt?

‘Er zijn een paar Republikeinse stemmen die kritisch zijn op Trump, zoals John McCain en Lindsey Graham. Deze twee senatoren zijn behoorlijk openhartig geweest in hun kritiek op de president, en ik hoop dat mettertijd ook anderen zullen opstaan. Tot nu toe heeft slechts een handjevol Republikeinen zich uitgesproken tegen Trump, en het belangrijkste politieke feit om in de gaten houden is het volgende: zullen steeds meer Republikeinen in de Senaat en het Huis van Afgevaardigden kritiek beginnen te uiten Trump? Ik hoop het, maar helaas zijn velen van hen zo geconcentreerd op gewenste belastingkortingen voor de rijken en de afrekening met Obamacare, dat ze het liever uithouden met Trump dan dat ze hem bekritiseren. Mijn hoop is dat dit zal veranderen.’

(Een uitgebreidere versie van dit interview staat in het boek “Ik brul, dus ik ben – denkers over het populisme” dat 9-16 november 2017 bij Boom Uitgevers te Amsterdam verschijnt)

Journalist en columnist. Schrijft over alwat voor zijn pen komt, van Haagse politiek tot terrorisme. Beukt er graag op los met de filosofenhamer. Classicus en volgeling van Dionysus, liefhebber van spot en ironie, slaat nooit een cappuccino af.