De Golfoorlog van 2003 vormde de opmaat naar embedded verslaggeving.

STEUN RO

Als kritische nieuwsconsument kun je het je nauwelijks voorstellen, maar de Nederlandse media beknotten verslaggeving vanuit Bagdad tijdens de Golfoorlog van 20 maart tot en met 10 april 2003. Het was de grootste oorlog van het decennium, temidden van de belangrijkste olie-exporterende landen ter wereld. De wereldeconomie schudde op haar grondvesten. Maar Nederlandse duiding kwam van één zijde, het kamp van Saddam Hoessein ging op zwart.

Agressie

Uiteraard werd de boodschap netjes verpakt. Verslaggeving uit Bagdad zou te gevaarlijk zijn. Terwijl niemand je als buitenlandse verslaggever in de oorlogsdagen met een vinger aanraakte, werd de angst voor de agressie van de bevolking gevoed. RTLNieuws-verslaggever Conny Mus vertelde in Het Parool van 19 maart 2003: “Het zijn niet zozeer de bommen maar meer de reactie van de bevolking en van de autoriteiten waar ik bang voor ben.”

Op de burelen van de publieke omroepen en de dagbladen werd stilzwijgend tot een zogenaamde 'negatieve pool' besloten. Iedereen zou zijn mensen terugtrekken uit Bagdad, zodat niemand iets kon worden verweten. Alle omroepprogramma's hielden zich er strikt aan, behalve het vrijgevochten RTL's Barend en Van Dorp, SBS6' Stem van Nederland en het weekblad Nieuwe Revu. Daarvoor kon ik aan de slag. De publieke omroep, gefinancierd met uw en mijn belastinggeld, was uitgesloten. De VARA-radio, die mij in een moment van zwakte wel aan het woord liet, kreeg direct een reprimande als 'matennaaier'.

Voor de volledigheid: er was een korte, moedige krachtsinspanning van het NOS-journaal. Dat zag met lede ogen aan dat enkele verfoeilijke commerciële programma's wél iedere dag hun journalistieke plicht deden. De poging werd na enkele dagen afgebroken door het vertrek van Gerri Eickhof, terug naar Europa.

Mission Accomplished

Pas na de val van Bagdad, vanaf 10 en 11 april 2003, stroomden de Nederlandse verslaggevers, die in Jordanië hadden gewacht of in het kielzog van de Amerikaanse militairen reden, massaal de hoofdstad binnen. Maar toen was de invasie zo goed als over. Op 14 april 2003 viel het laatste bastion, de stad Tikrit. Op 1 mei was het Mission Accomplished.

En was het nu echt zo gevaarlijk bij de Irakezen? Van de vijftien omgekomen buitenlandse journalisten zijn er in die oorlogsdagen zes gedood door Amerikaans/Brits vuur, zeven door ongelukken met auto's, aanslagen en zelfmoord. Slechts twee kwamen om door een Irakese raket, afgevuurd op een militair kamp waar ze verbleven.

In de war

Aan 'de geallieerde zijde' werkten zo'n 25 Nederlandse journalisten. Terwijl velen met hun neus op het nieuws zaten, mochten ook zij vaak de Nederlandse kijker en luisteraar niet van nieuws voorzien.

In een nabeschouwing in 2003 beschreef ik een absurdistisch telefoongesprek tussen toen freelance journalist Thomas Erdbrink en een redacteur van Radio 1. Hier de herhaling:

De satelliettelefoon ringelt: “Hallo, met Thomas Erdbrink.”

Redacteur: “Ja, jij hebt al onze plannen in de war geschopt.”

Thomas: “Oh, hoe dan? Ik ken u helemaal niet.”

Redacteur: Ja, Bernard Bouwman (correspondent in Turkije – A.K.) had moeten gaan voor de NRC en nu zit jij in Noord-Irak!”

Thomas: ”Tsja, die kwam er niet in en nu zit ik er: ik kom al twee jaar in dit gebied en er is nu een bijeenkomst van de oppositie gaande.”

Redacteur: “Wij hebben een contract met hem en jij bent niet goed verzekerd.”

Thomas: “Hebt u ook een contract met het nieuws?”

Redacteur: We doen Irak wel vanuit Istanbul. Alleen onze verzekeringen zijn goed en die heb jij niet!”

Thomas: “Dus u ontzegt miljoenen luisteraars van de publieke omroep nieuws vanuit Irak, omdat u een contract met iemand hebt afgesloten in Istanbul en ik volgens u niet goed ben verzekerd?”

Redacteur: “Ja. Alleen de NOS-verzekering is goed.”

Die NOS-molestverzekering kostte op het hoogtepunt per persoon zo'n 30.000 euro per week. Over smijten met belastinggeld gesproken. Terwijl de Franse organisatie Reporters Sans Frontières, waarbij ik een polis had afgesloten, éénhonderdste van dat bedrag vroeg. Het gevolg was dat Istanbul, Amman en Koeweit de 'frontsteden' werden waaruit veel Nederlands nieuws kwam.

Medelijden

Zelf denk ik dat de verzekeringskwestie erbij is gesleept. Want onverzekerde buitenlanders op locaties waar geweigerde Nederlandse journalisten verbleven, mochten wel iets zeggen.

Waarom dan toch die aanpak? Naast de wellicht oprechte zorgen denk ik dat een belangrijke public relations-reden meespeelde: Je voorkomt met deze beperking dat Nederlands sprekende verslaggevers de vijand, want zo werd tegen Irakezen aangekeken, een menselijk gezicht geven. Want of je nu op de televisie de bibberende geluidloze zwartbeelden ziet van een bom op een gebouw met het commentaar dat het een voltreffer is op de Republikeinse Garde, óf schreeuwende kinderen in een hospitaal. Na een paar weken krijgen kijkers medelijden met de laatste. Gegarandeerd.

Taboe

Of het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken de kwaaie genius was achter de informatieban uit het kamp van Saddam Hoessein kan ik niet bewijzen. Het verzwijgen van leed uit het vijandige kamp kwam Nederland als lid van de 'coalition of the willing' wel goed uit. Waarschijnlijk betrof het vrijwillige censuur. De Nederlandse journalistiek 'pleast' graag en fungeert vaker in het verlengde van de voorlichtingsdienst van MinBuZa. Wie de geschiedenis van de Nederlandse oorlogsverslaggeving sinds de Slag bij Heiligerlee (1568) kent, verbaast deze gedweeë houding dan ook niets.

"Ja, jij hebt al onze plannen in de war geschopt."

– Redacteur Radio 1 tegen Thomas Erdbrink

Na afloop van Golfoorlog 3 wreef ook het ministerie van Defensie zich tevreden in zijn handen. Als de Nederlandse media zich zo makkelijk laten inzetten bij het vijanddenken, dan viel die lijn ook in de toekomst voor te zetten.

Toen een paar maanden later (augustus 2003-maart 2005) Nederlandse militairen in de zuidelijke provincie al Muthanna werden gelegerd, moesten de media zich al snel aan voorwaarden binden. Kritiek, zoals het doodschieten van Irakese burgers, was taboe. Wie dat deed kon medewerking vergeten, zo was mijn ervaring na de beschrijving van zes gevallen.

De komst van Nederlandse journalisten naar de Afghaanse provincie Uruzgan (augustus 2006-augustus 2010) werd helemaal aan regels gebonden. Daar mochten Nederlandse journalisten alleen 'embedded' naar toe. Berichtgeving over bombardementen op dorpen, het doodschieten van burgers, het martelen van gevangenen, alles wat de missie in diskrediet bracht, werd op straffe van uitsluiting verboden. En opnieuw gedroegen de media zich zoals verwacht. En opnieuw zonder protest.

De basis, weet u nu, ligt grotendeels bij de weinig moedige houding van de Nederlandse media tijdens de Irakoorlog van 2003.

 

    Arnold Karskens is Neerlands meest onafhankelijke en ervaren oorlogsverslaggever. Muckraker. Nachtmerrie voor nazi’s en andere oorlogsmisdadigers. Auteur van tienŒ boeken. Onderzoeksjournalist die nooit ‘nee!’ als antwoord accepteert. Lastig, dwars & gehaat door zijn vijanden, maar Last Man Standing voor mensenrechten en vrijheid van meningsuiting.

    Geef een antwoord