Goede vrijdag, 19 april. Het Sony Centre in Toronto. 3000 kaarten verkocht, prijzen tot $1500. Duizenden mensen die de live-stream bekijken. Een jaar voorbereiding. Het werd het ‘debat van de eeuw’ genoemd: een gesprek tussen Jordan Peterson en Slavoj Žižek. ‘Waar ben ik in terecht gekomen?’ vroeg Peterson zich logischerwijs af toen hij het woord kreeg.

STEUN RO

Lang niet iedereen kent deze denkers, maar op wereldschaal behoren ze tot de meest gelezen (en op YouTube bekeken) denkers van dit moment. Maar ze worden ook hevig bekritiseerd. Onwetenschappelijk, niet-filosofisch, gevaarlijk.

De debaters

Jordan Peterson is best-seller auteur van de boeken Maps of Meaning en 12 rules of life. Zijn colleges op YouTube worden miljoenen keren bekeken. Žižek heeft tientallen boeken op zijn naam, trekt overvolle zalen en produceert naast boeken ook films. Belangrijker nog is dat beide denkers tot de meest dominante bronnen behoren voor beide kanten van het hedendaagse politieke spectrum. Jordan Peterson rechts (tot alt-right aan toe) en Slavoj Žižek links (tot occupy wall-street aan toe). En daarom is dit debat meer dan een filosofisch onderonsje – het is, als het goed is, een debat over het filosofische fundament van veel politieke ideeën.

Na afloop waren veel mensen teleurgesteld. Het verwachte vuurwerk bleef uit. De beide denkers waren het opvallend vaak met elkaar eens. Het venijn waarmee Peterson identiteitspolitiek en neomarxisten wegzet, of het gebruikelijke verwijt dat Peterson de alt-right beweging inspireert – niets daarvan kwam voorbij. Er werd gelachen, er werd bewondering uitgesproken. En ondanks dat het publiek zich gedroeg als bij een gladiolengevecht, bleef de sfeer gemoedelijk. Maar juist daarom was dit het debat van de eeuw.

Fuck geluk!

‘Happiness’ was het thema van de avond. En er waren twee opties: marxisme of kapitalisme. De uitkomst was simpel: kapitalisme graag, maar dan wel goed gereguleerd. Applaus. Wacht, maar we hadden het toch over geluk? Ja, maar geluk wordt overschat, vinden beide denkers. Weer applaus.

Žižek en Peterson hebben veel overeenkomsten. Beide zijn psychotherapeut: ze weten dat de mens door allerlei krachten in de tang wordt gehouden, het onbewuste, verwachtingen van anderen, verlangens. En dus hebben ze het allebei over ‘ideologieën’ en hoe die onze wereld regeren, ook zonder dat we het door hebben. De hedendaagse mens is verward en op zoek, zeggen ze allebei. We zijn een speelbal van externe krachten. Wij zijn niet meer in touch met onze overtuigingen. We moeten iets doen. We moeten iets geloven.

En dat maakt het gesprek zo boeiend. Waar zullen we de meest gelezen en beluisterde denkers van vandaag eens over in gesprek laten gaan? Natuurlijk over geluk. Hedonistischer kan het niet. Hedendaagser evenmin. Maar beide denkers fluiten ons terug. Geluk is zo belangrijk niet. Dat zoeken naar geluk is nou juist wat ons ongelukkig maakt. Of onbestemd. Ongeleid.

Het leven is niet eenvoudig, zegt Jordan Peterson. Maar in dat pessimisme moet je niet blijven hangen. Recht je rug en breng je huis op orde – zo roept hij vaak. Doe iets. Verbeter jezelf. Neem je individuele verantwoordelijkheid. Dat is wat je moet doen in het leven. En dat creëert betekenis. Allereerst betekenis en misschien ook geluk. En er zijn honderdduizenden mensen die dit horen en zeggen: ‘eindelijk!’ Eindelijk iemand die zegt waar het op staat. Die van wanten weet. En die mensen inspireert hun leven weer in eigen hand te nemen. Fuck geluk! Ik wil betekenisvol zijn!

Social Justice Warriors

Sinds wanneer is dit zo’n revolutionair inzicht? Hoe kan het dat mensen dit niet zelf hebben bedacht? Ook daar heeft Peterson een idee bij. Dat komt door de ideologie van de postmoderne neo-marxisten. Dat zijn mensen die nergens in geloven maar wel de dominante plekken in de maatschappij vervullen. Postmodern zijn ze, omdat ze vinden dat er geen waarheid bestaat. En neo-marxist, omdat ze desondanks zwaaien met hun vingertje.

In het debat legt Peterson het nog eens uit: waar Marx vroeger de kapitalisten tegenover het proletariaat opzette, zetten postmoderne neomarxisten de ene identiteitsgroep op tegen de andere. De LHBTQ’ers tegenover de ‘boze witte man’, zogezegd. En de Social Justice Warriors tegenover de populisten.

Maar dat is nog niet alles, zegt Peterson. Want proletariërs waren ‘goed’, en kapitalisten ‘slecht’. En die morele laag is bewaard gebleven in de discussie tussen identiteitsgroepen. Slachtoffers zijn ‘goed’, dader ‘slecht’. Als iemand zich ergens beledigd over voelt, moet de rest daar rekening mee houden. Vandaar de druk op de witte autochtone man. Die is altijd dader en daarmee automatisch slecht – aldus de neo-marxistische ideologie. Applaus.

‘Eens’ zegt Žižek tot veler verbazing. Hij vertelt dat hij er ook erg veel last van heeft, van die dominante ideologie. Natuurlijk, ook Žižek is psychotherapeut. Ook hij let op structuren die mensen in de tang houden. En ook hij hamert er vaak op hoe moeilijk het is om aan die structuren te ontsnappen. En waar Peterson tot vermoeiends toe blijft hameren op de postmodernisten en neo-marxisten heeft Žižek ook z’n paradepaardjes: stalinisten en nazi’s.

Pessimisme

En daar openbaart zich een belangrijk verschil van inzicht tussen beide denkers. Op het daadwerkelijke filosofische fundament. En daarmee misschien wel tussen veel linkse en rechtse politiek. Het is de vraag wie er het meest pessimistisch is.

‘Stel nou dat je in Noord-Korea woont’, stelt Žižek ‘heeft het dan zin je rug te rechten?’ Of helpt dat niks, omdat het maatschappelijke systeem je daarin belemmert? ‘Je moet beiden verbeteren’, zegt Peterson later. Natuurlijk. Maar de vraag is of dat kan.

Waarom denkt Peterson dat het zal helpen om je rug te rechten en je huis op te ruimen? Waar is dat op gebaseerd? Is de mens wel zelf tot het goede in staat? Dat is precies waar Žižek ook pessimistisch over is. En daarom heeft hij het zo vaak over nazi’s, sovjets en andere totalitaire machten. Dat soort machten slagen er namelijk in om de mens volledig in tang te houden en los te weken van wat iemand als het goede, of zijn of haar individuele verantwoordelijkheid zou bestempelen. Kunnen wij met elkaar een (politiek) klimaat scheppen waarin het goede zal overwinnen? Of is de mens uiteindelijk niet tot dat goede in staat?

Peterson komt niet verder dan te stellen dat hij erin gelooft dat er genoeg ‘goed’ aanwezig is, om het ‘kwaad’ te compenseren. Maar dat is een grote onbeantwoorde vraag, die je kunt stellen bij Peterson’s ideeën. Daar is alle reden toe. Want kun je iets anders zijn dan pessimist, na een eeuw vol wereldoorlogen? Is er na die tijd nog wel reden om te denken dat de mens tot het goed in staat is?

Identiteitspolitiek

Maar ook Žižeks mankement wordt duidelijk. Want wat heeft hij te bieden met z’n nog grotere pessimisme? Waar wordt Žižeks verhaal hoopvol? Hoe kun je een maatschappij bouwen, als je geen hoop hebt dat de toekomst beter kan worden dan het heden?

Het is de ultieme vraag, de vraag van de eeuw, die wegens tijdgebrek helaas niet verder kan worden behandeld. Jammer. Want dit is waar het om gaat. Het is hét centrale vraagstuk dat duizenden mensen doet luisteren naar de analyses van beide denkers. En het is hét centrale probleem dat beide denkers scherp voor ogen hebben: we geloven nergens in (of we weten niet wat we geloven). We worden gedomineerd door ideologieën die niet de onze zijn. We missen grote, alomvattende verhalen waar mensen zich achter kunnen scharen. En in plaats van dat soort verhalen, focussen we al te sterk op onze eigen identiteitsgroep.

Natuurlijk moeten we daar iets aan doen – maar wat? Het debat blijft onvoltooid, zo stelt de interviewer. Inderdaad. Maar laten we hopen dat het gesprek zal blijven doorgaan.

Gerko Tempelman is filosoof en theoloog. Hij is oprichter van de Nederlandse Death Cafés en experimenteerde met een kerk voor atheïsten en dominees achter de ramen op de wallen. Onlangs kwam zijn boek Ongeneeslijk Religieus uit (Trouw ****). Gerko geeft lezingen over filosofie, islam, christendom en ideeëngeschiedenis.