Met zijn zesdelige autobiografie ‘Mijn strijd’ brak de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård wereldwijd door. ‘Liefde’, Het tweede deel dat in Nederlandse vertaling is verschenen, staat op de shortlist voor de Europese Literatuurprijs. Gesprek met Karl Ove Knausgård over de mooie en minder mooie kanten van de liefde.

STEUN RO

‘Goh, misschien moet ik zijn boeken toch maar eens gaan lezen,’ glimlacht de eigenaar van de charmante B&B in het gehucht Glemmingebro, nabij de Zuid-Zweedse kust. Meer dan een paar huizen, een kerk(hof) en een buurtsuper is het niet. Karl Ove Knausgård? Ach, ze hebben wel van hem gehoord natuurlijk, maar warm of koud worden ze er niet van dat hier een bekend schrijver woont.

Een ideale plek dus voor de Noorse auteur – en uitgever – om in rust te kunnen leven en werken, want daar was na de verschijning van zijn zesdelige autobiografie Mijn strijd weinig sprake meer van.

In Min kamp, zoals de oorspronkelijke, controversiële titel luidt, doet Knausgård rauw en onthutsend eerlijk verslag van zijn moeizame en frustrerende schrijverschap, de op angst gebaseerde relatie met zijn vader, die zich dooddronk, de knellende banden van huwelijk en vader-zijn en zijn angst voor intimiteit. Daarbij spaart hij niemand, vooral zichzelf niet. In twee jaar tijd schreef hij ruim 3500 pagina’s, waar de intensiteit en urgentie vanaf spat.

De bewondering en populariteit die het werk ten deel viel, was net zo groot als de woede en verontwaardiging – onder meer bij de familie van zijn vader, die vanwege het schokkende verslag van diens drankzuchtige dood (iets wat door de familie wordt ontkend) niets meer met hem te maken wil hebben.

Fotograaf Marc Brester en journalist Vivian de Gier kunnen met elkaar lezen en schrijven – letterlijk. Als partners in crime reizen ze voor diverse media de wereld over, voor recensies van de mooiste literatuur en persoonlijke interviews met de schrijvers die ertoe doen.