Ik was in het land van Sander Schimmelpenninck en zag niet alleen maar fascisten

Almelo staat sinds een paar jaar op de kaart dankzij theater. Ik ging donderdag kijken bij Van Katoen en Water, een openluchtspektakel met goed getimede stortbui en een vollemaansopkomst zoals je die alleen in het bijna weggegentrificeerde oud-industriële hart van de armste stad van Twente kunt meemaken. Er werd vooraf stamppot geserveerd, met een johmaslaatje. De wijn vloeide rijkelijk.

In een oude hal de 750 bezoekers en 200 vrijwilligers die later die avond buiten een voorstelling zouden brengen die feestelijk de geschiedenis van Almelo vierde, en toch nog net dat beetje diepgang in het verhaal had om ook de veeleisender toeschouwer te kunnen behagen. Geschiedenis vertellen via de waanbeelden van een dementerende: goede keus, al was met name het spel in de massascenes wat te statisch. De muziek klonk goed, er werd gezongen als in de beste musicals.

Ongepolijste communicatiestijl

De openluchtspektakels in Almelo, waarvan deze editie alweer aflevering drie is, komen uit de koker van het Enschedese Wilmink Theater. Die stadsschouwburg heeft ervoor gekozen om als NV door het leven te gaan en zijn eigen boontjes te doppen. Het theater treedt op als producent van veel publieksproducties met een sterke regionale link. Motor achter dit geheel is het liefdespaar Simone Kratz (artistiek directeur) en Gerard Cornelisse, een ‘macher’ die kan terugkijken op een roemrucht verleden als ‘vrije’ theaterproducent.

Waar laatstgenoemde met zijn ongepolijste communicatiestijl nog wel eens een wenkbrauw kan doen fronsen, slaagt hij er buitengewoon goed in om zijn talent als organisator te combineren met voldoende charisma om amateurspelers en andere liefhebbers uit het Almelose te mobiliseren. Natuurlijk geholpen door het feit dat hij spelers als Laus Steenbeeke en André Manuel kan inzetten, en de beschikking heeft over een goed netwerk van componisten, bandleiders en zangers.

Airco

Dat Almelo dankzij dit soort culturele verheffing zelfbewuster wordt, en de bevolking elkaar nu weet te vinden in gezamenlijk genieten van een professioneel amateurspektakel in een toekomstige nieuwbouwwijk bij het station, is dus echt. Kunst kan dat, en dat weten lokale overheden steeds beter.

Mijn bezoek aan Overijssel betrof ook Deventer, waar een actieve kunstscene al heel lang heeft gezorgd voor een sterk cultureel imago. Helaas – wat mij betreft dan – slaat de gentrificatie toe op een moeilijk te keren manier. Theater Bouwkunde, een klein houwtje-touwtje zaaltje boven een inmiddels bekroond restaurant, staat leeg. De functie is overgegaan naar een nieuw cultureel multi centrum waar de airco wel werkt en rolstoelen naar binnen kunnen.

IJsselbiënnale

Het Burgerweeshuis, een fameuze popzaal in een historisch pand, midden in het centrum, verkast naar een nieuw te ontwikkelen plek in het havengebied, waar het de verwachte gentrificatie van dat stuk niemandsland hopelijk nog een paar jaar kan overleven. Het is tenslotte maar afwachten wanneer de nieuwe buren vanuit hun stadsvilla’s aan de overkant gaan klagen over geluidsoverlast.

De Deventer binnenstad raakt zijn culturele trekkers kwijt, en dat is jammer, zeker als je meetelt hoeveel elan er is onder de makers en organisatoren van culturele evenementen. Neem de IJsselbiënnale. Dat evenement, getrokken door curator Mieke Conijn, is ook weer een schoolvoorbeeld van hoe je zelfs de minst culturele partijen, zoals het waterschap, bij kunst betrekt: laat ze inzetten op hun eigen expertise en maak die waardevol voor anderen. Lijkt simpel, werkt als een trein en komt maar zelden voor.

Tubbergen

Een lange rit (de treinen staakten) voert je vervolgens naar Enschede langs de steeds kinderachtiger overkomende parade van onderstebovenvlaggen waar een deel van de Overijsselse bevolking zich mee identificeert. Het is onder meer deze koketterie met de vlag van de Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein die Sander Schimmelpenninck, adellijk vluchteling uit Twente, in de Volkskrant deed uitroepen dat alle Twentenaren fascisten waren. Iets wat ik nu met wat korrels zout wil nemen. Tubbergen is niet heel Twente.

Neem Enschede, een stad met een eigen universiteit die veel nerds aflevert. De stad zonder echt historisch hart is host van het Gogbot-festival, georganiseerd vanuit een voormalig kraakpand tegenover het station. Daar zindert het van de steampunk en datadriven ai-kunst, allemaal te overzien vanuit een bar waar na de openingsavond de fanta op is en in de kelder net zo weinig licht is, en net zo veel mysterieus gedreun klinkt als in een aflevering van Stranger Things.

Vendelzwaaiers

Enschede heeft Gogbot inmiddels omarmd. Hier zindert de creativiteit in een bouwval, zoals die in elke (wereld)stad zindert op plekken waar je niet ieder stopcontact kunt vertrouwen en de muren smeken om met zwaar gereedschap bestreden te worden. Het pand waar de organisatie van Gogbot huist, moet ook tegen de vlakte, helaas. De prominente plek in de gentrificerende stad is te waardevol om er kunstenaars hun gang te laten gaan.

Met dank voor de geleverde herwaardering en het herwonnen zelfrespect van de stad wordt er nu gezocht naar een nieuwe plek, waar projectontwikkelaars er minder last van hebben. Men gaat ervan uit dat ook die weer tijdelijk zal zijn, maar wel in het centrum. Ze hebben dat ook wel nodig, omdat anders de laatste TU-student ook voor zijn bier naar Hengelo verdwijnt.

Steden kunnen wel wat anarchie gebruiken, nu de vendelzwaaiers het platteland veroveren. Kunst kan daar geweldig bij helpen. Dat moeten meer mensen bij pers en overheid erkennen.

Mijn gekozen waardering € -

Coöperatie van journalisten én lezers. Sinds 2009.