Deze zomer reizen we aan de hand van de grote schrijvers door Europa. Vandaag gaan we naar het Spaanse Madrid, thuishaven van Javier Marías. Hij heeft een indrukwekkend oeuvre, verkocht wereldwijd miljoenen boeken en is een belangrijke kandidaat voor de Nobelprijs voor de literatuur. Gesprek over leven en dood, verraad en trouw, waarheid en bedrog.

STEUN RO

Lange tijd dacht hij misschien wel nooit meer een boek te zullen schrijven. Na de voltooiing van zijn indrukwekkende driedelige roman Jouw gezicht morgen voelde Javier Marías (1951) zich letterlijk en figuurlijk uitgeput. Acht jaar had hij gewerkt aan wat wordt beschouwd als zijn magnum opus, bijna zestienhonderd Spaanse pagina’s bij elkaar. Marías was moe en leeg. ‘Ik had het gevoel dat ik in dat boek alles had gezegd, of in elk geval gevoeld, en dat ik daar niets meer aan toe had te voegen. Maar zoals dat gaat, begint zich op een gegeven moment toch iets in je geest te roeren, en op een dag begin je ineens weer met schrijven.’

Vlot ging het echter niet, vertelt de Madrileense schrijver. ‘Het was moeilijk om te beginnen, om vol te houden, om het boek af te ronden. Ik moest een andere wereld oproepen dan in Jouw gezicht morgen, met andere figuren. Ik was zo lang in het gezelschap geweest van die personages, dat ik me afvroeg: wie zijn deze nieuwe mensen? Dat wist ik in het begin ook nog helemaal niet. Toen De verliefden eenmaal klaar was, heb ik geaarzeld om het te publiceren. Ik twijfelde of het wel goed genoeg was.’ Een twijfel die onterecht bleek: de roman werd in eigen land binnen de kortste keren een bestseller en ontving ook in het buitenland, waaronder Nederland, lovende kritieken.

De verliefden vertelt het verhaal van María Dolz, halverwege de dertig, redactrice bij een literaire uitgeverij. Elke ochtend ontbijt ze in een café nabij haar werk, en slaat daar een echtpaar gade dat zo gelukkig is dat María haar dagen steevast vrolijk begint. Als deze Luisa en Miguel Desvern (of Deverne, zoals hij ook wordt genoemd) ineens niet meer komen opdagen, raakt María dan ook van slag.

Ze ontdekt dat Miguel is neergestoken door een zwerver en aan zijn verwondingen is overleden. Als Luisa na lange tijd toch weer in het café verschijnt, grauw en sterk vermagerd, knoopt María een praatje met haar aan. Eénmaal zoekt ze de weduwe thuis op, en leert daar Javier kennen, de beste vriend van Miguel. María wordt verliefd en krijgt een relatie met hem, maar beseft al snel dat Javier eigenlijk van Luisa houdt en geduldig zijn kans afwacht. Ze ontdekt dat hij zelfs opdracht heeft gegeven tot de moord op Miguel, al is dat volgens Javier op diens eigen verzoek geweest, omdat Miguel ongeneeslijk ziek was en een lijdensweg wilde ontlopen. Maar of Javier nou een vriendendienst bewees of simpelweg zijn rivaal uit de weg ruimde, hij krijgt in elk geval zijn zin: Luisa wordt uiteindelijk de zijne.

‘Voor het eerst in mijn schrijverscarrière heb ik een vrouwelijke verteller,” glimlacht Marías. “Ik schrijf al jarenlang mijn boeken vanuit een ik-perspectief en naar mijn idee sloeg het nergens op als dit verhaal niet door een vrouw verteld werd. Maar in het begin was het lastig, ik was een beetje verlegen, stond mezelf niet de grapjes toe die ik wel maakte met een mannelijke hoofdpersoon. Ik probeerde krampachtig een andere toon aan te slaan. Tot ik me op een gegeven moment realiseerde dat het helemaal niet zo radicaal anders hoefde. Er zijn beslist verschillen tussen mannen en vrouwen, maar niet zozeer in hun manier van denken. En dat is immers wat een verteller voornamelijk doet: observeren, denken, reflecteren. Daarin verschillen naar mijn idee mannen en vrouwen niet zo veel van elkaar.’

‘In Spanje waren er mensen die zeiden: ‘Vrouwen denken niet op die manier’ , of: ‘Vrouwen reageren niet zo’. Kom op zeg, wat bedoel je met ‘vrouwen’? Je kunt vrouwen niet als groep categoriseren, ze kunnen onderling net zo veel van elkaar verschillen als mannen en vrouwen van elkaar kunnen verschillen. Bovendien ken ik ook vrouwen die precies zo denken, reflecteren en observeren zoals ik. Veel vrouwelijke lezers hadden er in elk geval geen problemen mee, vonden het zelfs wel prettig dat het nu eens niet een dame betrof die alleen maar heel erg vrouwelijk was, bijna op het karikaturale af, zoals in sommige romans het geval is.’

Javier Marías is een schrijver zoals er niet vele zijn. In tegenstelling tot de veelal plotgedreven literatuur die verschijnt, draait het werk van Marías vooraleerst om ideeën en gedachten, vervat in sublieme taal. Hij is een meester in uitwijdingen, geeft zijn hoofdpersonen pagina’s lang de ruimte om te mijmeren en af te dwalen, om uiteindelijk na vele omzwervingen toch steeds weer soepel de draad op te pakken. ‘Wat er in romans gebeurt doet er niet toe en wordt vergeten zodra je ze uit hebt,’ zegt Javier tegen María, wanneer ze praten over de novelle Le colonel Chabert van Honoré de Balzac. ‘Het interessante zijn de mogelijkheden en de ideeën die romans op ons overbrengen via imaginaire situaties, die blijven ons helderder voor de geest staan dan echte gebeurtenissen en we houden er meer rekening mee.’ Want: ‘Fictie heeft het vermogen ons te laten zien wat we niet kennen’.

Net als zijn eerdere werk is De verliefden doorspekt met morele vragen over menselijk gedrag, bijvoorbeeld over trouw en verraad, zowel aan de levenden als aan de doden. Natuurlijk legt de tijd een waas over het verleden, en doet die de herinnering aan degenen die zijn gestorven uiteindelijk vervagen. Marías verloor zelf al op 26-jarige leeftijd zijn moeder. ‘Toen ik 52 werd, realiseerde ik me dat ik net zo lang had geleefd zonder haar als mét haar in mijn wereld. Ik heb er een column aan gewijd in El País, in mijn wekelijkse bijdrage voor het zondagse supplement van de krant. ‘Die helft van mijn tijd’, heette het stuk. Het eindige ermee dat naarmate de tijd verstrijkt het deel van mijn leven zonder haar vele male groter zal worden – dat is nu al het geval. Van het grootste deel van mijn leven is zij geen getuige geweest. Ze is verankerd in een steeds verder verwijderd verleden. Zoals de tijd dat ik 26 was voor mijzelf ook nogal ver weg is; ik vraag me weleens af of ik überhaupt dezelfde persoon ben als toen. Natuurlijk denk ik geregeld aan haar, maar ze behoort tot een andere tijd, een stuk verleden dat steeds verder van mij vandaan raakt.’

Op een bepaalde manier is het natuurlijk noodzakelijk om de doden achter je te laten, zegt Marías. ‘Ik ken mensen, onder wie ikzelf, die geobsedeerd werden door de dood van dierbaren en dat is ondraaglijk. Het is één ding om veel te denken aan mensen die belangrijk zijn geweest, maar als je leven in het teken komt te staan van hun nagedachtenis, als je té loyaal aan hen bent, draag je een heel zware last met je mee, alsof je hun dode lichaam achter je aan sleurt.’

Tegenwoordig is het echter eerder zo dat mensen de doden bewust van zich af willen schudden, want ze ‘moeten door’. Zelfs wanneer mensen zo veel van elkaar houden als Luisa en Miguel, wordt iemands plaats vaak al snel door een ander ingenomen. Vandaag de dag lijken we ons minder diepgaand aan anderen te verbinden, we vergeten elkaar sneller, constateert Marías. Bij scheiding of verlies kan men niet snel genoeg de draad weer oppakken, alsof verdriet en rouw er niet mogen zijn. Het verleden moet zo snel mogelijk worden vergeten. ‘Je ziet het in privélevens, en ook sterk bij publieke persoonlijkheden. Mensen worden niet lang door iets aangegrepen. Neem bijvoorbeeld Sarkozy; hij werd verlaten door zijn echtgenote, en een paar maanden later trouwde hij met Carla Bruni. Datzelfde zie je ook bij rampen, een vliegtuigongeluk of aardbeving. Er wordt een grote dienst gehouden, er wordt een leger psychologen op afgestuurd en dan moet het maar klaar zijn. Alsof het niet volkomen normaal is dat mensen langdurig kapot zijn van zo’n gebeurtenis. Om niets wordt nog een periode gerouwd.’

Het mensbeeld dat uit het werk van de Spaanse auteur naar voren komt, is niet erg rooskleurig. Om hun eigen hachje te redden of omwille van het eigen geluk zijn velen niet te beroerd anderen te verloochenen of te verraden. ‘Iedereen kent wel het verbijsterende gevoel wanneer iemand die dichtbij stond ontrouw of onloyaal blijkt te zijn geweest. We weten nooit helemaal zeker tot op welke hoogte we de ander kunnen vertrouwen. Veel hangt af van de omstandigheden. Sommige mensen worden nooit op de proef gesteld; die verkeren nooit in een situatie waarin ze aan grote verleidingen worden blootgesteld, een grote kans krijgen om iets goeds of slechts te doen, of een offer moeten brengen om hun principes na te leven. Het is heel moeilijk om te voorspellen wat iemand in bepaalde situaties zou doen, dat kun je van jezelf niet eens zeker weten. Er is niet één waarheid, en niets is volledig gewis.’

In zijn romans wil de schrijver dan ook niet oordelen, maar tonen: zijn werk geeft een blik op de huidige tijd, laat zien hoe mensen zich gedragen, welke keuzes ze maken en waarom. ‘Ik ben het erg eens met een uitspraak van William Faulkner, die zei: als je in het holst van de nacht op een open veld een lucifer afstrijkt, laat het licht van de lucifer vooral zien hoeveel duisternis er is om je heen. Het verlicht niets. Dat is precies wat een schrijver, wat literatuur ook doet. Er zijn veel dingen die problematisch, moeilijk en complex zijn, dingen die we niet begrijpen en waarvan we niet weten hoe ze moeten worden opgelost. En hier heb je ze.’

Het werk van Javier Marías wordt vertaald door Aline Glastra van Loon en uitgegeven door uitgeverij Meulenhoff. De verhalenbundel Terwijl zij slapen is net verschenen (411 pagina’s), €24,95/€12,99 (e-book)