Na mijn middelbare schooltijd in het Gooi heb ik meerdere malen voor korte tijd in Suriname gewoond. Mijn moeder is een witte Surinamer, een Boeroe. Dit zijn mijn verhalen over werken, wonen en drinken in de voormalige kolonie van Nederland.

STEUN RO

Waar in Suriname we ook zijn, het lijkt alsof Jason altijd wel iemand kent. Altijd aan de praat met iemand als we uit de auto stappen. In het Surinaams natuurlijk. Waar ik weinig van versta, vooral tijdens de eerste paar weken dat ik er ben. Als hij in gesprek is, kijkt hij vaak lachend naar mij, wetende dat ik er niets van begrijp. Waar ik een bloedhekel aan heb. Daardoor voel ik me extra Nederlander, terwijl ik wel degelijk half Surinaams ben. Maar helaas: zelfs mijn moeders familie ziet me als ‘bakra’, een witte Nederlander. Mijn familie is ‘boeroe’. Surinamers van Nederlandse afkomst. Ze spreken Surinaams, voelen zich Surinaams en hebben een Surinaams accent. Ze zijn alleen zo wit als sneeuw. Zoals mijn moeder, al heeft zij ook het merendeel van haar leven in Nederland gewoond.

Ik ging in Laren naar de basisschool. Daar zei ik altijd dat ik geboren was in Suriname. Dat maakte mij interessant, dacht ik. Maar in het Gooi is een blanke Surinamer moeilijk uit te leggen. Mensen hebben geen idee wat dat is. Bij een Surinamer zien ze een zwarte man voor zich op de Albert Cuyp met drie plastic tassen vol fruit. Dat beeld klopt op zich ook wel. Mijn vader is zo wit als maar zijn kan. Zweedse voorouders, Duitse moeder en geboren in Amsterdam. Witter dan dat wordt het niet, of je moet een wandeltocht over de Veluwe in een ANWB-outfit gaan maken. Om vervolgens een saucijzenbroodje te halen bij de Hema en te klagen dat het te pittig is.

Voor Jason en mij is de dag begonnen. Eerst naar de stad om de pick-up te halen. Die hebben we later nodig voor de eieren. Rond 7 uur naar een verkavelingsproject. Zand van de ene naar de andere kant van het terrein verplaatsen en vrachtwagens opmeten. Rond de schafttijd (de lunch, maar in Suriname gebruiken ze nog termen van voor de oorlog) rijden Jason en ik naar een eettent, een warung, in de buurt. We halen standaard een djogo, een liter bier, met twee plastic bekers. De lunch is simpel: we kunnen kiezen uit bami en nasi. Beide lekker, beide prima.

Aan het einde van de middag gaan we met de truck naar Groningen, in het Saramacca-district. Een klein dorpje op een uur rijden van Paramaribo. Mijn familie heeft daar land waar ze koeien, varkens en – daar komen we voor – legkippen houden. Drieduizend stuks, voor de eierproductie. Die worden elke dag verzameld en in eiertrays gedaan. Van die grote, waar dertig eieren in passen. Die trays laden we in de truck en daarmee rijden we weer richting de stad. Eenmaal terug in Paramaribo gaan we langs alle Chinese winkels (wie er ooit in Suriname is geweest weet hoeveel dat er zijn. Elke straat heeft er ongeveer 36). Daar proberen we als huis-aan-huisverkopers zoveel mogelijk eieren te slijten. Dat doen we overigens absoluut niet nuchter. We stoppen veel, drinken veel, praten veel met al zijn kennissen rond de stad. Het is nauwelijks werk te noemen. Jason heeft al snel door dat zijn nieuwe witte slaaf de verkoop prima alleen aankan. Bij de volgende Chinees blijft hij in de auto en ga ik onderhandelen over eieren met een Chinees in het Surinaams. Dat gaat ongeveer zo:

Ik: ‘Wani bai eksi?’ (Wil je eieren kopen?)

Ik: ‘Bigiwan!’ (Grote!)

Daar houdt mijn Surinaams op. En zoals je zelf wel kan invullen, mijn onderhandelingscarrière ook. Alle overgebleven eieren brengen we terug naar het tankstation van mijn oom, onze opslag. Die moeten de volgende dag alsnog verkocht worden voordat we weer naar Saramacca kunnen rijden voor een nieuwe lading, en de dag opnieuw begint. Naast de eieren ophalen en verkopen, bestaan onze werkzaamheden vooral uit door Suriname rijden. Zo leer ik wel veel van het land kennen. Het bewoonde gedeelte dan, wat in feite alleen de noordkust is. Verder bestaat het land voor 95 procent uit jungle of ‘bos’, zoals ze hier zeggen.

Weekend

Tijdens een vrijdagavond flink borrelen met een van zijn vrienden die niet het grootste licht is, besluiten we naar buurland Guyana te gaan. Zo’n vijf uur rijden over een onverlichte en onverharde weg, door de jungle, in een oude Isuzu. Zoals je hoort, nu al een uitstekend idee. Om de moed erin te houden, stoppen we onderweg bij elke warung of supermarkt die bier verkoopt. Waarom we uitgerekend naar Guyana moeten, weet ik niet. Grote kans dat Jason een meisje kent dat helemaal daar woont en dit het perfecte excuus is om haar op te zoeken. Met Kapitein Hersens voorin en ik op de achterbank.

De volgende dag word ik achterin de auto wakker. Het is laat in de ochtend. Ik kan zien dat we zijn gestopt bij een supermarktje. Jason en zijn compagnon drinken een djogo met een groep onbekende jongens. Met mijn slaperige alcoholhoofd ziet het er allemaal vriendelijk uit. Op dit soort momenten voel ik me altijd een buitenbeentje. Ze spreken natuurlijk Surinaams met elkaar, iets wat Jason zoals altijd bewust doet zodat ik niet alles kan verstaan. Ik besluit nog even in de auto te wachten. Tot de nadorst – van het slapen in een auto, bij een temperatuur van 35 graden, na een nacht bier drinken – me te veel wordt. Dat duurt ongeveer zeven seconden. Ik sta op het punt uit de auto te stappen en me bij de groep te voegen, als een van de jongens wegloopt, een steen van de grond raapt en die naar het hoofd van Kapitein Hersens gooit. Er ontstaat een vechtpartij.

Dit alles gebeurt in de vijftien seconden dat ik wakker ben. Ik ben met stomheid geslagen. Daarna bedenk ik dat ik wel wat zal moeten doen. Niet alleen omdat het vier tegen twee is, met Jason en zijn makker in het nadeel, maar ook omdat de gedachte om alleen over te blijven in een of ander grensdorpje bij Guyana me geen goed gevoel geeft. Ik besluit dat ik maar mee moet vechten. Zover komt het gelukkig niet. Het beeld van een halfnaakte, verwilderde en langharige blonde jongen die opeens uit de truck springt, wekt zoveel verbazing dan iedereen direct stopt met wat ze aan het doen zijn. Een tweede groep mannen, de dorpsoudsten denk ik, haalt de jongens uit elkaar. Jasons vriend heeft een gat in zijn hoofd na de steenworp en is flink aan het bloeden. Er wordt ons verteld dat er een dokter verderop in het dorp woont en het best verstandig is om daar eens heen te gaan.

Het is een kleine praktijk in het nog kleinere dorpje. De arts is een aardige man en komt over als iemand die wel vaker dronken en bebloede Surinamers moet helpen. Hij heeft een werkwijze die ze volgens mij niet op de doktersopleiding leren. Eerst gaat hij ‘zorgen dat we niet meer zo dronken zijn’ – al een bijzondere opmerking. Zijn manier: een doek in ammoniak dopen en die met zijn volle gewicht op iemands neus en mond drukken. Geloof me, dat wil je niet. Tegenstribbelen doe je wel, als een kat die in bad moet. Het idee erachter, denk ik, is dat je daardoor zo veel adrenaline aanmaakt dat de dronkenschap vermindert. Hoe dan ook, het werkt. Hoe het zit met verzekeringen in Suriname weet ik niet, maar er worden geen pasjes uitgewisseld of namen en geboortedata opgegeven. Domme Harry krijgt hechtingen na de ammoniakaanval en daarna kunnen we weer gaan. Ik word verder met rust gelaten. Ik denk dat ook deze dokter geen parelwitte jongen had verwacht aan deze kant van Suriname.

Een van de dorpsoudsten nodigt ons thuis uit om met zijn gezin te eten. Dat zegt wel wat over de gastvrijheid van deze mensen. Ik moet het nog zien gebeuren dat er twee kakkers in een gevecht raken op de Tilburgse kermis, ze door iemand naar een dokter worden gereden en vervolgens worden uitgenodigd voor het avondeten. Jason, Vlugge Japie en ik krijgen bruine bonen met kip en een biertje. Die avond – acht liter bier en 104 sigaretten verder – komen we weer aan in Paramaribo. Mijn oom is absoluut niet blij dat we zonder iets te zeggen naar Guyana zijn gereden. Blijkbaar is die weg door het bos niet de veiligste en mogen we blij zijn dat we niet zijn doodgeschoten. Hoe halen we het überhaupt in ons hoofd om daar met die oude eierenmobiel naartoe te gaan en waarom ruiken we eigenlijk naar ammoniak? De weekenden met Jason zien er vaak zo uit. We rijden niet elke vrijdagavond naar Guyana om met een groep wildvreemden te vechten, maar we zijn altijd op avontuur. Met de Zuid-Amerikaanse jungle als decor, wat het nog extra avontuurlijk maakt. Meestal gaat het goed, zo ook nu. Behalve voor de lopende kennisbom. Hij kwam thuis met hechtingen.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -
    Naast verhalen over Suriname ook scenario's en short stories.