Geld overmaken naar Iran is praktisch onmogelijk vanuit Nederland. Nederlandse banken staan dit niet toe. Een handelwijze die vooral de 50.000 Iraanse ingezetenen in Nederland benadeelt. Bovendien moeten zij zich verantwoorden bij de kleinste verdenking van financieel contact met het moederland, en mogen zij soms geen zakelijke rekening openen. Is het optreden van de Nederlandse banken wettig? In ieder geval niet naar de geest. Zijn de gedupeerden dan collateral damage in een sanctieregime dat moet leiden tot een fatsoenlijker bewind in Teheran? Daar ziet het vooralsnog helemaal niet naar uit. De gedupeerden lijken vooral slachtoffer te zijn van zakelijke belangen, symboolpolitiek en – dat vooral – een tandeloze EU.

STEUN RO

Een wat merkwaardig maar eenvoudig op te lossen akkefietje. Waarschijnlijk een soort misverstand. Dat was het eerste wat Farzaneh dacht nadat ze een brief van ING had ontvangen. Ze had net 500 euro overgemaakt naar haar zuster in Duitsland. Kort daarop kwam het bericht van haar bank: transactie geblokkeerd, vriendelijk verzoek een paar vragen te beantwoorden.

Zoals: waarom stond het woord ‘Iran’ in de omschrijving? Waar was het geld voor bedoeld? En had mevrouw direct of indirect bemoeienis met ‘Iraanse partijen’?

Farzaneh, een in Noord-Holland wonende sociaal werker van Iraanse afkomst, had het geld overgemaakt om bij te dragen in de aanschafkosten van een tweedehands zuurstofapparaat voor een derde zuster, die in Teheran woont en aan een ernstige longziekte lijdt. Het toestel dat die zuster nu had deed het niet goed meer, en ze kon geen nieuwe betalen. Bovendien werkte het niet op batterijen. Aangezien de stroom in Teheran steeds vaker uitvalt, kon dat levensbedreigend zijn. Ook was het apparaat niet draagbaar, waardoor de gebruikster aan huis was gekluisterd. Het exemplaar dat de zuster in Duitsland had gevonden, was dat wel, dankzij die batterijfunctie.

Farzaneh liet ING weten dat het geld bedoeld was voor de aankoop van een medisch apparaat, te versturen naar familie in Teheran. Ze ging ervanuit dat die verklaring volstond. Wat de andere vragen betrof: de vermelding van de naam ‘Iran’ was om duidelijkheid te scheppen voor de boekhouder die haar administratie bijhield. Bemoeienis met Iraanse partijen? Nou, nee.

Mailtje verstuurd, zaak opgehelderd. Dacht ze.

Niet dus. ING ontpopte zich tot een rupsje-nooit-genoeg. Althans volgens Farzaneh. Er volgden tal van e-mails met verzoeken om steeds gedetailleerdere, steeds persoonlijkere informatie.

Wat voor bedrijf had mevrouw?

Ze legde uit dat ze een zzp’er was die sociaal werk verrichtte. Ze regelde PGB-hulp voor Perzisch sprekenden. Daarvoor huurde de gemeente haar in.

Aha. Maar waarom waren al haar klanten Perzisch sprekenden?

Nou, omdat ze dat zelf was. Dat was handig voor die klanten.

Goed, maar waarom betaalde de Sociale Verzekeringsbank haar uit? Wat voor ‘tegenprestatie’ leverde ze?

Simpel: als het om PGB gaat, ontvangen zorgverleners hun honorarium van de Sociale Verzekeringsbank.

Was zij dan ook in staat ‘bewijsstukken’ te overleggen? Kon ze inzage geven in haar bedrijfsvoering?

Beetje bezwaarlijk, antwoordde Farzaneh, want dan kreeg de bank ook privégegevens van cliënten te zien, en dat leek haar niet correct.

Maar als mevrouw een eigen bedrijf had, waarom beschikte ze dan niet over een zakelijke rekening?

Omdat een ING-medewerker haar zelf had gezegd dat dit voor zzp’ers niet nodig was.

Het was de bank inmiddels ook opgevallen dat ze met enige regelmaat kleine bedragen overmaakte naar mensen met Iraanse namen in Nederland. Hoe zat dat?

Farzaneh en haar man, legde ze uit, zijn in hun Noord-Hollandse woonplaats actief in een Perzische christelijke huisgemeente. Die bedragen waren kleine tegemoetkomingen in de reiskosten voor leden die wat ver weg wonen. Kortom: christelijke liefdadigheid.

Enzovoorts, enzovoorts. De informatiehonger van de bank drong de levensbedreigende omstandigheden van haar zuster in Teheran geheel naar de achtergrond. En dus kwam onvermijdelijk het moment dat de sociaal werker haar zelfbeheersing verloor en huilend bij ING aan de telefoon hing: ‘Ik werd er verdrietig van. Ik ben een zorgverlener en ik probeer alles zo netjes mogelijk af te handelen. Ik voelde me als een crimineel behandeld.’

De ING-medewerker reageerde meelevend, zoals ING in de hele correspondentie een hoffelijke toon handhaafde. Zwaarwegender was echter dat de bank volgens Farzaneh naliet de kwestie op een bevredigende manier af te ronden. De stroom e-mails stopte op zeker moment, en dat was het. Toen Farzaneh na een maand of twee nog eens contact opnam om te vragen of alles nu in orde was, luidde het opmerkelijke antwoord: ‘Op dit moment wel.’

Ondertussen zijn die 500 euro nooit bij de zuster in Duitsland aangekomen. Een tweede poging, nu zonder vermelding van Iran in de omschrijving van de transactie, werd opnieuw geblokkeerd. Het nieuwe apparaat kost in totaal 1200 euro, de zuster in Duitsland kan dat bedrag niet in haar eentje ophoesten, en dus is er ook geen verandering gekomen in de benarde situatie van de zuster in Teheran.

Het verhaal van Farzaneh is moeilijk te verifiëren. Maar wat voor reden zou ze hebben om niet de waarheid te vertellen? Iraniërs in Nederland zijn mediaschuw. Farzaneh, die in 2002 als politiek vluchteling naar Nederland kwam, wil niet dat haar achternaam wordt vermeld, en dat geldt voor de meeste Iraniërs met wie contact is geweest in verband met dit verhaal. Velen aarzelen om met hun ervaringen over de brug komen, sommigen trekken zich terug. De reden is dat ze niet op de radar van het bewind waarvoor ze ooit vluchtten willen verschijnen. Zelfs niet als wat ze te zeggen hebben niet bezwarend is voor dat bewind. En ook is er, na hun ervaringen met een repressieve Iraanse overheid, sprake van een zekere angst voor machtige instanties.

Een antwoord van ING op vragen – niet over het specifieke geval van Farzaneh, maar wel over dit soort praktijken – blijft na een volle werkweek uit, ondanks de toezegging dat het binnen die termijn zou komen.

Het gaat echter niet alleen om ING. Geen enkele grootbank in Nederland staat geldverkeer met Iran toe, of slechts zeer mondjesmaat. Dit betekent dat het voor de pakweg 50.000 ingezetenen van Iraanse afkomst in Nederland onmogelijk is om een veilige financiële relatie met familie of relaties in Iran te onderhouden.

Dat is tot daaraan toe: ook bij overboekingen die niets met hun land van herkomst te maken hebben, ondervinden Iraniërs hinder: kwestie van een algoritme bij de banken dat aanslaat zodra in een omschrijving een ‘verdacht’ woord opduikt.

De gevolgen zijn soms verstrekkend, zoals hierboven geschetst, en  soms wat subtieler. Zo vroeg Farid Sheek (27), een succesvolle muzikant die tien jaar geleden naar Nederland kwam, een zakelijke rekening aan bij ABN/AMRO. Na een week had hij nog geen antwoord. Toen hij belde, werd hem verzocht om op kantoor te komen. Waarvoor hij zo’n rekening nodig had, vroeg een medewerker hem. Voor zijn muzikantenbedrijf, zei Farid, de Kamer van Koophandel had hem dat aangeraden. Sorry, was het antwoord, wij doen niet aan zakelijke rekeningen voor Iraniërs.

En waarom niet? Vanwege de internationale sancties die al jaren tegen Iran van kracht zijn. Sancties die bestaan vanwege de slechte naam van het land op het gebied van mensenrechten, de steun aan allerlei terroristische of semi-terroristische entiteiten zoals de sjiitische beweging Hezbollah in Libanon, en de alliantie met Bashar al-Assad, de slager van Syrië.

Last but not least: Iran wordt er al jaren van verdacht kernwapens te willen maken.

Alle banken wijzen erop dat het zelfstandige ondernemingen zijn die zelf mogen bepalen met wie ze in zee gaan. Hun risk appetite – jargon voor risicobereidheid – ten aanzien van mensen die banden hebben met landen als Iran is relatief laag. Het is niet anders.

Dit is de standaarduitleg als er verhaal bij de banken wordt gehaald over hun gedrag jegens Iraniërs.

Ondertussen is er iets dat Farid niet snapt. ‘Mijn familie is juist gevlucht voor dit regime. Nu hebben uitgerekend wij te lijden van de politiek tegen datzelfde regime. Daarnaast: ik heb de Nederlandse nationaliteit, ik heb een werkvergunning, ik sta ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als muzikant. Mijn muziek is overwegend instrumentaal. Mijn motto is: muziek verbindt, politiek ontbindt. Ben ik dan een risico?’

Probeer het bij een andere bank, was het advies van ABN/AMRO, en inderdaad: bij ING (!) kon hij wel een zakelijke rekening openen. Sindsdien heeft hij geen problemen meer gekend. Het gevoel van ongelijke behandeling is echter gebleven. Voor hetzelfde geld had ING hem ook geweigerd. Dat valt op geen enkele manier te voorspellen. Voor de risk appetite bestaat geen betrouwbare graadmeter.

Nog een voorbeeld. Op een dag merkte Foozhan, een 24-jarige studente internationaal recht die ook al tien jaar in Nederland woont, dat haar rekening was geblokkeerd toen ze wilde pinnen. Ze ging naar een Rabobank-kantoor in Den Haag, maar daar kon niemand haar uitsluitsel geven. Bij een vestiging in Rotterdam die ze zonder afspraak binnenliep, wist een medewerker haar na lang wachten te vertellen dat het ging om een ‘onderzoek’. Vanwege wat? Vanwege het feit dat ze uit Iran kwam en er sancties golden tegen Iran, kreeg ze te horen.

‘Dat vond ik maar raar,’ zegt Foozhan, ‘ik ben een student, ik doe niks. Ik raak wel snel in de problemen als mijn bankrekening wordt geblokkeerd.’

Met andere woorden: wat is belangrijker? De risk appetite van een bank, of het financiële gevaar waaraan een vermoedelijk volstrekt onschadelijke studente als gevolg van die appetite wordt blootgesteld? Iedere volwassene in Nederland heeft een bankrekening nodig. Banken zijn dus niet zomaar ondernemingen, ze hebben ook maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Na twee weken kon Foozhan weer pinnen. Wat het onderzoek behelsde is haar nooit verteld. ‘Een jaar eerder ben ik op vakantie geweest in Iran. Ik heb me vaak afgevraagd of het daar iets mee te maken had. Anderzijds: ik heb daar mijn bankpas niet gebruikt, die werkt niet eens in Iran, dus hoe konden ze dan weten dat ik er was geweest?’

Een woordvoerder van de Rabobank zegt dat een rekening nooit zomaar wordt geblokkeerd. Hij wijst er verder op dat na klachten in 2017, die tot enige mediapubliciteit leidden, ‘de instructies zijn aangescherpt’, waardoor wat Foozhan zegt te hebben meegemaakt, niet meer had mogen voorkomen. Overigens stelt hij dat de Rabobank alleen zakelijk financieel verkeer met Iran zonder meer blokkeert.

Foozhans ervaringen lijken echter niet heel bijzonder. Neem Sohail Shirazi (44, niet zijn echte naam), die in 2002 aan een internationaal schermtoernooi in Oostenrijk deelnam en niet meer naar Iran terugkeerde. Hij maakte enkele jaren geleden 25 euro over naar een relatie in Nederland. ‘Die deed inderdaad zaken in Iran, maar ik vond het toch bizar hoe ik wekenlang hierover met vragen werd bestookt door de Rabobank. Om 25 euro. En ze vielen niet alleen mij lastig– ook mijn vrouw.’

Zuurder voor Sohail was dat zijn pogingen om met een Nederlandse en een Duitse compagnon medische middelen – vooral bloedtransfusiesystemen – naar Iran te exporteren, op niets uitdraaiden. ‘We hebben het tussen 2016 en 2019 geprobeerd, maar het was onmogelijk om geld uit Iran hiernaartoe overgemaakt te krijgen. ING werkte niet mee. We hadden omwegen via tussenpersonen in Dubai en Turkije kunnen proberen, maar het risico dat je dan wordt opgelicht of uitgekleed via dubieuze zwarte valutakoersen was simpelweg te groot. Dus gaven we het op. Het kostte ons 50.000 euro, want dat bedrag hadden we nodig om een Duitse BV op te richten. Daar komt bij dat als onze onderneming was gelukt, we misschien wel een jaaromzet van 400.00 euro hadden kunnen maken. Dat was in ieder geval onze raming. Dat is dus allemaal niet doorgegaan.’

Een laatste voorbeeld. We noemen de succesvolle en vrij bekende Iraans-Nederlandse ondernemer die we spreken ‘Reza Pavlavi’. Daar moet hij erg om lachen, want zo heette de laatste sjah van Perzië, na wiens val de familie van ‘onze’ Reza naar Nederland vluchtte. Hij was toen vier jaar oud. Pas een jaar of negen geleden keerde hij naar zijn geboorteland terug. Hij vatte het plan op om, laten we zeggen, er tapijten uit te importeren – het echte product kan ook maar beter niet worden genoemd, omdat het vrij bijzonder is en hij dus aan de hand daarvan kan worden geïdentificeerd.

Reza boekte een bestelling van 30.000 euro, maar kon zijn leverancier in Iran niet betalen toen het land in 2012 op initiatief van de Verenigde Staten uit de internationale bancaire berichtenservice SWIFT en het bijbehorende betalingssysteem target-2 werd gestoten. Dit noopte hem ertoe vrachtwagenchauffeurs uit Iran aan de Nederlandse grens een hoop cash voor de terugreis toe te stoppen, in ruil voor de tapijten. Voor de goede orde: in geen geval mocht de bank weten dat die tapijten uit Iran afkomstig waren. Ze kwamen uit een land in Europa.

Na verloop van tijd vroeg de bank Reza natuurlijk waarom hij zo vaak en zo veel contant geld opnam. Hij wist dat de héle waarheid opbiechten het einde van zijn handel betekende, en dus vertelde hij een hálve waarheid: dat hij de waar eerst aan de grens keurde, en als alles in orde was, het geld contant meegaf.  Uiteindelijk liet de bank hem weten dat het door wijzigingen in het compliance-beleid niet langer mogelijk was zo veel contant geld op te nemen. ‘Eerlijk gezegd denk ik dat sommige mensen bij de bank allang wisten hoe de vork in de steel zat, en al die tijd een oogje dichtknepen,’ aldus Reza. ‘Banken zijn ook hypocriet. Als kapitaalkrachtige klant vertegenwoordig ik een bepaalde waarde voor ze.’

Hij moest wel iets nieuws verzinnen om zaken met Iran te kunnen blijven doen, en bedacht een ingewikkeld systeem waarbij zijn bedrijf de factuur betaalde van een Duitse exporteur van landbouwwerktuigen naar Iran, en die exporteur weer zíjn factuur betaalde. De Iraanse importeur van landbouwwerktuigen keerde dan weer aan de Iraanse leverancier van tapijten het bedrag uit dat deze nog kreeg van Reza.

Deze methode kon niet anders dan gebrekkig werken omdat de transacties heel moeilijk te harmoniseren waren. En dus gaat Reza’s handel tegenwoordig onder meer door betaling in natura. Bijvoorbeeld met Rolexen. Wat dan weer kan leiden tot verwondering bij de bank over al die Rolexen die een importeur van tapijten inslaat.

Voor de meeste Iraniërs  is het zogeheten Hawala-bankieren de enige manier om toch geld over te maken naar hun moederland.  Het gaat om een informeel betalingssysteem dat in grote delen van het Midden-Oosten en Azië tamelijk gemeengoed is. Volgens Reza wordt het ook op grote schaal door Iraniërs in Nederland gepraktiseerd, zonder dat ze daar ruchtbaarheid aan geven. ‘Ze moeten wel. Het werkt als volgt: ik wil mijn oma in Iran honderd euro geven. Die geef ik dan aan jou, hier in Nederland, omdat jij als Hawaladar een contactpersoon hebt in Iran die jij kunt opdragen honderd euro aan mijn oma te geven. Te zijner tijd verreken jij dat bedrag weer met je contactpersoon. Het gaat meestal om kleine bedragen.’

Sommige Iraanse supermarkthouders in Nederland zijn Hawala-bankiers, maar hangen dat niet aan de grote klok omdat er rond deze praktijk een sfeer hangt van misbruik en criminaliteit. ‘Het biedt de meeste Iraniërs weinig verlichting omdat het een grijsgebied is,’ zegt Reza. ‘Het onttrekt zich aan het zicht van de fiscus, en is dus geen constructieve, duurzame oplossing.’

Feitelijk zijn de banken onrechtmatig bezig. Ze gaan in tegen het beleid van de EU, die handel met Iran aanmoedigt, uitgezonderd de partijen die op een Europese sanctielijst staan (en dat zijn er nog redelijk wat). Op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland staat uitgebreide informatie over handelsmogelijkheden met Iran. Die zijn er in de praktijk echter nauwelijks, omdat Nederlandse banken geen relaties willen met Iraanse banken.

De Nederlandse en Iraanse vlag wapperen hier fier zij aan zij, in werkelijkheid is de relatie zeer problematisch.

Handeldrijven met Iran staat de EU weer toe sinds de ondertekening op 14 juli 2015 van de Joint Comprehensive Plan of Action, ofwel de nucleaire deal tussen Iran enerzijds, en de VS, de overige vier vaste leden van de VN-Veiligheidsraad en de EU anderzijds. Krachtens dit akkoord staakt Iran zijn kernwapenprogramma in ruil voor een afbouw van sancties.

Het punt is dat de Verenigde Staten in 2018 uit de overeenkomst zijn gestapt, maar de EU niet. De VS hebben de sancties weer ingesteld, en op schending hiervan staan zware boetes. Niet alleen voor Amerikanen (‘primary sanctions’), maar opmerkelijk genoeg ook voor buitenlanders (‘secondary sanctions’).

Die laatste bepaling is juridisch uiterst omstreden, want hoezo heeft de Amerikaanse rechter iets te zeggen over het economisch beleid van niet-Amerikanen? Feitelijk heeft hij die rechtsmacht niet. De EU weigert de secondary sanctions dan ook te erkennen, sterker: conformering door Europeanen aan deze sancties is strafbaar op grond van het blocking statute, een stuk Europese wetgeving dat al van 1996 stamt, en sinds 2018 ook van toepassing is op het Amerikaanse sanctiebeleid jegens Iran (eerder gold dat al voor sancties tegen Libië en Cuba).

Van dat blocking statute trekken Nederlandse en andere Europese banken zich dus bijzonder weinig aan, hun zakelijke relatie met Uncle Sam is hun daarvoor te dierbaar. Uncle Sam kan het buitenlandse banken juridisch ook heel moeilijk maken als ze een Amerikaanse tak (‘nexus’) hebben. Blijft niettemin de vraag hoe de banken het Europese Blocking Statute zo eenvoudig kunnen ontduiken. Het antwoord is volgens de Nederlandse advocaat en sanctierechtdeskundige Yvo Amar dat het blocking statute in de praktijk een dode letter is. Om het nog onvriendelijker te stellen: een wassen neus.

‘Je kunt niemand dwingen om handel te drijven met Iran, en dat wordt ook als clausule bij dat blocking statute vermeld,’ zegt de jurist, die in 2017 door het toonaangevende online magazine WorldECR werd verkozen tot beste jonge advocaat ter wereld op het gebied van sanctierecht en exportcontrole. ‘Verder is het zo dat bedrijven uit eigen beweging kunnen verkiezen geen handel te drijven met Iran. Dus niet omdat de Amerikanen het zeggen, maar omdat het hun eigen beleid is. Als zij hadden gezegd: wij kunnen niet anders dan voldoen aan de Amerikaanse sancties, hadden zij strafbaar gehandeld. Als ze de zaken anders voorstellen, zijn ze ineens niet strafbaar. Het is dan wel opvallend, om niet te zeggen behoorlijk doorzichtig, dat banken tot deze zogenaamd vrijwillige beleidswijziging kwamen, onmiddellijk nadat Amerika in 2018 uit de nucleaire deal was gestapt. Na de totstandkoming van die deal in 2015 namen ING en Rabobank juist deel aan een Nederlandse handelsmissie naar Iran. Ik was daar zelf bij. Toen was er dus wel animo voor handel met Iran.’

Yvo Amar, specialist in sanctierecht.

Het blocking statute beschermt bedrijven ook onvoldoende tegen Amerikaanse represailles. ‘Stel dat de Amerikanen je geen boetes kunnen opleggen – dan kunnen ze je nog wel op een zwarte lijst zetten, dat wil zeggen: Amerikaanse bedrijven verbieden zaken met je te doen. Dat is volkomen legaal.’

Wat dan de bedoeling is van zo’n ineffectief instrument als het blocking statute? ‘Om een politiek signaal af te geven. Er zitten in principe wel grenzen aan hoe ver je kunt gaan met de omzeiling ervan. Zeker in 2018 had je in een gerechtelijke procedure kunnen aanvoeren dat de banken de facto gehoorzaamden aan de Amerikaanse secondary sanctions. Dan had je beslist wel een zaak gehad. Dat is niet gebeurd, en nu hebben de meeste bedrijven zich neergelegd bij de situatie.’

Wel was er volgens Amar in 2019 een andere zaak die weliswaar niets met Iran te maken heeft, maar toch een aardige analogie oplevert. Het betrof de bedrijven PAM en Exact, die lange tijd gezamenlijk miljoenen verdienden aan klanten uit Cuba. PAM leverde software van Exact aan Cubaanse staatsbedrijven. De samenwerking stopte nadat Exact in februari 2019 werd overgenomen door een Amerikaanse investeringsmaatschappij en dus een Amerikaans bedrijf werd.

PAM vocht de opzegging aan bij de Nederlandse rechter, en met succes. ‘En dat terwijl Exact als Amerikaans bedrijf moet voldoen aan primary sanctions, en het blocking statute alleen op secondary sanctions van toepassing is,’ aldus Amar. ‘Toch verwees de Nederlandse voorzieningenrechter in zijn vonnis expliciet naar het blocking statute. Dat kan in contractuele verhoudingen dus wel een rol spelen.’

Een interessante vraag aan de banken is of ze hun beleid jegens Iran zullen herzien indien de Verenigde Staten weer toetreden tot het nucleair akkoord. Het is een strikvraag, want als ze die bevestigend beantwoorden, blijkt daaruit dat ze zich wel degelijk door Uncle Sam laten leiden, en niet door eigen afwegingen. Ze houden zich echter op de vlakte: wie weet wat de toekomst brengt. Ze zeggen dus ook niet dat de Amerikaanse sanctiepolitiek geheel losstaat van hun eigen beleid.

Heeft het voor Iraniërs of mensen die zaken willen doen met Iran dan toch nog zin te procederen? Dat is twijfelachtig, al was het maar omdat particulieren niet opgewassen zijn tegen banken met hun budget en batterijen advocaten.

In Engeland – het probleem speelt niet alleen in Nederland – wordt in ieder geval een poging gedaan, zo valt te lezen op de website van het Londense advocatenkantoor Ronald Fletcher Baker LLP. Het stelt dat Metro Bank de rekeningen van Iraanse en Britse staatsburgers, en van Britse bedrijven met Iraanse leidinggevenden, zonder kennisgeving en/of uitleg heeft beperkt.  Tussen eind mei en begin september 2019 zouden er 17 gevallen zijn onderzocht waarbij eisers geen toegang hadden tot fondsen of bankdiensten. Geen klant bleek onrechtmatig te hebben gehandeld, niettemin bleven de rekeningen van veel eisers gesloten.

De advocate van Amerikaans-Perzische afkomst Rokhsareh Vahid, die als sanctie- en bankenspecialist bij Ronald Fletcher Baker werkt, zegt op de hoogte te zijn van meer dan vijftig andere gevallen waarbij Metro Bank de rekeningen van individuen en bedrijven die banden hebben met Iran, heeft beperkt en gesloten. ‘Ik heb,’ zo valt op de website van het advocatenkantoor te lezen, ‘met duizenden Iraniërs gesproken en maar al te vaak kon ik mijn tranen niet bedwingen. Van kankerpatiënten die moeite hebben om behandelingen te betalen, tot studenten die zich zorgen maken over de betaling van hun collegegeld, tot bedrijven die enorme kansen mislopen – stuk voor stuk onschuldige mensen die de gevolgen ondervinden van het plotselinge verlies van hun bankvoorzieningen vanwege hun Iraanse etniciteit of andere, al dan niet vermeende banden met Iran.’

Inmiddels telt de zaak 26 eisers, maar veel schot lijkt er nog niet in te zitten. Desgevraagd zegt Rokhsareh Vahid op dit moment ‘helaas’ geen enkel commentaar te kunnen geven. Wel hoopt ze binnenkort met een persbericht naar buiten te komen.

Aangezien Groot-Brittannië op 1 februari 2020 uit de Europese Unie is gestapt, is het twijfelachtig of het blocking statute van de EU een belangrijke rol zal spelen in de zaak tegen de Metro Bank, ook al noemt Rokhsareh Vahid die regel wel. Het is echter evenzeer de vraag hoe belangrijk dat is. De Metro Bank maakt zich volgens haar namelijk ook schuldig aan discriminatie op basis van ras, en van schending van het Britse recht op gelijke behandeling.

Ondertussen is er een interessante parallelle ontwikkeling gaande, zo betoogt Jasper Schnezler van RWV advocaten. ‘De laatste twee jaar heeft naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme veel meer aandacht gekregen. Met name vanwege de witwasschandalen waarbij ING en recentelijk ook ABN/AMRO betrokken waren, en waarvoor ze inmiddels honderden miljoenen euro’s boete hebben moeten betalen, zitten de toezichthouders en het OM er tegenwoordig veel feller op. En dit betekent weer dat banken hun klanten veel nauwlettender in de gaten houden, en een steeds strenger beleid voeren ten aanzien van wat zij high-risk countries noemen. Ze zijn ook verplicht tot cliëntonderzoek, zij het met ‘’gepaste zorgvuldigheid”. Zoiets heet customer due diligence.’

Dat maakt het dus nog lastiger om aan te tonen dat de Nederlandse banken naar het pijpen van de Amerikanen dansen. Anderzijds verwacht Schnezler dat de wijze waarop banken verdachte klanten behandelen, de komende jaren tot meer processen zal leiden. ‘Het is het afgelopen jaar dagelijks werk geworden voor ons: mensen beschermen tegen al te stringent klantenonderzoek door banken – dus onderzoek dat kan uitmonden in het onterecht opzeggen van rekeningen. Banken hebben tegenwoordig enorme KYC-afdelingen: Know Your Customer. Wij stellen daar inmiddels een KYB-team tegenover: Know Your Bank.’

Uiteindelijk draait het, wat Iran betreft, om de vraag of het doel de middelen heiligt. Het verhaal tot een strikt juridisch kader beperken is onbevredigend. Uiteindelijk gaat het hier om internationale politiek. Is er kans dat de sancties leiden tot een vriendelijker, democratischer, menslievender bewind in Teheran? Tot – toverwoord in Washington – regime change? Zo ja, dan zijn de problemen van de in dit artikel opgevoerde Iraniërs, en van de mensen voor wie de juriste van het Britse advocatenkantoor het opneemt, wellicht op te vatten als ‘collateral damage’. Er spelen grotere belangen: de val van de Islamitische Republiek. Eén Iraniër die ik spreek, en die nog niet zo lang geleden die republiek is ontvlucht, zegt zelfs het offer van geblokkeerd betalingsverkeer te willen brenger, als dit het einde van het moellah-regime dichterbij brengt.

Is daar met dit sanctiebeleid kans op? Op zijn minst twee deskundigen zeggen, apart van elkaar, heel ferm van niet. Toen de VS in 2018 uit de nucleaire deal stapten, presenteerde minister van Buitenlandse Zaken Mike Pompeo twaalf voorwaarden voor opschorting van de sancties. Aan geen van die eisen is tot op heden in de verste verten voldaan. En dat is ook niet vreemd, zo valt uit de woorden van Midden-Oostendeskundige Erwin van Veen van het Instituut Clingendael op te maken. ‘Tezamen kon je de punten van Pompeo opvatten als regime change. Maar de logica dat je regime change kunt bewerkstelligen door economische ellende te veroorzaken, is nogal gebrekkig. In ieder geval wat Iran betreft. Dit regime zit stevig in het zadel, het controleert alle machtsmiddelen, het drukt elk verzet keihard de kop in, er is geen oppositie van betekenis. Met name dat laatste is zwaarwegend. Stel dat het bewind uit elkaar valt: krijgen we dan zomaar een nieuw, mooier bewind, als een Deus Ex Machina? Chaos en geweld, zoals we in Irak hebben gezien, liggen meer voor de hand.’

Sancties vervullen vooral een symbolische functie, betoogt Van Veen. ‘Ze suggereren dat je een krachtige politiek voert. In werkelijkheid is het niet heel moeilijk sancties te ontduiken. Het sanctieregime tegen Iran is volgens mij het meest veelomvattende dat ooit aan een land is opgelegd. Als je alle economische sectoren een voor een afsluit, en ook nog eens overheidsinstellingen op de zwarte lijst zet – dat gaat ver. Dat druist in tegen de grondslagen van interstatelijk verkeer. De regel is: je kunt sancties opleggen, maar staten blijven wel met elkaar praten. Als gevolg van dit alles heeft de Iraanse economie forse klappen gekregen, maar op termijn zien we juist dat die zich herstelt. Dat komt ook omdat Iran veel minder afhankelijk is van olie en gas dan sommige Golfstaten, een veel diversere economie heeft. Terwijl het blokkeren van de olie- en gastoevoer toch de voornaamste Amerikaanse strategie is.’

De Iraans-Nederlandse historicus Peyman Jafari ziet economische sancties op dit niveau – waarbij niet alleen Iran maar ook landen die handel drijven met Iran sancties wordt opgelegd – als een vorm van oorlogvoering. En juist daarom werken ze averechts. ‘Iran kan de VS niet met gelijke munt terugbetalen. Het kan niet zelf sancties opleggen. Dus gaat het andere manieren zoeken om terug te slaan. Bijvoorbeeld door onrust te stoken in het Midden-Oosten, onder andere in Jemen en Irak. Dat maakt de Iraniërs in de ogen van de Westerse publieke opinie “agressief”. Sancties worden veel minder als daad van agressie gezien. Hoe dan ook is het streven van de Amerikanen om de Iraniërs een toontje lager te laten zingen in het Midden-Oosten totaal niet verwezenlijkt.’

De Iraans-Nederlandse historicus Peyman Jafari. Foto Lambert Meertens

Daarnaast begint het Amerikaanse sanctiewapen volgens Jafari behoorlijk bot te worden. ‘Iran heeft geleerd van twintig jaar sancties. Ze jagen het land op kosten, dat wel, maar het heeft ook zijpaden gevonden, en een zogeheten verzetseconomie op poten weten te zetten, geholpen door de relatieve diversiteit van de economie. Iran is steeds meer goederen zelf gaan maken. Daarnaast hebben de sancties de elementen in het bewind versterkt die je juist weg wil hebben. Zoals de Revolutionaire Garde, die de grenzen controleert. Grenzen zijn zeer belangrijk voor het beheer van die eerder genoemde zijpaden. Daarnaast zijn corrupte elites het best toegerust om te profiteren van een informele economie die door sancties ontstaat.’

Zou de EU dan niet meer kunnen doen om de door haar beoogde, gematigder koers door te drukken? Weer zijn de deskundigen het eens: ja. ‘Ik denk dat het voor het Europese politieke leiderschap heel lastig is om de banken mee te krijgen, maar het had feller afstand kunnen nemen van – en meer bescherming kunnen bieden tegen – die secondary sanctions,’ zegt Yvo Amar. ‘Het beboeten van Europese bedrijven is de afgelopen tien jaar een soort verdienmodel geworden. Andersom heeft Europa dat nooit bij de VS gedaan. Dat mag best wat agressiever. Europa is geneigd zichzelf als kleine speler te zien op dit vlak, terwijl het dat helemaal niet is. Volgens mij zijn wij een belangrijker afzetmarkt voor China dan de VS. Dus als de EU zelf ook met secondary sanctions komt om de Amerikanen in het gareel te houden, zou dat over de hele linie effect kunnen hebben.’

Erwin van Veen vult aan: ‘Over de private sector heeft de EU weinig te zeggen, maar er zijn genoeg overheidsinstanties, zoals staatsbanken in bijvoorbeeld Frankrijk en Duitsland, of publieke kanalen waarmee, bijvoorbeeld, Iraanse olie had kunnen worden gekocht. Bedenk dat Europese overheden niet gevoelig zijn voor het Amerikaanse sanctieapparaat, aangezien ze niet op de Amerikaanse markt opereren. De politieke wil ontbreekt echter, en dat heeft natuurlijk ook te maken met de reputatie van Iran. Ook al sta je een andere politiek voor, Iran is niet echt een ruzie met de Amerikanen waard.’

De nieuwe wind die sinds de verkiezing van Joe Biden vanuit Washington waait zal waarschijnlijk wel tot gevolg hebben dat de nucleaire deal nieuw leven wordt ingeblazen –  ook al waait er sinds de Iraanse presidentsverkiezingen op 18 juni een nóg guurdere wind uit Teheran. Ook het conservatieve presidentschap dat Iran sinds deze verkiezingen kent, heeft baat bij zo’n overeenkomst. Maar of dat op korte termijn tot een verbetering van het geldverkeer zal leiden? Dat zit er niet erg in. ‘Er moeten bankrelaties worden opgebouwd, en dat kost tijd,’ zegt Amar, ‘Europese banken moeten van de Europese Centrale Bank aan allerlei compliance-regelgeving voldoen, bepaalde reserves aanhouden, en dan moeten Iraanse banken die ook hebben. Probleem is dat Iran gewoon een arm land is. Dus is het zeer de vraag of die banken die reserves kunnen aanleggen.’

Voor je het weet is het dan alweer vier jaar later, en is Trump of een Trump-achtige opnieuw aan de macht, en geldt dan weer alleen de macht van de dollar, nog altijd het dominante internationale betaalmiddel. ‘De dollar’, analyseert zakenman ‘Reza Pavlavi’, ‘is een enorme monetaire olieplas. Zonder bodem, welteverstaan. Iedereen wil dollars, en de Amerikanen hebben ze. Als ze even wat tekort komen, drukken ze gewoon wat bij.’

Toch denkt Amar dat de VS hun hand kunnen overspelen. ‘De macht van de dollar valt niet eindeloos uit te rekken. China, waartegen de VS ook sancties hebben lopen, heeft sinds kort eveneens een soort blocking statute. Daar heeft het nog niets mee gedaan, maar als het dat wel doet, kan het interessant worden. Het kan bedrijven van handel uitsluiten als die gehoorzamen aan Amerikaanse sancties tegen China. En dan zal het misschien lastig kiezen zijn tussen twee wereldmachten die zo zoetjes aan behoorlijk aan elkaar gewaagd zijn.’

De Chinese minister van Buitenlandse Zaken Wang Yi (links) en zijn Iraanse collega Mohammad Javad Zarif geven elkaar een elleboogje nadat ze een overeenkomst voor een 25-jarig strategisch samenwerkingsprogramma hebben beklonken. Foto Tasnim News Agency

Dan heeft Iran misschien de toekomst aan zijn zijde. Want het heeft twee maanden geleden met China een samenwerkingsovereenkomst voor de komende 25 jaar getekend, waarbij China 400 miljard dollar zal investeren in Iraanse havens, spoorwegen, zorg en telecommunicatie, in ruil voor goedkope Iraanse olie.

Of dit de zuster van Farzaneh sneller aan een beter zuurstofapparaat zal helpen, is hoogstwaarschijnlijk te veel gehoopt. Zij blijft het slachtoffer van een overijverige Nederlandse bank. En van Amerikaanse en Europese symboolpolitiek waaraan weinigen geloof hechten, waaraan velen zich ergeren, maar waaraan niemand paal en perk kan of wil stellen. Het is een typisch geval van hoe gewone burgers op onnavolgbare wijze door internationale politiek worden gemangeld, zonder enige aanwijzing dat dit tot een betere, veiligere wereld zal leiden.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -
    Carl Stellweg is geboren in Beiroet en groeide op in Libanon, Egypte en Syrië. Als buitenlandverslaggever van het AD reisde hij het hele Grote Midden-Oosten af, en schreef hij honderden reportages, interviews, analyses en achtergronden. Sinds 2009 is hij freelancer. Hij publiceerde een roman en is medeoprichter van Het Grote Midden Oosten Platform.