Zeven jaar geleden viel het doek voor Diederik Stapel. Als een rotte appel werd de frauderende sociaal psycholoog uit het systeem verwijderd. Gelukkig, merkt hij, wordt er inmiddels onderkend dat er meer mis is met de wetenschap. Hoe denkt de man die symbool kwam te staan voor wat er mis was, over de problemen waar de wetenschap nog altijd mee kampt?

STEUN RO

En toen ineens ontving ik een mailtje van Diederik Stapel. Hij had me gehoord bij de TROS Nieuwsshow op Radio 1, waar ik geïnterviewd werd over mijn artikelenreeks Worstelende Wetenschap in De Groene Amsterdammer. In die serie kaartte ik de structurele problemen in de wetenschap aan, zoals publicatiedruk, een gebrek aan transparantie en het feit dat veel studies niet herhaalbaar blijken. Hij vroeg me of ik een kopie van het artikel kon toesturen.

Even vroeg ik me af of het geen grap was, dat mailtje, maar na wat berichten heen en weer was wel duidelijk dat dit ‘de echte’ was. Zou ik hem voorstellen om iets af te spreken? Ik was me bewust van de gevoeligheid rond zijn persoon, ook zeven jaar na dato nog. Steeds wanneer hij opdook in de media, waren er de grimmige reacties. Die man verdiende geen aandacht, geen tweede kans, klonk het. Ik kon me die emoties voorstellen, maar ergerde me er ook aan. Wanneer iemand in de fout is gegaan, betekent dat toch niet dat die geen enkel recht van spreken meer heeft?

Is het niet juist interessant om te horen van iemand die de fout in ging, hoe hij aankijkt tegen het systeem waarin hij dat deed? En hoe datzelfde systeem ook anderen aanzet tot gedrag wat de wetenschap ondermijnt? Ik stelde voor een kop koffie te drinken.

Wanneer ik aan kom lopen, zit hij aan een tafeltje in een Tilburgse koffiebar te wachten, met een krant voor zijn neus. Hij zet snel zijn bril op, zodat ik zie wie hij is. Een tikkeltje grijzer, maar onmiskenbaar de Diederik Stapel die ik ken van de vele foto’s uit de media. De Diederik Stapel die zoveel teweeg bracht in de wetenschap, zowel in Nederland als erbuiten.

Even recapituleren: tot september 2011 was Diederik Stapel een succesvol sociaal psycholoog, werkzaam aan de Universiteit van Tilburg. Hij publiceerde 130 wetenschappelijke artikelen in bladen als Science en Psychological Science, waarin hij onder meer concludeerde dat we in een rommelige omgeving meer xenofoob worden.

In een eerdere versie van dit artikel schrijf ik dat hij een graag geziene gast was bij televisieprogramma’s als De Wereld Draait Door, maar wanneer ik hem het stuk toestuur confronteert hij me met mijn eigen aannames: Stapel deed zelden mee aan televisieprogramma’s, in tegenstelling tot collega’s als Roos Vonk en Ap Dijksterhuis. Hij deed ook lang niet zulk sexy onderzoek als vaak wordt verondersteld, op die paar vooraanstaande publicaties na. Verder publiceerde hij veel over percepties, gezichtsuitdrukkingen en verwachtingen over onszelf en elkaar. ‘Redelijk esoterisch’, omschrijft hij het zelf.

Het beeld van de ‘gevierde sociaal psycholoog waar iedereen mee wegliep’ is vooral ontstaan nadat was uitgekomen dat Stapel jaren op grote schaal experimenten had gefaket en onderzoeksresultaten uit zijn duim had gezogen. De Universiteit van Tilburg tuigde een commissie op onder leiding van oud-KNAW-voorzitter Pim Levelt om de zaak tot in detail uit te zoeken. Inmiddels zijn meer dan vijftig van zijn artikelen teruggetrokken. Stapel verdween uit de wetenschap, probeerde nog wel elders aan de bak te komen, maar steeds ontstond daarover zoveel commotie dat hij snel weer moest vertrekken, zoals toen hij in 2016 als beleidsmedewerker was aangenomen aan de Nationale hogeschool voor toerisme en verkeer in Breda. Zijn in 2012 verschenen boek Ontsporing werd ook al geen succes. Niemand leek hem de inkomsten te gunnen. Tegenwoordig biedt hij via zijn website zijn diensten aan als spreker, meedenker en gesprekspartner en leeft voornamelijk van het inkomen van zijn vrouw.

Aan het begin van het gesprek vraag ik of hij het oké vindt als ik mijn recorder aanzet, om het gesprek mogelijk als interview uit te werken. Zelf ben ik er ook nog niet helemaal uit of ik dat wil, maar ik wil de mogelijkheid open houden. Hij stemt in.

Stapel bedankt me voor de uitnodiging. Hij blijkt de wetenschappelijke perikelen op de voet te volgen, heeft nog altijd regelmatig contact met oud-collega’s en raakte bevriend met Nick Brown, een gepensioneerd ICT’er die aan de Rijksuniversiteit Groningen promoveert in de psychologie, en nota bene de ene na de andere topwetenschapper onder vuur neemt vanwege hun gammele methoden. Brown vertaalde Stapels boek Ontsporing naar het Engels, waardoor het beschikbaar kwam voor buitenlandse collega’s.

Stapel zegt te begrijpen dat er voor hem geen tweede kans is in de wetenschap, maar worstelt nog altijd met de ‘rotte appel metafoor’ die door de onderzoekscommissie en veel andere wetenschappers op hem werd geplakt. ‘Zo van: “Wij zijn het niet, het komt door Diederik. Hij is namelijk een nutcase. Terwijl als je accepteert dat er misschien wel meer aan de hand is, dan komt het wel heel dichtbij.”’

Waarom nam u contact met me op over Worstelende Wetenschap?

‘Die serie sprak me aan. Ik geloof dat we wel toe zijn aan een wat breder beeld van wat er nou gebeurd is, wat er aan de hand is, het is natuurlijk heel lang en heel makkelijk gegaan over die paar extreme gekken. Maar om het alleen daarbij te laten gaat er te veel mis. Ik hoop dat de huidige aandacht voor de bredere problemen leidt tot structurele verbetering. Toen ik hier naartoe liep, dacht ik “ja, er is eigenlijk best veel gebeurd sinds mijn val in 2011.” Ik ben niet de oorzaak van die veranderingen denk ik, maar wel de aanleiding, of in elk geval een belangrijke aanleiding.’

Er is vaak een crisis nodig om mensen wakker te schudden.

‘Ja. Die crisis was gekoppeld aan een persoon, en dat ben ik, maar vervolgens zijn er allerlei, vooral jonge mensen bezig gegaan met nieuwe initiatieven, zoals het herhalen van belangrijke studies en het opzetten van projecten om dat mogelijk te maken. Science In Transition, het initiatief van de Utrechtse hoogleraar Frank Miedema om de wetenschap structureel te verbeteren, begon veelbelovend. Alleen is het de vraag of het echt doorzet. En in veel gevallen is het symptoombestrijding.’

Vindt u reproduceerbaarheidsstudies, waarbij gepubliceerde onderzoeken opnieuw uitgevoerd worden een vorm van symptoombestrijding?

‘Reproduceerbaarheidsstudies zijn heel belangrijk. Alleen al het feit dat je weet dat je studie misschien gereproduceerd zou kunnen gaan worden, als een soort belastinginspectie, houdt je bij de les. Als je me vraagt: was het bij jou anders gelopen als reproductiestudies toen al standaard waren, dan denk ja, want dan had ik natuurlijk gewoon geweten: kut ik heb waarschijnlijk een probleem of: ik moet wel, ik moet het anders gaan aanpakken. Je kan natuurlijk wel liegen, maar dan moet je in elk geval ook zorgen dat het reproduceerbaar is.’

En toch vindt u het symptoombestrijding?

‘Ja, in feite wel, net als al die andere dingen: we moeten een eed afleggen, we moeten meer in teams werken, we moeten meer reproduceren… Terwijl, volgens mij het basisprobleem van culturele aard is. Het probleem van presteren, excelleren, alleen als je tienen en negens haalt, alleen als je in Nature staat en in Science mag je door. ik heb het idee dat dat sinds 2011 alleen maar erger is geworden.’

Hoe bedoelt u dat?

‘Mijn dochter is net begonnen met studeren in Amsterdam en ik heb ook neefjes en nichtjes die studeren, Pfoeh! Ze maken zich enorme zorgen omdat ze allemaal denken dat het belangrijk is om in excellentieclubjes en plusgroepjes te komen. Alsof het daarom gaat: hoe hoog je cijfers zijn. Volgens mij gaat wetenschap vooral en nog steeds over kritisch denken, en daar hoor je hen veel minder over. Ik heb laatst een goed boek gelezen daarover, van William Deresiewicz, Excellent sheep, over de druk die op de jeugd wordt gelegd en hoe die daardoor juist in een mal worden gedrukt. Al deze mensen zijn heel erg slim, maar we maken schapen van ze, zodat ze mee kunnen in het systeem, zodat zij ook in Science en Nature gaan publiceren. Er is geen aandacht voor het tegengeluid, de critici.’

Waar blijkt dat dan volgens u uit, dat er niet meer kritisch nagedacht wordt?

‘Het is mijn basispunt geworden. Het oppositionele denken is de definitie van wetenschap: scepticisme, falsificatie. Terwijl als we zeggen “wat heeft Diederik fout gedaan?” Die was alleen maar bezig met verificatie, wilde alleen maar: ik heb een theorie, ik heb een idee en ik wil gewoon dat het waar is, dus het kan mij niet schelen. Dat begint heel onschuldig, maar op een gegeven moment is het helemaal uit de hand gelopen. Maar vanuit een breder perspectief zie je: als je niet meedoet, als je niet met ons meedraait, als je niet in de tijdschriften publiceert die voor ons belangrijk zijn, dan, dan heb je geen hypotheek, dan kan je de huur niet betalen, dan ben je weg.’

De vraag is natuurlijk in hoeverre wetenschappers open staan voor de wijze lessen van Diederik Stapel. Zo nu en dan wordt Diederik Stapel nog wel eens uitgenodigd door een student of een promovendus, om te vertellen over wat er is gebeurd en hoe het zo ver heeft kunnen komen. Daar zegt hij eigenlijk altijd ja op, omdat hij zijn verantwoordelijkheid wil nemen en hij van mening is dat zijn perspectief er toe doet, dat hij inzichten heeft en de boel misschien beter kan maken. Maar in 95 procent van de gevallen gaat de afspraak uiteindelijk niet door, omdat professoren, directeuren of colleges van bestuur er een stokje voor steken. Dan wordt hij een week of een paar dagen van tevoren weer gebeld en klinkt het: ‘Sorry Diederik, helaas, we zouden wel willen maar we zijn teruggefloten en het kan niet doorgaan. Het mag niet van de universiteit, het mag niet op de campus.’ Schandelijk vindt Stapel dat. Het past volgens hem niet in de cultuur van open discussie en kritiek.

Hoe kijkt u aan tegen de discussie rondom academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting aan de academie?

‘Het komt voort uit een cultuur van correctheid waar ik altijd voorstander van was: je moet altijd geduldig zijn in je taalgebruik, rekening houden met anderen, en ik vind zoiets als Zwarte Piet ook bizar. Natuurlijk moeten we daarmee ophouden. Maar de ruimte voor diversiteit in wie je mag zijn wie je wil zijn, is ontaard in het tegenovergestelde. Bescherming is belangrijker geworden dan openheid. Als studenten in Berkeley een omstreden spreker uitnodigen, laat die dan komen, zorg dat je een goede discussie krijgt. Nu is het: “Diederik Stapel komt op de campus, nee dat mag niet, levensgevaarlijk en hij heeft onze wetenschap vermoord en hij is een moordenaar en een verkrachter.”‘

Men ziet u als een slecht voorbeeld, waarschijnlijk?

‘Natuurlijk hoef je me niet uit te nodigen, mag je me een eikel vinden waar je niet mee wilt praten. Maar als er een groep mensen is die wel met mij in gesprek wil, die wel mijn verhaal wil horen, dan is het pure censuur als de machtigen in de universiteit dat verbieden. Dat kan niet. Iedereen moet vrij zijn om discussies te voeren en meningen uit te wisselen. Kennelijk is naar Diederik Stapel luisteren vloeken in de kerk. Het zijn voor mij allemaal indicaties dat wetenschap de nieuwe religie is geworden.’

De nieuwe religie? Hoe bedoelt u dat?

‘We willen te veel, we zijn te enthousiast, we te zijn ambitieus. Wat het ook religieus maakt is dat je echt verwacht dat de wetenschap uiteindelijk tot verlossing zal leiden. Ik heb het zelf ervaren: ik was vader en decaan en directeur en professor en ik had ook nog een papadag. Alles wat ik deed was geweldig, ik was het nieuwe wonderkind. Het nieuwe wondermens. Niemand is ooit op me af gestapt en heeft gezegd: wat jij doet dat kan gewoon niet. We verwachten er veel te veel van. Iemand als Robbert Dijkgraaf gaat niet de wereld redden. Als je twintig miljard in de wetenschap stopt, dan is niet opeens klimaatverandering opgelost en weten we niet opeens wat de zin van het leven is.’

We willen te veel controle?

‘De onzekerheid moet terug. En dat is moeilijk want daar hadden we eerst religie voor en nu hebben we wetenschap. Maar als de wetenschap gewoon weer wetenschap wil worden, moeten wetenschappers niet meer tegen het publiek en tegen journalisten zeggen: ‘Hé, ik los het allemaal op, geef mij geld joh, dat komt allemaal goed.’

Het zijn vaak niet de meest degelijke onderzoekers, maar de beste verhalenvertellers die succesvol worden.

‘Ja. Neem Brian Wansink, de voedingsmarketingonderzoeker die nu zo onder vuur ligt. Briljante verhalenverteller. Hij had een schitterende, aangename boodschap. Ik denk dat ik dat ook had. Ik kreeg ook altijd hoge beoordelingen voor colleges: ‘gaaf Diederik!’ Je wordt ook gestimuleerd goed te communiceren, het niet te ingewikkeld te maken. Een schrijver als Malcolm Gladwell verkoopt zoveel boeken omdat hij een mooi, aangenaam verhaal vertelt. Een van zijn boeken baseert hij nota bene grotendeels op het onderzoek naar priming, het teweeg brengen van een bepaalde mindset door bijvoorbeeld subtiele visuele prikkels toe te dienen, waaraan ik een bijdrage leverde. Mannen als Daniel Kahneman (Nobelprijswinnaar en auteur van de megabestseller Thinking fast and Slow) en Daniel Gilbert (geluksonderzoeker en auteur van Stumbling on Happiness) verdienen allemaal vele tonnen per jaar. Ze reizen de wereld over met briljante verhalen, een soort circus is het. Ze zijn allemaal goed begonnen, maar dronken geworden van de royalties en aandacht en applaus en miljoenen mentions. Maar de wereld is complex en er gaan dingen mis en er gaan mensen dood en we moeten de pijn accepteren. Dat is het absurdistische, depressieve verhaal waar ik tegenwoordig voor sta. Daar zit niemand op te wachten.’

Depressieve mensen staan vaak realistischer in het leven toch?

‘Ja! Toen ik in mijn opleiding daarover leerde vond ik het zo gaaf. Maar er zit ook een risico aan die pessimistische kijk op de wetenschap: dat niets meer waar is. Dat geloof ik niet. Toen ik in de wetenschap zat was ik veel postmodernistischer, relativeerde ik de waarheid veel meer, vandaar ook mijn ontsporing. Ik heb een tijd in Chicago gewoond, postmodernisme was toen heel populair. Ik las de Amerikaanse bewerkingen van Foucault en zo, maar ik werd daar op den duur zo moe van – dat kon ook niet goed zijn. Nee we moesten op weg naar wat waar is en wat er echt toe doet. Nu zit ik veel meer op de lijn: de mens werkt op bepaalde manier, zo zit het. Ik werk tegenwoordig in de verslavingszorg, als therapeut. Daarbij praat ik met mensen en gebruik technieken en therapieën en kom je toch wel aantal klassieke waarheden tegen: cognitieve dissonantie, motiverende gespreksvoering, korte termijn – en lange termijn geheugen. Maar we moeten af van die neiging om alles te willen objectiveren.’

De drang tot objectificatie en de verleiding om daaraan gehoor te geven, illustreert Stapel aan de hand van een anekdote. Op een dag wordt hij gebeld door een havo-scholier, een dochter van een bekende van hem. Ze maakt een profielwerkstuk over liegen en wil naast haar filosofische, sociologische en psychologische analyse van liegen, ook graag een echte leugenaar spreken – of hij bereid is mee te werken. Ja natuurlijk. Ze komt goed voorbereid aan, heeft zelfs zijn boek Ontsporing gelezen. Uiteindelijk komt het gesprek uit op die ene vraag: ‘Waarom?’ Hij vertelt over zijn gezin, zijn broers, over zijn persoonlijkheid, zijn behoefte aan applaus, zijn wens om ergens bij te horen, zijn eenzaamheid en over de nihilistische invloeden die hij opdeed tijdens de hoogtijdagen van het postmodernisme.

Ze luistert geboeid, maar bevredigd is ze niet, merkt Stapel. ‘Daar zaten mijn psychiater en ik ook mee’, zegt hij tegen haar. ‘Ik ben toen in een hersenscanner gaan liggen en toen hebben we twee dingen gedaan: Diederik ligt in de scan en moet alleen maar aan de werkelijkheid denken, en dan wordt er een plaatje gemaakt en Diederik moet fantaseren en verzinnen en zo veel mogelijk dingen bedenken die niet echt zijn en dan wordt zijn brein gescand. Wat blijkt? Mijn fantasiebrein is net een stukje groter dan bij de andere mensen.’ Tevreden knikt ze. Nu begrijpt ze het. Nu heeft ze een objectieve, duidelijke, biologische verklaring: Diederiks brein is anders. Alleen is het helemaal niet waar. Dat idee van die MRI-scanner verzon Stapel ter plekke. Toen hij dat aan de scholier vertelde was ze teleurgesteld. ‘Zo diep is het verlangen naar simpele, aangename, objectieve antwoorden. Misschien zijn we meer op zoek naar geruststelling dan naar waarheid.’

Waarom is die verleiding zo groot, om te voldoen aan die vraag naar objectiviteit?

‘Niet alleen de maatschappij, ook wetenschappers zelf verlangen ernaar. En ja het is heel logisch dat mensen sjoemelen, want het levert ongelooflijk veel op. Het is strikt genomen zelfs de rationele optie: de kans dat je gepakt wordt is heel klein en dat het dan ook nog publiek wordt gemaakt, is nog kleiner. Wat dat betreft was mijn geval natuurlijk heel uitzonderlijk. Ik ken ook een paar voorbeelden van mensen die dingen gedaan hebben die echt niet konden, maar die gewoon nog aan het werk zijn. Dus ja, slecht gedrag loont in veel gevallen in het huidige systeem.’

Ziet u het terugkomen, die bescheidenheid in de wetenschap?

‘Ik heb wel eens samen met een hoogleraar statistiek een praatje gehouden voor promovendi in het UMC Utrecht. Het was vrijdagmiddag, de hoogleraren waren al vertrokken en wij waren er nog met de jonge onderzoekers. “Wat moeten wij doen?” Vroeg een promovendus. “We staan wel onder druk.” Ik zeg: “Als jullie maandag zeggen we doen het niet meer, gebeurt er niks meer.” Maar dat vinden ze te ver gaan. Ik schrok er echt van hoe angstig ze waren. Zo afhankelijk van anderen en van het systeem. Ze herkennen het probleem, maar doen niks. Ik ben wat dat betreft blij dat ik eruit ben. Mijn leven is vol zorgen, maar ik voel me een stuk vrijer. Ik spreek nog wel eens oud-collega’s en vrienden die nog in de wetenschap zitten. Als ik dan hoor hoe ze het moeten doen en waar ze mee worstelen, dan denk ik “dit is de bedoeling niet.”’

Wat was de bedoeling dan wel, volgens u?
‘De bedoeling was een soort vrije academie. Dat is helemaal mis gelopen, we geven nu heel veel geld en je moet vooral doen waar wij iets aan hebben. Terwijl het idee heel mooi was: een aantal mensen in onze maatschappij zijn heel slim en heel gemotiveerd en die stoppen we in een klooster en die gaan in vrijheid aan de slag, die gaan van alles ontdekken.’

Daar moeten we naar terug?

‘Ja. De rest is symptoombestrijding. Het is net als in de psychotherapie: het gaat om de basisprocessen, hoe je in de wereld staat, dingen verwerkt en met herinneringen uit verleden omgaat en emoties, als je daarmee niet aan de gang gaat los je niets op. Anders kun je het hebben over op tijd opstaan, ritme, regelmaat en genoeg mensen zien, maar daaronder zit dan nog steeds dat grote trauma. Als je daar niks aan doet, los je het probleem niet op. Ook in de wetenschap niet.’

We sluiten het gesprek af, schudden elkaar de hand en ik pak mijn spullen. Stapel blijft nog even zitten, vanwege een volgende afspraak. Terwijl ik terugloop richting de trein laat ik het gesprek bezinken. Was dit inderdaad stof voor een artikel? Iets wat ik wil opschrijven, omdat het iets toevoegt aan het debat over de problemen in de wetenschap? Ja.

Toch twijfel ik nog. Waarom? Ben ik bang voor de reacties? Vrees ik dat een interview van mijn hand met deze man mij zal besmetten? Dat ik het verwijt zal krijgen hem een podium te geven wat hij niet verdient?

Voorzichtig pols ik hier en daar op social media of mensen een interview met Stapel over de problemen van nu zouden willen lezen. Sommigen zeggen ja, maar ik stuit ook op afkeer en weerstand. Iemand bijt me toe dat ik toch ook niet aan Willem Holleeder zou vragen hoe we het rechtssysteem zouden moeten inrichten. Dat klinkt inderdaad best belachelijk, maar ben ik het er wel mee eens?

Heel veel factoren samen lieten Stapel doen wat hij deed, en maakten hem tot een uniek geval. Maar een groot deel van die factoren maken voor vrijwel elke wetenschapper deel uit van de dagelijkse praktijk. Daarom is het interessant om hem hierover te horen. En zoals hij in de mailwisseling na het gesprek schreef: ‘Iedereen heeft het over fraude en gesjoemel, maar ik lees nooit over iemand die zegt “inderdaad, ik sjoemel”. Ook jij hebt alleen maar mensen gesproken die heilig zijn, alles keurig doen en zich verbazen over de anderen. Dat is fascinerend.’

Ik schrijf menselijke verhalen over wetenschap en het wetenschappelijk bedrijf, voor onder meer De Volkskrant, De Correspondent, Marie Claire en Science Magazine. Liefst over alledaagse en maatschappelijke onderwerpen. Ik won de AAAS Kavli Science Journalism gold award 2016.