Op 22 augustus 1986 wordt mevrouw Kolstee-Sluiter in ouderencomplex Duivenvoorde in Leidschendam vermoord. Bejaardenverzorgster Ina Post – toen 30 jaar – wordt ervoor veroordeeld. Een gerechtelijke dwaling, dat staat inmiddels vast. Hoe heeft het zover kunnen komen en waarom wordt er niets gedaan om de echte dader op te pakken? In het boek De negende vrouw beschrijft een oud-rechercheur de zaak vanuit het perspectief van de politie. Een onthutsend relaas.

“Het verhoor schoot helemaal niet op. Tot ik begon over haar geloof en het tuindersbedrijf van haar ouders. Ik zei: je hebt toch eerlijke ouders? Blijkbaar raakte ik een gevoelige snaar want ze zakte als een plumpudding in elkaar en legde een bekentenis af.” In een televisieprogramma vertelde rechercheur Bert Pestman in geuren en kleuren hoe hij jaren eerder bejaardenverzorgster Ina Post tot een bekentenis had gebracht voor de moord op mevrouw Kolstee-Sluiter (89) Leidschendam, op 22 augustus 1986. Ina Post kwam als verdachte in beeld omdat haar handschrift in de verte overeenkomsten vertoonde met vals opgemaakte cheques van het slachtoffer. Een onbekend persoon had geprobeerd die enkele dagen na de moord te innen. De gemakkelijk te beïnvloeden Ina werd verhoord en legde een zogenaamde bekentenis af.

Politiehumor

Het boek van oud-rechercheur Gerard Olinga is in romanvorm geschreven. De namen en de woonplaats zijn veranderd, maar het is duidelijk gebaseerd op het dossier. Ina Post kreeg de naam Christien Wolters en het slachtoffer ‘mevrouw Froma’. Blomberg (in werkelijkheid rechercheur Bert Pestman) had tegen Hakkenberg gezegd dat hij met Christien Wolters wilde beginnen. Zij had, enkele uren voor de dood van mevrouw Froma, nog bij haar gewerkt. De zongebruinde huid van Christien Wolters kan niet verhullen dat ze rode vlekken in en rondom haar hals heeft. Ze stikt van de zenuwen, denkt Hakkenberg. Ze is duidelijk niet op haar gemak. “Hebben jullie goed nieuws?” vraagt ze, direct nadat Walhout en Biek tegenover haar zijn gaan zitten. “Ja, de officier gelooft je niet. Je krijgt er twee dagen bij,” grijnst Biek.

“Is dat politiehumor?”

“Dat is goed nieuws toch? Het is toch verheugend nieuws dat hij een moordenares niet op vrije voeten stelt? En wat zijn nu twee dagen, Christien. Jij moet vanaf nu niet meer in dagen gaan denken, maar in jaren!”

Zij ruikt de smerige adem van Biek die, voorovergebogen over de tafel, met zijn gezicht in haar comfortzone komt. Ze krimpt ineen wanneer hij met twee vuisten op het tafelblad slaat. “Welke kleren droeg jij die zaterdag, Christien?” vraagt Walhout.

“Welke zaterdag?”

“De zaterdag nadat je mevrouw Froma hebt vermoord.”

“Ik heb haar niet vermoord.”

“Je LIEGT. Welke kleren droeg je op die zaterdag?”

“Weet u nog wat u op die dag droeg?”

“Wij stellen hier de vragen. Nog een keer, stomme trut: welke kleren droeg jij die zaterdag?”

“Dat weet ik niet meer, ik denk een joggingbroek, iets gemakkelijks.”

“Weet je dat zeker?”

Nee, dat weet ik niet zeker.”

‘Waarom wist je dan wel direct wat je op die vrijdag droeg,” zegt Biek.

“In de dagen daarna werd ik verhoord, als eerste van mijn collega’s, daarna werden er van mij vingerafdrukken afgenomen, ik moest een schrijfproef doen, ik moest mee naar het huis van

mevrouw Froma. Ik kreeg het idee dat jullie mij moesten hebben, dat ik voortdurend door jullie in de gaten werd gehouden. Toen ging ik nadenken over wat ik die vrijdag had gedragen. En toen wist ik het: ik droeg die vrijdag het gele mantelpakje.”

Dit artikel lees je gratis. Als het bevalt kun je onderaan een kleine bijdrage doen, zodat ik dit soort artikelen kan blijven schrijven

“Laat me niet lachen,” zegt Biek, “schijnheilige trut. Jouw verhaal klopt niet met dat van onze collega. Het is één tegen één. En weet je wat zo jammer voor je is, Christien? Onze collega, de enige getuige, geldt in dit geval – jammer voor jou – voor twee getuigen, omdat ze politieagent is. Zij heeft in haar proces-verbaal precies opgeschreven hoe het gegaan is. Ik zal je eens een heel klein stukje uit dat verbaal voorlezen, moet je luisteren: ‘Zonder dat ik ernaar had gevraagd, gaf verdachte Christien Wolters een geelkleurig mantelpakje aan mij af, zeggende dat zij dat pakje op die bewuste dag ook bij mevrouw Froma aanhad; dat zullen jullie wel willen hebben.’”

“Zo is het niet gegaan,” schreeuwt Christien.

Biek gaat onverdroten verder. “En als jij beweert, Christien, dat jij met dat pakje je onschuld wilde aantonen, dan is het gebeurd zoals onze collega dat beschrijft. Dat is een logisch verhaal, een verhaal dat klopt met wat jij voor ogen had. Jij wilde ons maar al te graag doen geloven dat je dat pakje op die vrijdag droeg. Jouw verhaal is onlogisch, Christien. Jouw kast puilde uit van kleding. Waarom zou onze collega dan gevraagd hebben of je dat pakje had gedragen? Het was misschien een kansje van één op honderd. Gelul is het. GELUL! Dat zullen de rechters straks ook vinden. Die zullen straks ook denken: die mevrouw Wolters kletst maar wat, die mevrouw speldt ons maar wat op de mouw, die mevrouw heeft vast wat te verbergen, de kleding die zij op vrijdag 22 augustus 1986 om half zeven in de avond droeg! En die rechters zullen in hun mening worden gesterkt, Christien, omdat er straks op jouw mantelpakje niets zal worden gevonden, in elk geval geen spoortje van die arme mevrouw Froma die jij om zeep hebt gebracht. De rechters zullen straks, net als wij nu, tot de conclusie komen dat jij daarover hebt gelogen, dat je de werkelijke kleding hebt verdonkeremaand, dat je voortdurend liegt, dat jij niet voor de waarheid uitkomt. Jij zit vast, maar je moet heus niet denken dat jij de enige bent die wordt verhoord.”

Er is wat onduidelijkheid over de zaterdagmorgen, wat Ina toen precies heeft gedaan en hoe laat. Ze heeft haar man (‘Freek’)  met de auto naar zijn werk gebracht. Hij heeft een iets ander tijdstip genoemd. “Ik heb Freek die morgen met mijn auto naar zijn werk gebracht,” zegt ze, minuten later. “Tegen een uur of tien, denk ik. Ik weet het tijdstip niet meer zo zeker.”

“Je liegt! Jij denkt dat je hem voor tienen al hebt weggebracht, stuk onderkruipsel. Denk je dat je met ons een spelletje kunt spelen? Ruik jij dat nu ook, collega?”

“Ja, ik ruik het ook,” zegt Walhout.

“Ik ruik zweet,” zegt Biek. Je stinkt! Je stinkt naar angstzweet! Dat krijg je er nou van als je blijft liegen.”

“Laat me met rust,” schreeuwt Christien, “laat me met rust, alsjeblieft. Ik weet het gewoon niet meer. Ik weet niets meer. Ik lieg niet. Ik heb niks voor jullie te verbergen. Ik heb niks gedaan. Ik wil terug naar mijn cel.”

Ze schuift haar stoel naar achteren. Ze wil opstaan. Ze is de beledigingen beu.

“Zitten blijven, jij. Wij zijn nog maar net begonnen. Het wordt nog veel beroerder voor je,” zegt Biek.

Hij wacht even voordat hij verder gaat. Hij ziet in haar ogen niet alleen angst, ook wanhoop. Hij laat zijn schreeuwerige stem achter zich. Hij buigt zich over de tafel, en zegt op een bijna fluisterende toon: “Freek heeft ons iets anders verteld, Christien.”

Ze durft niet te vragen wat Freek heeft verteld.

“Aan die man van je hébben we gelukkig iets. Dat heeft ook even geduurd, maar nu ziet hij ook wel in wat voor een achterbaks gemeen kreng jij bent. Hij heeft eieren voor zijn geld gekozen, Christien. Hij is eerlijk tegen ons geweest. Hij heeft verteld hoe laat hij door jou is weggebracht. Hij laat je in de stront zakken, Christien. Hij wil helemaal niks meer met je te maken hebben.”

Christien begint eerst aan haar haren te trekken. Daarna is haar gegil overal in het gebouw te horen. Ze legt haar armen op tafel. Ze legt haar hoofd erop, en begint te huilen.

“Huil maar,” zegt Walhout, “het zal ook wel niet meevallen.”

DE NEGENDE VROUW

Er is in de loop van het onderzoek naar de moord al vrij snel een naam van een andere verdachte naar boven gekomen, maar daar heeft de politie weinig mee gedaan omdat Ina Post al was aangehouden. Na haar vrijlating is het er ook niet meer van gekomen. De politie had weinig animo de zaak alsnog op te pakken. In het boek wordt de mogelijke echte moordenares ‘de negende vrouw’ genoemd. Het gaat om een bejaardenverzorgster die in het boek Jannie Papeleur wordt genoemd. Zij is de enige van de organisatie waarvoor Ina Post werkte die zowel voor mevrouw Kolstee als voor een andere bejaarde (‘Albertje Noordhof’) had gewerkt. In het boek zegt een rechercheur: “Jannie Papeleur zat niet bij de acht bejaardenverzorgsters die wij inmiddels hadden verhoord, waarvan wij de vingerafdrukken hadden afgenomen, die alle acht hadden meegewerkt aan het maken van een schrijfproef, van wie we de alibi’s hadden nagetrokken – en die alle acht voor mevrouw Froma hadden gewerkt. We hadden er eentje over het hoofd gezien: Jannie Papeleur, de negende vrouw. Ik wist dit al toen ik op dinsdag 16 september te horen kreeg dat ik het team moest verlaten. U neemt me misschien kwalijk dat ik toen niets heb gezegd. Ik heb dat wel overwogen. De trein was niet meer te stoppen, de trojka was te sterk, de verhoudingen waren te verziekt, er was geen onderling vertrouwen meer en ik was ervan overtuigd dat Van Overbosch, Drok en Blomberg bang waren voor gezichtsverlies.”

DE ‘BEKENTENIS’

Dat het verhoor van Ina Post uitzonderlijk hard is geweest, staat vast. Tegen een van de betrokken rechercheurs waren in één jaar tijd vier klachten ingediend. Ina Post heeft zes jaar in de gevangenis gezeten. In oktober 2010 is Ina, na een herzieningsprocedure, vrijgesproken. Ze was veroordeeld op een ‘bekentenis’ die ze in wanhoop had afgelegd en die maar gedeeltelijk klopte met de feiten, en die ze meteen daarna introk. “Op een gegeven moment ging mevrouw Kolstee naar het toilet. Ik zat in geldnood, alle girorekeningen stonden rood. Op dat moment kwam bij mij de ingeving op om geld weg te nemen bij mevrouw Kolstee. Het was mij bekend dat mevrouw Kolstee haar geld en papieren bewaarde in het kastje dat met de rug tegen de muur stond, die aan de keuken grensde. Op dat moment, dat ik dat kastje opende, kwam mevrouw Kolstee plotseling de woonkamer in. Ik hoorde haar tegen mij zeggen: Dat mag niet”. Ik schrok hevig en gaf in een reflexbeweging mevrouw Kolstee een duw. Ik zag dat zij op de grond viel.”

Daarna vertelde ze hoe ze het slachtoffer wurgde met een stuk elektriciteitssnoer. Ina was dagenlang achter elkaar drie keer per dag verhoord, ze was het besef van tijd helemaal kwijt. “Het enige wat ze deden was schelden. Ze scholden mij uit voor alles wat mooi en lelijk was. Ze zeiden dat mijn familie niets meer met me te maken wilde hebben, dat ik mijn honden bont en blauw sloeg en andere dingen beneden alle fatsoensnormen. Ik was verward, het was allemaal zo onlogisch en ik wilde mijn man zien. Ik wilde dat ze ophielden met zeuren, ik wilde dat er iemand bij me was die van me hield, die lief was en niet tegen me schreeuwde en vloekte. Ze zeiden dat ze zouden proberen dat ik mijn man mocht zien en toen heb ik die bekentenis afgelegd.”

In vrijwel alle zaken met valse bekentenissen wordt het proces-verbaal aangepast als blijkt dat de feiten niet kloppen. Zo hadden Ina en haar man helemaal geen geldgebrek: op één rekening stonden ze even rood. Ina wist niet dat er cheques waren verdwenen en vervalst, die informatie gaven de rechercheurs haar. De volgende dag trok ze haar bekentenis in, maar terugdraaien kon niet. Op de rechtszitting, op 25 november 1986, was Ina wanhopig. “Waarom kunnen mensen wel begrijpen dat ik een moord heb gepleegd, maar niet dat ik onder grote geestelijke druk een valse bekentenis heb afgelegd?” zei ze.

Het boek De negende vrouw is geschreven Gerard Olinga en uitgegeven bij  JustPublishers.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -