Johan van Gogh, vader van filmmaker Theo van Gogh, is 21 februari op 96-jarige leeftijd overleden in MCH Westeinde, aan de gevolgen van een spierziekte. Hjj stond bekend als een familieman die zijn zoon altijd is blijven steunen, meldt DenHaag Centraal, en dat kan ik uit eigen ervaring bevestigen.

STEUN RO

Vermoedelijk nam ik het laatste interview af met Van Gogh senior, eind 2016 voor de Volkskrant (daar is bovenstaande foto ook van, copyright fotograaf Jiri Buller). Onderwerp van gesprek met hem en zijn vrouw Anneke in hun Wassenaarse villa waren de zogeheten Hofstad-taps. Deze waren door de AIVD stiekem afgenomen in het pand aan de Haagse Antheunisstraat waar twee Hofstadleden woonden. Eigenlijk vormen deze taps het laatste puzzelstukje in de moord op hun zoon, in november van dit jaar alweer vijftien jaar geleden: had de AIVD voorafgaand aan die terreurdaad van Mohammed B. misschien aanwijzingen over het hoofd gezien?

Een onderwerp waarop ik als journalist voor Dagblad de Pers stuitte, en waarover ik altijd contact ben blijven houden met Gijs van de Westelaken, de zakenpartner van Theo van Gogh. Waarom deze zaak journalistiek nog steeds van belang is, leg ik elders uit. Voor de nabestaanden – naast de ouders van Theo ook diens twee zussen – was dat belang volstrekt helder: ze hebben altijd het gevoel gehouden dat de AIVD niet volledig opening van zaken heeft gegeven.

Het vreemde is namelijk dat de taps van de periode voor de moord ruim tien jaar uit beeld waren, tot ze uiteindelijk (na een interview van EenVandaag met officier van justitie Frits van Straelen) in opdracht van de Tweede Kamer weer ‘teruggevonden’ werden. Terwijl de familie eerder had begrepen van de dienst dat ze er eenvoudigweg niet meer waren. ‘Krankzinnig’, zei Anneke, die de vergelijking maakte met het verdwenen fotorolletje van Srebrenica. ‘Je wordt bedonderd waar je bij staat. Wij zijn toch redelijke mensen?’

Het was extra schrijnend voor Johan van Gogh, die zeer vele jaren had gewerkt bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), de voorloper van de AIVD. Hoewel hij destijds met zijn 94 jaar al niet meer zo goed ter been was, mankeerde er nog weinig aan zijn geest, of aan zijn joie de vivre. In zijn fauteuil gezeten rookte hij pijp en dronk een glas rode wijn, ook ondergetekende kreeg er een aangeboden.

Het vraaggesprek ging dan ook vele kanten op. Met zichtbaar plezier vertelde hij anekdotes over zijn tijd als Kremlinwatcher, op het hoogtepunt van de Koude Oorlog.

Zoals die keer dat een hele stoet medewerkers – onder wie uiteraard menig spion – van de Russische ambassade in Den Haag tegelijk per auto vertrokken. De BVD-agenten die hen in de gaten moesten houden, zetten meteen de achtervolging in. Wat waren die Russen van plan? Tot ze in een café in Abbenes belandden; daar zaten de communisten gebroederlijk aan tafel, om in luid applaus uit te barsten toen de BVD’ers binnenkwamen.

Een spionnengebbetje, zullen we maar zeggen.

Ook vertelde hij over de Haagse meubelmaker die voor de BVD microfoontjes inbouwde in de meubels voor de Russische ambassade.

Maar wat hem vooral van het hart moest, was de familieaangelegenheid van de schilderijen. Het deed hem kennelijk pijn dat zijn eigen vader – ingenieur Vincent Willem van Gogh – werd weggezet als een soort geldwolf, in een televisieserie van de EO, in zijn rol bij de totstandkoming van het Van Gogh Museum. Hoe zat het nou echt? Dat legde hij me uit, en gaf me een uitgebreid document toe.

Vincent Willem had de grote collectie schilderijen van Vincent van Gogh, en ook enkele Gauguins, nagelaten gekregen van zijn vader Theo van Gogh, kunsthandelaar, broer van Vincent en overgrootvader van Theo junior. Maar na de Tweede Wereldoorlog begon de populariteit van Vincents werk enorm te stijgen. De schilderijen werden steeds meer waard, wat afgezien van het veiligheidsvraagstuk ook tot een grote belastingaanslag zou kunnen leiden. Intussen reisde de familie, op uitnodiging van internationale musea, naar allerlei landen, tot de VS aan toe, met een stapeltje originele Van Goghs in de bagage.

Het was duidelijk dat dit geen ideale situatie was; uiteindelijk sloot Vincent Willem een deal met de Nederlandse overheid. Alle schilderijen kwamen in een stichting en zouden voor het publiek toegankelijk worden, en in ruil daarvoor bouwde het Rijk een speciaal museum en kreeg de familie zo’n 10 miljoen gulden. Achteraf gezien een schijntje natuurlijk, nu alleen al een enkel schilderij van Vincent van Gogh tientallen miljoenen waard is. Theo junior, die zijn films vaak met moeite gefinancierd kreeg, grapte geregeld cynisch over die deal: ‘Eentje maar, ze hadden maar 1 schilderij van Vincent hoeven te houden, dan had ik mijn hele leven films kunnen maken.’ En stond ooit in een tv-programma met megafoon voor het museum, uitroepend: ‘Ik wil mijn schilderijen terug!’

Overigens beschrijft Den Haag Centraal Johan van Gogh als voor alles een ‘onafhankelijke geest’, die zich inzette voor natuurbehoud en bijvoorbeeld protesteerde tegen de komst van Villa Eikenhorst, voor prinses Christina, in het Wassenaarse natuurgebied De Horsten. Ook was Van Gogh senior lid van de zogeheten hakgroep, keurige heren die eens in de zoveel tijd eropuit trokken om op vrijwillige basis allerlei dood hout te kappen en te snoeien.

Met zijn oud-collega’s van de dienst ging hij nog regelmatig een hapje eten, al ging de conversatie nooit over de vraag of de AIVD wellicht steken had laten vallen. ‘Nee, daar praten we niet over.’ Zijn vrouw Anneke (toen 80 jaar oud) geloofde daar ‘niets’ van, zo zei ze. Zij meende dat Theo met betere bescherming nog geleefd had, al gaf ze toe dat die daar zelf ook niet echt open voor stond; haar man vond desgevraagd dat de moord niet voorkomen had kunnen worden.

En beiden zeiden blij te zijn dat Jaap Cohen een biografie schrijft over hun zoon, inclusief diens filmcarrière. De zoon van oud-burgemeester Job Cohen is onder meer nieuwsgierig naar het debat over de vrije meningsuiting: hoe ver mag je gaan? Zoals bekend kreeg Cohen senior er vaak genadeloos van langs in Van Goghs columns. Het was een kant van Theo waar de ouders niet heel trots op zijn. ‘Je mág het wel zeggen, maar je hoeft het niet te zeggen’, waren Johans gevleugelde woorden bij de uitvaart. Hij gaf tegenover mij als voorbeeld de beruchte column waarin toenmalig GroenLinks-voorman Paul Rosenmöller kanker krijgt toegewenst. ‘Dat kun je niet doen.’

Maar hij doelde nadrukkelijk niet op de kritiek die zijn zoon had op de islam, of op de film Submission die Theo maakte met Ayaan Hirsi Ali. ‘Daar kan ik helemaal achter staan. Dat hij de moed heeft gehad om dat allemaal zo te zeggen.’

Het wrange is dat Johan van Gogh naast zijn zoon ook zijn oudere broer Theo verloor, en wel in de oorlog. Terwijl Johan zelf ondergedoken zat om aan de Duitse dwangarbeid te ontkomen, is deze bij het grote publiek minder bekende Theo van Gogh, die in het verzet zat, opgepakt door de Duitsers en gefusilleerd.

Nog één keer hebben we contact gehad, een week of twee na het interview. Een krakende, doch dwingende stem aan de andere kant van de lijn. ‘Met Van Gogh.’ Waar de krant met het interview bleef, die ik beloofd had toe te sturen… Dat heb ik toen maar snel gefikst.

Journalist en columnist. Schrijft over alwat voor zijn pen komt, van Haagse politiek tot terrorisme. Beukt er graag op los met de filosofenhamer. Classicus en volgeling van Dionysus, liefhebber van spot en ironie, slaat nooit een cappuccino af.