Natuurkundige Frans Saris bedacht een experiment om zijn dementerende vrouw te helpen: ‘knuffelhormoon’ door haar havermoutpap roeren. De geneeskunde krijgt steeds meer interesse in zulke studies, die zich op één patiënt richten.

Het is september 2003. Natuurkundige Frans Saris is op het bruiloftsfeest van zijn jongste zoon. Tussen de pratende en lachende gasten kijkt hij naar zijn vrouw. Er is iets aan de hand. Al een tijdje. Aan het eind van de avond zegt hij tegen zijn oudste zoon: ‘Het gaat niet goed met Pien.’ Zijn zoon antwoordt: ‘Ik ben blij dat je het zegt, want ik maak me ook zorgen. Ze is aan het dementeren.’ ‘Nee’, zegt Saris. ‘Dat is het niet.’

Ze zijn al bijna vijftig jaar samen. Frans, dan nog hoogleraar duurzame energie en decaan van de faculteit wiskunde en natuurwetenschappen in Leiden en zijn Pien, docent Engels. Zij – nieuwsgierig, stralend, creatief – is de liefde van zijn leven. Maar haar vrolijke karakter verandert. Alles lijkt moeizamer te gaan. Om haar af te leiden, koopt Frans een camper. Samen reizen ze langs de hele noordelijke kust van de Middellandse Zee. Totdat het niet meer gaat. Pien kan de dag niet meer overzien. Elke ochtend slaat de paniek toe. Het lukt haar niet meer om het leven te organiseren. Opstaan, aankleden, boodschappen doen, eten koken: al die eerder zo gewone, dagelijkse handelingen zijn opeens ingewikkeld geworden.

Er volgt onderzoek in het ziekenhuis. Een MRI-scan wijst uit dat het mis is. Er ontbreken allerlei neurologische verbindingen in het brein. De neuroloog wil meer onderzoek doen om te weten te komen of het alzheimer is of toch een andere vorm van dementie. Nee, dank u, zegt Frans Saris. Daar wil hij zijn vrouw niet mee confronteren. Deze intelligente, krachtige, onafhankelijke vrouw wil hij niet verder pijnigen. Een geneesmiddel is er toch niet. Het woord dementie wordt nooit uitgesproken. Onderling hebben ze het over ‘een beschadiging van de hersenen’. Dat is erg genoeg.

De dagelijkse stress wordt steeds groter bij Pien. Ze verzet zich tegen haar ziekte. Soms brult ze door de kamer: ‘Ik ben dood!’ Er zijn pillen nodig om haar te kalmeren. Vier stuks oxazepam per dag. Als ze ’s nachts te onrustig is, houdt Frans haar in zijn armen. Geen moment overweegt hij om haar in een verpleeghuis te laten opnemen. In plaats daarvan huurt hij vier zorgverleners in, die om beurten voor haar zorgen. Zoals Glory, een Nigeriaanse vluchtelinge, die zijn vrouw kan verleiden om de salsa met haar te dansen. En de Marokkaanse Esma, die haar eindeloos knuffelt. Het zet de wetenschapper in Saris aan het denken. Misschien, peinst hij, hebben patiënten met dementie wel een tekort aan het ‘knuffelhormoon’ oxytocine, het stofje in de hersenen dat voor gevoelens van vertrouwen en verbondenheid zorgt. De ziekte genezen kan niet. Maar als hij oxytocine kan toedienen, zou zijn vrouw dan minder last hebben van die verschrikkelijke stress?

Aliëtte Jonkers is medisch journalist. Ze schrijft interviews, achtergrondartikelen en columns. De gezondheidszorg is haar specialiteit, maar ze houdt ook érg van human interest. En van katten, natuurlijk.