In 2003 vallen de Verenigde Staten van George W. Bush Irak binnen. De massavernietigingswapens van Saddam Hoessein zijn volgens de Amerikaanse retoriek een gevaar voor de wereldvrede. Dit blijkt achteraf enkel een voorwendsel om een oorlog te beginnen, er wordt immers niets gevonden dat ook maar van ver of van dichtbij op een massavernietigingswapen lijkt. Het resultaat is echter desastreus, haast de complete Iraakse infrastructuur wordt vernield en er vallen honderdduizenden doden.

Maar goed, ze leven nu wel in een democratie. Of toch iets wat erop lijkt.

In mei 2018 kozen de Irakezen voor de vierde keer een nieuw parlement. De opkomst was echter bedroevend laag, minder dan de helft, 44.5%, doet de moeite om te gaan stemmen. In Basra, de tweede grootste stad van Irak, trekt zelfs maar 14,4% naar de stembus. Het lijkt er dan ook op dat een meerderheid van de Irakezen er niet echt van overtuigd zijn dat hun stem er iets toe doet.

Als grote winnaar komt een revolutionaire buitenstaander, Muqtada al-Sadr, uit de bus. Zijn partij kaapt het grootste aantal zetels weg. Zijn kiezers zijn vooral sjiieten uit de arbeidersklasse van Bagdad en het zuiden. Het feit echter dat hij zich niet sectair opstelt, levert hem echter ook stemmen op bij de soennitische Arabische minderheid.

Zes maanden lang ruziën en palaveren de politici over wie in de regering moet zitten en op welke post. Het is dan ook belangrijk. Irak bezit enorme rijkdommen en de corruptie tiert er welig. Een uitgelezen kans voor vrijbuiters. Dat er nu eindelijk licht aan het einde van de tunnel schijnt, is het resultaat van vele wendingen. De tijd dringt immers.

Francis Jorissen woont in het midden van nergens ergens in Frankrijk, nieuwsgierig, schrijver en free-lance journalist, activist, would-be wereldreiziger en geïnteresseerd in Rusland, de landen die ooit behoorden tot wat men toen 'Het Oostblok' noemde en het Midden-Oosten