Frankrijk is vanwege haar (post-)koloniale verleden in veel opzichten de Europese frontlinie als het gaat om islamitisch radicalisme, en dus ook de proeftuin bij uitstek voor het formuleren van een Europees antwoord. Hoe het land dit tussen Macron en Le Pen probeert te doen is van groot belang voor Europa. In de discussie over het Franse beleid zijn twee experts dominant, Gilles Kepel en Olivier Roy, heren die principieel met elkaar van mening verschillen over de aard van het islamitisch geïnspireerde terrorisme: Kepel spreekt van ‘radicalisering van de islam’ en Roy van ‘islamisering van radicalisme’. Michiel Leezenberg laat zien hoe fundamenteel dat verschil van mening is, en de implicaties daarvan. Door Michiel Leezenberg

STEUN RO

De onlangs begonnen rechtszaak tegen Saleh Abdeslam, een van de daders van het bloedbad in het Bataclan-theater in Parijs, roept de vraag op wat hedendaagse jihadisten in Europa in ’s hemelsnaam bezielt. Hun acties liegen er niet om. De zelfmoordaanslag op Bataclan en het Stade de France in Parijs in november 2015 eiste 137 doden, inclusief daders; in januari schoten jihadisten een aantal redactieleden van het tijdschrift Charlie Hebdo en klanten van een joodse supermarkt in Parijs dood; daarbij vielen 19 doden. Twee zelfmoordaanslagen in Brussel in maart 2016 eisten 35 doden; en bij de aanslagen met behulp van trucks vielen op 14 juli 2016 in Nice 87 en in december 2016 in Berlijn 13 doden.

Het verbijsterende is dat deze aanslagen geen duidelijk politiek doel lijken te dienen, en niet verbonden zijn met politieke eisen. De daders zijn veelal van Noord-Afrikaanse afkomst; ze hebben doorgaans een verleden van kleine criminaliteit, niet van religieuze ijver. Het klassieke Arabisch van de Koran en van eeuwen aan religieuze geleerdheid zijn ze doorgaans niet machtig. Ook hun kennis van de islam is minimaal. Het weinige dat ze denken te weten (en met des te meer zelfverzekerdheid aan de wereld verkondigen) hebben ze ontleend aan pamfletten, aan zelf benoemde predikers in gevangenissen, en natuurlijk aan het internet.

Is het de ware aard van de islam die hier nu zijn bloedige gezicht laat zien, zoals veel waarnemers verkondigen? Of betreft het hier een radicaal nieuw verschijnsel, dat in sociaal-wetenschappelijke termen verklaard moet worden? Veel spreekt voor de tweede optie. Dikwijls volgt radicalisering op traumatische ervaringen: niet alleen gevangenschap, maar ook een sterfgeval in de familie, of zelfs een ongelukkige liefde, kan aanleiding zijn om zich van de omgeving af te sluiten en het heil te zoeken in een geloofsvorm die het afwijzen van die omgeving rechtvaardigt. [1]

Twee bekende Franse specialisten hebben nu hun duiding van deze gebeurtenissen in boekvorm gepubliceerd. Deze lopen op een interessante manier uiteen: Kepel spreekt in Terror in France van de radicalisering van de islam, terwijl Roy in Jihad and Death veeleer een islamisering van radicalisme ziet. Dat zijn niet slechts twee complementaire visies. In de media bestoken beide auteurs elkaar en elkaars ideeën regelmatig. Kepel verkondigt dat Roy geen Arabisch kan lezen, terwijl Roy Kepel uitmaakte voor een ‘Rastignac’ – een parvenu op zoek naar maatschappelijk aanzien.

Kepel: mislukte integratie

Deze polemiek is veel meer dan een academisch debat: beide auteurs hebben ook aanzienlijke politieke invloed. Hun discussie is daarmee van invloed op de antwoorden die Frankrijk (en in het verlengde daarvan de rest van Europa) zoekt op omvangrijke demografische, ideologische en politieke verschuivingen van de afgelopen decennia. Kepel is een vurig voorvechter van de Franse laicïté, de strikte scheiding van Kerk en Staat die alle religieuze vertoon in het openbare leven verbiedt. In 2004 was hij een van de leden van de zogeheten Stasi-commissie, die de Franse regering aanbeval om een strikt verbod op islamitische hoofddoeken en andere religieuze symbolen in openbare scholen te handhaven. Voor de bestrijding van jihadisme bepleit hij een strikte handhaving van het Franse secularisme. Roy daarentegen ziet juist in het principe van laicïté een voedingsbodem waarin jihadisme kan gedijen. In zijn optiek is de neutraliteit van de strikt seculiere Franse staat slechts schijn; de Stasi-commissie lijkt eerder een gerichte poging om moslims uit te sluiten, een beetje zoals de oorspronkelijke laicïté-wet van 1905 de Franse katholieken marginaliseerde.

Kepels nadruk op het belang van het bestuderen van islamitische theologie en van Arabischtalige bronnen is enigszins misleidend. Hij onderkent dat dit terrorisme (ook daar) geen precedent kent, en ‘een aanwijzing is van de Franse malaise en het onvermogen van de politieke en economische elite om sociale transformaties te beheersen’ (p. 2). Het boek wijt de opkomst van Le Pens extreemrechtse Front National aan dezelfde dynamiek. Dat leidt tot een rare ambivalentie in Kepels analyses. Hij vestigt de aandacht op de stigmatisering van migranten, maar schuift meteen daarna achteloos het ‘waanidee van de islamofobie’ terzijde dat uit die stigmatisering voortvloeit. Ook betoogt hij dat het salafisme geen ruimte moet krijgen omdat het met de waarden van de seculiere Franse republiek wil breken. Is de bestaande Franse republiek nu volgens hem de oorzaak van de problemen, of juist de oplossing?

Kepel schept er behagen in om radicale moslims met Korancitaten in het Arabisch om de oren te slaan. Maar zijn analyses baseert hij niet primair op de lectuur van de Koran of van vrijdagpreken, maar vooral op het veldwerk van zijn student-assistenten in de Parijse banlieues en gevangenissen. Het is al langer bekend dat de gevangenis, en niet de moskee, een van de belangrijkste plekken van radicalisering is. Hier zijn talloze jongeren bekeerd die tot dan toe een onbeduidend leven hadden geleid zonder religieuze ijver, maar mét kleine criminaliteit en discriminatie. Ze werden ook niet bekeerd door officiële predikers, maar vaker door lot- en leeftijdgenoten zonder formele religieuze scholing. Dat veel van hen juist de meest radicale vorm van islam kiezen hoeft niet te verbazen: die keuze markeert de totale breuk met hun verleden en met hun omgeving.

Volgens Kepel vallen er drie jihadistische golven te ontwaren. De eerste kwam op in de jaren tachtig in de oorlog in Afghanistan, en kwam in de jaren negentig ten einde; de tweede golf was Al Qaida, en kwam ten einde met haar falen in Irak. De derde golf richt zich op de strijd op Europese bodem, en begon volgens Kepel in 2005. Dat jaar zag niet alleen rellen in Clichy – een buitenwijk van Parijs, waar de politie onder andere traangasgranaten een moskee in vuurde –, maar ook de publicatie van Oproep tot wereldwijd islamitisch verzet, een pamflet van de in Spanje woonachtige Syrische jihadist Abu Mus’ab al-Surî. [2] Daarin zet al-Surî zich af tegen de tactieken en de hiërarchische structuur van Al Qaida. Volgens hem hebben die alleen maar tot repressie geleid, en niet tot massamobilisatie onder moslimjongeren in Europa. Dat doel, vervolgt hij, kan beter worden bereikt met een grassroots organisatie die aanslagen in Europa pleegt om islamofobe gevoelens te versterken en uiteindelijk een burgeroorlog te provoceren.

Roy betwist Kepels periodisering, Volgens hem pleegde Al Qaida al vóór 2005 aanslagen in Europa (o.a. in Madrid en Londen), en is al-Surî’s invloed op hedendaagse jihadistische jongeren verwaarloosbaar. Een probleem voor Kepels analyse is bovendien dat IS, alle retoriek over wereldwijde jihad ten spijt, is ontstaan in, en zich altijd heeft geconcentreerd op, Syrië en Irak.

Roy: het geloof

Roy gaat meer interpreterend te werk. Sociaalwetenschappelijk veldwerk vindt hij niet nodig. De maatschappelijke achtergronden van jihadisten zijn genoegzaam bekend, schrijft hij, en zijn ook opmerkelijk stabiel: tweedegeneratiemigrantenkinderen, van het juiste pad geraakt door kleine criminaliteit, religieus en politiek geradicaliseerd in de gevangenis, en een uiteindelijke bloedige confrontatie met de politie. In plaats daarvan, schrijft Roy, moeten we vooral de verbeeldingswereld van jihadisten onderzoeken: het gaat hem dus niet om politieke of maatschappelijke tendensen, maar om de betekenis die jihadisten daaraan hechten. Hij weigert te accepteren dat jihadisme een gevolg is van mislukte integratie; volgens hem is de islam centraal in de verbeelding van de daders. Maar waarom, dat wordt niet helemaal duidelijk. Terroristische aanslagen worden gepresenteerd als wraak voor reële of verbeelde misdaden tegen moslims, schrijft Roy, maar ze kunnen daar niet uit verklaard worden. Hedendaags zelfmoordterrorisme heeft evenmin politieke oorzaken als doelen, maar behelst een esthetisering van geweld. De zorgvuldig gerepeteerde, geredigeerde en overduidelijk gescripte executievideo’s van IS tonen deze esthetisering duidelijk.

Volgens Roy is deze geësthetiseerde doodscultus nihilistisch: hij is zuiver theatraal en dient geen enkel politiek doel. Hij beschouwt deze nihilisten als de belichaming van een nieuw soort religiositeit, die hij eerder heeft omschreven als een geglobaliseerde islam: een geloof dat van alle specifieke culturele, etnische en nationale kenmerken is ontdaan. Moslims van de tweede generatie en bekeerlingen, suggereert hij, zijn de cultureel gewortelde religie van hun ouders en omgeving verloren. Dit idee van een geglobaliseerde, gedeculturaliseerde, gedeterritorialiseerde en zelfs gedepolitiseerde islam is een van Roys stokpaardjes.Merkwaardig genoeg beschrijft Roy deze ‘deculturatie’ aan de hand van de taalproblemen en meertaligheid van landen als Marokko en Pakistan. Maar als taalconflict en assimilatie inderdaad een factor waren, zou je veel meer Koerden, Baluchi’s en andere islamitische minderheden onder de jihadisten verwachten. Wellicht dat het ontbreken van een krachtig nationalistisch alternatief, zoals het geval is in veel Noord-Afrikaanse landen, migranten van de tweede generatie sneller in de armen van jihadisten drijft.

Deculturatie verklaart volgens Roy ook de opmerkelijke correlatie tussen francofone landen en radicalisering: ‘de Franse laicïté is de meest ideologische en expliciete vorm van secularisme […]. Francofone landen “deculturaliseren” de religieuze sfeer het sterkst, doordat ze religie expliciet construeren als afgezonderd van de samenleving’, schrijft hij (p. 66). Of dat evenzeer geldt voor het tweetalige België als voor Frankrijk is twijfelachtig; maar het is het overwegen waard. Juist doordat de strikte laicïtéreligie uit de publieke sfeer verbant, schrijft hij, geeft ze radicale en marginale vormen van islam zoals salafisme vrij spel. Roy ziet daarom de beste hoop in de economische integratie en een verbeterde sociale mobiliteit van moslims, en in de ontwikkeling van een hoger opgeleide moslim-middenklasse. Maar blijkt deze hoger opgeleide jongere generatie niet juist beduidend vromer dan haar ouders? En zijn jongeren met een islamitische (en doorgaans Noord-Afrikaanse) achtergrond de enigen die zó gefrustreerd, gemarginaliseerd en vervreemd zijn geraakt dat ze dergelijke aanslagen kunnen gaan plegen? Je zou toch denken dat banlieue-bewoners uit bijvoorbeeld Subsaharaans Afrika, India of Indochina grotendeels vergelijkbare ervaringen hebben met werkloosheid, criminaliteit, discriminatie en politiegeweld.

Roy wuift zulke bezwaren weg. Hij onderkent het belang van politieke factoren (een koloniale erfenis, westerse oorlogen in het Midden-Oosten, maatschappelijke uitsluiting) en van de religieuze radicalisering van en door salafisten; maar volgens hem is er geen causaal verband tussen zulke factoren en de politieke radicalisering van jihadisten. Daar valt veel voor te zeggen, maar toch is Roys verklaring uiteindelijk onbevredigend. Waarom is het uitgerekend deze specifieke vorm van de soennitische islam die als ideologie van terroristisch geweld wordt gebruikt, en waarom mobiliseert ze heel specifieke groepen moslims? Onder Turken en Koerden, laat staan onder Iraniërs, heeft het salafisme maar weinig aanhangers. Bovendien wordt het juist daar gezien als een specifiek Arabische vorm van islam, en heeft dus – anders dan Roy suggereert – wel degelijk een etnische of nationale dimensie.

Jihadisme: oprisping of aandoening

In plaats van ‘deculturatie’ kun je dit proces ook, en misschien beter, omschrijven als een generatieconflict onder moslims: tweedegeneratiemoslims kijken vooral neer op het volkse geloof van hun dikwijls laagopgeleide of analfabete ouders, en salafistische jongeren zetten een grote mond op tegen oudere imams.

Ook de deterritorialisering waar Roy van spreekt, is maar gedeeltelijk: Al Qaida had, anders dan hij suggereert, wel degelijk territoriale en daarmee ook politieke doelen: het verdrijven van Amerikaanse troepen uit Saoedi-Arabië, en later Irak; het verdrijven van de Saoedi-dynastie; enzovoort. Roy interpreteert de apocalyptische taal van IS als bewijs van de depolitisering van het jihadisme, de retoriek van het kalifaat ten spijt. Nu weet inderdaad vrijwel geen moslim wat het kalifaat precies inhoudt of zou moeten inhouden, maar veel moslims krijgen wel degelijk een warm gevoel bij het idee van het kalifaat, omdat ze het voor een ‘echt islamitische’ staatsvorm aanzien. Politieke naïviteit of jeugdige oversimplificatie is wat anders dan depolitisering.

Roy en Kepel mogen elkaar dan met modder en erger bestoken; hun visies zijn lang niet zo uiteenlopend als ze zelf doen voorkomen. In de eerste plaats zien beiden dit jihadisme als een door en door modern verschijnsel. Roy beschouwt het als hetzelfde soort nihilisme dat zichzelf een paar decennia eerder in marxistisch jargon zou hebben gehuld. Kepel beschouwt de daders als ‘het zuivere product van de migrantenwijken van Frankrijk en België’.

In de tweede plaats nemen beiden de invloed van IS op de jihadisten in Europa voor lief. Inderdaad is IS er bij elke aanslag als de kippen bij om de verantwoordelijkheid op te eisen, als onderdeel van zijn internationale campagne van zelfpromotie; maar de reële organisatorische banden zijn op hun best wisselend. Beiden lijken ook te denken dat IS de jihad in Europa als hoofddoel heeft – en dat al dat gedoe rond een territoriale staat in Syrië en Irak, en het vestigen van een kalifaat, maar bijzaak is. Alles wijst erop dat het precies andersom is: IS was in eerste instantie een territorium in overwegend soennitisch-Arabische delen van het Midden-Oosten waar een machtsvacuüm was ontstaan, en probeerde Europa slechts te mobiliseren in dienst van dat territorium. Niks deterritorialisatie of depolitisering dus.

In de derde plaats vertonen de analyses van Roy en Kepel hetzelfde methodologische manco. Kepel noemt de Bataclan-aanslag ‘het grootste bloedbad onder Franse burgers sinds de Tweede Wereldoorlog’. In werkelijkheid komt die twijfelachtige eer toe aan de moord op naar schatting 300 tegen de koloniale oorlog protesterende Algerijnse immigranten, die in oktober 1961 in koelen bloede door de Parijse politie werden doodgeschoten. Kepels omissie is veelzeggend. Ze wijst op een blinde vlek in zijn analyses – dezelfde als bij Roy: de invloed van het Franse koloniale verleden op zowel jihadisten als de Franse bevolking als geheel. Dat verleden weerspiegelt zich in een voortdurende aarzeling, zo niet onwil, om landgenoten uit de voormalige kolonies te accepteren als volwaardige en gelijkberechtigde burgers. Dat betekent natuurlijk niet dat het koloniale verleden alles verklaart, laat staan terroristische aanslagen rechtvaardigt. Wel toont het dat de Franse staat en samenleving niet alleen maar een genereuze gastheer zijn, laat staan een neutrale instantie die van nieuwkomers niet meer vraagt dan dat ze zich aanpassen.

Sinds eind 2016 is er in Europa nog maar één grootschalige jihadistische aanslag gepleegd (in Barcelona op 17 augustus 2017). Is dat een teken dat de westerse veiligheidsdiensten beter zijn geworden in het herkennen en tijdig vangen van potentiële daders? Is het een aanwijzing dat het inspirerend vermogen en de organisatie van IS zijn verzwakt? Of zal de reeks aanslagen van de vroege jaren ’10 een kortstondige rage blijken te zijn geweest onder jongeren met vergelijkbare achtergronden, problemen en idealen of illusies? De toekomst zal het uitwijzen, en daarmee vermoedelijk ook het gelijk van Kepel, dan wel Roy uitwijzen.

[1] Vgl. Thomas Schmidinger, Jihadisme (Boom 2016).
[2] Voor een studie van al-Surî, inclusief een vertaling van delen van zijn pamflet, zie Brynjar Lia, Architect of Global Jihad: The Life of Al Qaeda Activist Abu Mus’ab al-Suri (Hurst 2007).