‘Kom in Nederland wonen. Kom bij mij, je kan daar studeren.’ Steven was een bijzonder normale man. Ik was al vergeten wat normaal betekende.

STEUN RO

De oorlog was een jaar aan de gang en de herinneringen aan ‘gewone’ tijden waren vervaagd. Elf maanden en twee dagen was ik toen op de vlucht. Het was alweer einde winter. De kansen dat ik terug naar Sarajevo kon, slonken met de dag. Steven nam me mee naar een chique restaurant in Zagreb. De hele avond kan ik me niet meer herinneren, maar aan het eind bestelden wij een cappuccino. Die kwam zonder een lepeltje. De situatie in Kroatië was vanwege de oorlog zo gespannen, dat een normale reactie op een ontbrekend lepeltje was om de ober grondig uit te schelden. Maar Steven maakte een gebaar met zijn hoofd als teken dat hij het lepeltje niet miste. Hij likte zijn vinger af en roerde de cappuccino ermee. Ik was op slag verliefd. Hij was buitengewoon ‘gewoon’ en ik, waarschijnlijk, gewoon ‘anders’.

‘En als je volgende maand naar Nederland komt dan ben je er precies op Koninginnedag. Het is de feestelijkste dag ter wereld.’

Steven was 34, gescheiden, met een kind. Ik was 22 en had niets te verliezen. De daarop volgende dagen heb ik doorgebracht in de telefooncel voor ons huis, want in het studenten-onderkomen waar ik met mijn moeder en broer zat was geen telefoon. Buiten sneeuwde het. In de telefooncel tekende ik hartjes en huisjes op de door mijn eigen adem bewasemde ruiten. Ik kon eindeloos naar zijn verhalen over het normale leven luisteren. Steven herinnerde me aan het leven dat ik miste. En aan mijn vader die nog in Sarajevo was.

Toen mijn moeder hoorde dat ik naar Nederland ging en ook nog binnen een paar weken raakte zij in paniek.

‘Hoezo Nederland opeens? Wie is in godsnaam Steven? En waarom ga je nu zo snel?’

Mijn antwoord: ’Koninginnedag is eind april en daar moet ik bij zijn.’ maakte dat ze alleen nog meer in paniek raakte.

‘Koninginnedag? Welke koningin is dat? Waarom is die plotseling belangrijk?’

__________________

‘Nee, sorry mijn schatje, het nieuwe huis is gewoon te klein. Er moet nog zo veel worden uitgepakt en het valt nergens op te bergen. We kunnen gewoon niet wachten tot Koningsdag. Deze week moet het allemaal weg. Vandaag het liefst. Alle uitgelezen boeken en speelgoed waar niet meer mee gespeeld wordt plus kleding gaan naar Vluchtelingenwerk´, zei ik tegen mijn zoon.

‘Maar wat gaan we met Koningsdag doen?’

Mijn zoon was van plan om het met de jongens uit de klas te verkopen.

‘Kom op mam, we kunnen er wel voor een maandje omheen lopen. Het is Koningsdag! Het is maar een keer per jaar!.’

´Maak één doos vol met de spullen die je wilt verkopen, daar kunnen we wel voor een maand omheen lopen, maar de rest gaat naar de Syriërs!’ Er werd zeer voorzichtig gekeurd en gemeten wat er in die Koningsdag doos paste. Ik keek om me heen, hoe is het me gelukt om in vijfentwintig jaar zoveel rotzooi te verzamelen? Er zijn alleen al vijftien dozen waar ‘keuken’ op staat. Bizar veel voor iemand die zo minimaal kookt.

__________________

De Immigratie-afdeling van Schiphol was verlaten. Steven wachtte buiten op mij. Ik stond met mijn tas in een kamertje met drie grote donkerkleurige jongens van mijn leeftijd. Ik werd gemeten, mijn vingerafdrukken genomen, formulieren ingevuld. De drie jongens zaten geduldig te wachten. Niemand wachtte op hen en ze kregen geen aandacht. Naast hen lagen zes gigantische koffers met plastic band bij elkaar gehouden. Een van de jongens bood me snoep aan. Ik hoefde niet. ‘Hoezo heb je maar een klein tasje? Komt er nog meer aan?’ Precies een jaar hiervoor had ik mijn thuis in Sarajevo verlaten. Maar een week voor dat vertrek kwam ik terug van een skivakantie met vrienden. Die bewuste ochtend van vertrek heb ik de skischoenentas leeg gemaakt, en wat ondergoed en een paar vesten erin gegooid. Meer had ik niet nodig, dacht ik, want ik zou maar voor een week weg gaan tot de spanningen waren afgenomen. Nu staat diezelfde tas, een jaar later, naast mij in Nederland.

‘Nee, alles zit in deze tas.’

‘Wat kom je in Nederland doen?’

Ik zei dat ik verliefd was. Maar ook dat ik kwam studeren. En dat ik eigenlijk een vluchteling was. Een van de jongens lachte nerveus:

‘En wij komen speciaal voor Koninginnedag.’

Alle drie barsten in het lachen.

‘Ik kom ook voor de Koninginnendag!’ riep ik snel.

Die avond ging ik met Steven Den Haag in. Iedereen was op straat aan het zingen, drinken en dansen. Ik was overweldigd. Aan een kant bewonderde ik de vreugde. En tegelijkertijd wilde ik die vrolijke lui door elkaar schudden: Wisten zij dat twee uur vliegen hiervandaan mijn vader, familie, vrienden en alles wat ik kende op ditzelfde moment gebombardeerd werden?

De muziek en het lawaai van de massa waren zo hard dat ik mijn eigen gedachten niet kon horen. Wij werden meegesleept. Steven hield mijn hand vast. Het lukte me om hem een tijdje te volgen, maar al snel was ik zijn hand kwijt. Ik stond alleen voor een restaurant omringd door massa zingende mensen. Alles leek op elkaar, alles oranje. Mensen probeerden me aan het dansen te krijgen. Ik bleef maar verstijfd naar de hysterische massa kijken. Zou ik ooit weer zo ontspannen kunnen zijn?

__________________

‘Mama, gaat die slacentrifuge naar de Syriers of naar Koningsdag?’

‘Die kan naar Koningsdag, schatje.’ Volgens mij hebben Syriers daar ook geen boodschap aan.

‘Super! En wat doen we met mijn boeken? De Syriers spreken nog geen Nederlands. Mag ook één doos met boeken naar Koningsdag?’ waagde mijn zoon verder.

Ik ontplofte zo fel dat ik zelf schrok: ’ze gaan het toch leren! Wat dacht je hoe ik het geleerd heb?’

’Waarom ben je boos, mama, ik vroeg het maar. Geen probleem, de boeken gaan ook naar de vluchtelingen.’

Mijn zoon liep naar zijn nieuwe kamer en ik ging zitten op de ‘keuken’ dozen.

_________________

Steven bleek al een week na Koninginnedag te ‘normaal’ te zijn en ik te ‘anders’. Ik was weer mijn tas aan het inpakken. Steven voelde zich hier heel slecht over:

’Waar ga je heen? Je kent niemand in Nederland. Je kan bij mij blijven tot dat we iets voor je regelen. Een vluchtelingenkamer of zo ’

Ik moest meteen weg. Ik had gehoord dat iemand uit Sarajevo, die ik van vroeger kende, ergens in Rotterdam woonde. ‘Je kan niet zomaar weg. Hoe denk je Rotterdam te bereiken? Wacht ’s even, ik geef je geld voor het treinkaartje.’

Ik was al buiten. Ik zwaaide nog een keer toen ik op straat was.

’Wil je dat ik me schuldig voel of zo? Nee, ik voel me niet schuldig.’

Het was zonnig. Achter mij hoorde ik Steven roepen:

‘Het verbaast mij niet dat jullie daar een oorlog hebben.’

De nacht die ik doorbracht in een park in Den Haag werd een week. Ik ontmoette Dirk, een dakloze man die in Shakespeareanse verzen sprak. Hij vertelde me verhalen over hoe Nederlanders met de zee vochten en hoe belangrijk de taal is. Om het uur leerde ik een nieuw woord in het Nederlands, ’Zonder taal ben je niemand!!’ herhaalde hij na elk nieuw woord. Dirk zorgde er ook voor dat ik twee keer per dag te eten had. Mijn belangrijkste zorg was dat mijn ouders niet te weten kwamen dat ik op straat bivakkeerde. Zij hadden genoeg eigen problemen.

Van het geld dat ik nog had belde ik mijn moeder in Zagreb. We hadden de afspraak dat ik haar een keer per week op een vaste tijd zou bellen in de telefooncel voor onze flat. Ik vertelde aan mijn moeder over het normale leven in Den Haag. Dat ik Nederlands aan het leren was met een inspirerende leraar die Dirk heette. Dat ik veel wandelde. Ik beschreef de eendjes in het park die overal vrij rond liepen, onbezorgde mensen die van de zon genoten. Mijn moeder smulde van mijn verhalen en ik vertelde maar door.

‘En hoe was Koninginnedag, mijn schatje?’

‘Het was ongelooflijk. Ik wist niet dat zoiets bestond. Overal muziek en blijdschap, zingen en dansen, iedereen dronken en oranje. Op straat verkocht men allemaal rotzooi uit hun huis. Voor de leuk en niet zozeer om geld te verdienen. Elk jaar doen ze dat hier.’

Mijn moeder was blij dat ik een goed besluit genomen had.

_________________

‘Mam, hier zijn de twee dozen vol voor Koningsdag. De rest is voor de vluchtelingen. Ik ga buiten voetballen. Iedereen is al in het park.’

De nieuwe kamer van mijn zoon was breed en licht. Hij zou het hier fijn hebben. In de hoek van zijn kamer stond een kleine groene tas met SALOMON erop. Ik wist niet dat ik die nog had. De tas waar ik zesentwintig jaar geleden mijn skischoenen uithaalde en voor altijd mee wegging. Aan het handvat zat een plastic sticker met daarop mijn naam en mijn adres in Sarajevo.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -