In de serie Kort van Stof publiceren toonaangevende schrijvers een nieuw, ongepubliceerd kort verhaal. Dichteres Sylvie Marie, van wie vorig jaar de bundel ‘Altijd een raam’ verscheen, werkt aan een serie korte verhalen rondom een ruimte. ‘Het doet me nadenken over hoe schuldig ruimtes kunnen zijn aan de vreugde en het verdriet van hun bewoners en bezoekers.’

STEUN RO

‘Sylvie Marie (1984) is een dichter die het geluk niet schuwt – omdat ze het niet helemaal lijkt te vertrouwen,’ melde het jury rapport van de J.C. Bloemprijs bij de nominatie van haar tweede bundel 'Toen je mij ten huwelijk vroeg'. Een vreemde paradox, maar treffend voor haar verwonderde poëzie, die een ogenschijnlijk kinderlijke eenvoud van waarnemen vermengt met even scherpe als onverwachte tekstuele wendingen. In de recente bundel 'Altijd een raam' wordt het perspectief van dit waarnemen bepaald door vensterglas, waarbij we beurtelings van binnen naar buiten schouwen, en van buiten naar binnen.

Ruimte waarin mensen verblijven speelt ook een cruciale rol in een reeks verhalen waar ze aan werkt, en waarvan 'Ruim' er een van is. ‘Het lijkt me erg boeiend om te onderzoeken welke invloed een bepaalde omgeving of setting heeft op de beslissingen die iemand neemt,' aldus Sylvie Marie. 'Laat iemand dingen aan zichzelf voorbijgaan vanwege de dwingende blik van een boom in zijn vizier? Gooit iemand zijn leven om bij de aanblik van een piekfijn op orde gezet huis? En wat als anderen in iemands omgeving binnendringen? Aan de ene kant ga ik op zoek naar uitdagende locaties over de hele wereld, een zelfmoordbos in Japan, een nucleaire spookstad in Oekraïne, maar ik vraag me ook af wat een standaard woonkamer met een mens doet. Het doet me nadenken over hoe schuldig ruimtes kunnen zijn aan de vreugde en het verdriet van hun bewoners en bezoekers.'

RUIM

Al had altijd gezegd dat Mary terug zou komen. 'Let op mijn woorden', zei hij, 'een dochter keert altijd terug naar haar moeder.' Hij had gelijk gekregen. Maar hij had niet gezegd dat Mary met een hele cameraploeg voor de deur zou staan.

Toen Liz opendeed, zette Mary een stap achteruit. Liz stapte daarop automatisch naar voren – het leek wel een dans – en raakte verblind door de zon die fel in haar ogen scheen. Met haar volle gewicht wierp ze zich daarop om de hals van haar dochter, alsof ze door het zonlicht murw geslagen werd, en ze huilde met lange halen. Pas toen ze eindelijk bekomen was, zich van Mary losmaakte – eigenlijk maakte Mary zich los van haar, dat zag je later op de beelden – en weer helderder zag, merkte Liz de camera’s op, evenals Mary's man, Tom, die ze zich beter leek te herinneren dan gedacht. En ook het kind dat krampachtig de hand van Tom vasthield en zich half achter zijn been had verscholen. Het keek schuchter in haar richting. Helderblauwe ogen. Dezelfde neus en mond. Er liep een siddering over Liz' rug en haar ogen schoten terug naar Mary. Die knikte alsof ze had begrepen wat Liz gezien had. Dit kind, deze kleine jongen, was Al. Ten voeten uit.

*

Een psycholoog, een presentator, een scenarist, twee cameramannen, een geluidstechnicus en een team van vier puinruimers, Liz wist niet of ze de hele bende erbij wilde nemen. Waarom waren Mary, Tom en de kleine Luke niet gewoon alleen gekomen? Ja, ze was ontzettend blij hen na drie jaar terug te zien en ja, haar huis was haar trots, maar diep in haar welde ook schaamte op bij het idee dat al die vreemde mensen het zouden betreden. Ze voelde schaamte om op tv te komen, de tv waarnaar ze zelf al jaren niet meer gekeken had omdat die onbereikbaar was geworden door de stapels spullen die de weg ernaartoe versperden en het zicht op het beeldscherm belemmerden. Ze voelde schaamte om de gordijnen weer te openen, naar buiten te komen en te merken hoe alles wel en niet veranderd was. En bovenal: ze voelde schaamte om daarbinnen te gaan graven. Want misschien, en ook dat was een vonk die ze diep in haar hersenkronkels voelde, zou ze Al zo voor het hoofd stoten.

'Al veertien jaar woont deze vrouw geïsoleerd van de buitenwereld', zei de presentator. Hij baande zich een weg door het huis met een cameraman in zijn kielzog en keek tijdens zijn uitleg regelmatig eens over zijn schouder, in het oog van de camera. 'Drie jaar geleden verbrak haar dochter Mary alle contact, maar vandaag…'

In feite wurmde Liz zich slechts door de gangen die Al vrij had willen geven. Het waren tunnels gevormd door spullen die tot aan het plafond reikten en vervaarlijk naar beneden overhelden. Regelmatig stortte een van de gangen in. Dat gebeurde zomaar, terwijl ze niet eens in de buurt was. Ze verdacht muizen ervan de boel uit evenwicht te brengen, want tocht was er nauwelijks in het huis. Bovendien had ze al meerdere keren keutels aangetroffen in de gangen. Fut om op de muizen te jagen, had Liz niet. Laat staan dat ze wist waar haar muizenvallen stonden. Dus liet ze het maar zo. Soms ook stortte een stapel de diepte in omdat zij zelf iets uit de spullenmuur had willen trekken. Een tijdschrift, iets waarvan ze dacht dat ze het nodig had, een glimp van Al.

En Al was overal. In de bergen kleren en dekens die al jaren bezit hadden genomen van haar slaapkamer; in de stapels paperassen in de gang; in de bakken langspeelplaten op de overloop, in de duizenden popjes en beeldjes in de woonkamer die ze zo graag had verzameld toen ze nog rommelmarkten afschuimde; in de oude elektronica, variërend van mixers tot radio's, die de keuken onbegaanbaar maakte; en ja, zelfs in alle afval die zich in de loop der tijd zowat overal in het huis had opgehoopt.

*

Terwijl een man met koptelefoon een lange stok met daaraan een grote, harige microfoon boven hun hoofden liet zweven, had Liz aan een tafel buiten een gesprek met de psycholoog. Die vroeg haar voortdurend naar wat er veertien jaar geleden met Al gebeurd was. Mary zat er ook bij en die bleef almaar zeggen: 'Stel me niet teleur' en 'Dit is je kans'. Liz schudde van nee en klemde haar lippen op elkaar alsof ze wilde zeggen dat ze het zo belangrijk niet vond. Maar in werkelijkheid wist Liz niet waarover ze het hadden. Ze moesten maar zo snel mogelijk weer naar binnen zien te geraken. Al kon hen toch zelf te woord staan? 'Vraag het hém!' riep ze uiteindelijk. 'Vraag het hém!' De camera registreerde haar glazige blik.

In feite was Liz zo overdonderd dat ze zich maar half bewust was van wat er gebeurde toen even later een grote vrachtwagen een container voor het huis parkeerde en de puinruimers met vuilniszakken het huis betraden. Samen met de psychologe zat ze in een van de gangen. Heel voorzichtig reikte de vrouw haar spullen aan en besprak met Liz wat ermee moest gebeuren. Liz had het moeilijk, het leek alsof haar hersenkronkels verstopt raakten van alle prikkels die de spullen bij haar opriepen. Zo veel herinneringen tegelijk terugzien was veel. Bovendien hoorde ze een steeds afgelijnder gebrom tussen haar oren en ze wist maar al te goed van wie die geluiden afkomstig waren. Af en toe sloeg ze schichtig haar ogen opzij alsof ze iemand achter zich voelde naderen. De psychologe deed alsof ze het niet zag en reikte haar steeds weer nieuwe, oude dingen aan.

*

'Wat een boeltje', zei de presentator nadat hij over een oude wasmand was gestruikeld. Secuur borstelde hij in het zicht van de camera's zijn beide knieën af. Liz zuchtte. Over heel veel zaken werd niet eens haar mening gevraagd. Het betrof reclamefolders, oude kranten, defecte toestellen, gratis monsters en staaltjes, plastic zakken en verpakkingen maar ook het afval. Lege pizzadozen, conservenblikken en ander vuilnis dat zich in de jaren tussen de spullen had opgestapeld en nu, bij het ontmantelen van de kamers, een zodanig beklemmende stank verspreidde dat het team al vrij snel besliste om witte pakken aan te trekken en mondmaskers op te zetten. Oké, op een bepaald moment moet Liz inderdaad gestopt zijn met het afval apart te verzamelen, dat beseft ze nu, maar hoe ze ook haar best deed, ze kon niet meer bedenken wanneer dat precies was gebeurd. Het team kieperde het vuil zonder nadenken in grote, zwarte zakken. Die werden, als ze vol waren, op hun beurt in de container gegooid.

*

Toen de woonkamer bijna voor de helft spullenvrij was geworden, hoorden ze plots gepiep. Het kwam uit de hoek waar het dressoir verscholen stond. Liz, die bezig was met het uitkiezen van de popjes die ze echt nog wilde houden en daardoor kromgebogen stond, richtte zich met een ruk op. Haar grijze haren glommen in het zonlicht.

'Al!' riep Liz. 'Al!'

Een camera zoomde in op haar heen en weer schietende ogen. Er parelden zweetdruppels tussen haar neus en mond. Even bewogen de lippen van de psychologe alsof ze Liz een repliek zou geven, maar een puinruimer was sneller.

'Daar heb je ze, de boosdoeners', zei hij. 'Ik haal het nodige.'

Liz was in shock. 'Al!' riep ze.

'Mary!' riep de psychologe instinctief.

Mary, die buiten –  in het zicht van de andere camera – verstild was geraakt toen ze een oud fotoalbum had gevonden en het niet had kunnen laten het te doorbladeren, rende naar binnen. Ze zag haar moeder trillen en liep op haar af. Zonder aarzelen trok ze de vrouw tegen zich aan. Het zweet en de geur van Liz' vieze kleren drongen door tot op haar eigen huid. Ook Mary huiverde. Van beide kanten werd de omhelzing gefilmd.

'Waarom ben je teruggekomen?' vroeg Liz plots.

Mary begon te huilen.

'Waarom ben je teruggekomen?' herhaalde Liz.

'Omdat,' zei Mary. 'Voor jou.'

Ze stonden nog steeds tegen elkaar aan gedrukt. Liz hoorde Al kermen. 'Maar ze mogen hem niet pakken,' riep ze.

'Dat gaan ze nooit doen,' zei Mary. 'Dat gaan ze nooit doen!'

'Ach, we vangen hem gewoon en laten hem dan weer los in de natuur,' zei de puinruimer die intussen terug was gekomen met een muisvriendelijke val.

Liz keek de man aan die tegen het licht stond van een raam dat al veel te lang gesloten was geweest. Ze moest even met haar ogen knipperen.

*

Weken later, toen psycholoog, presentator, scenarist, cameraman, geluidstechnicus en het hele puinruimersteam al lang waren verdwenen, betastte Liz regelmatig de muren van haar ruim. Ze liet haar handen glijden over de groeven en de oneffenheden, de nog vochtige plekken hier en daar en het afbladderend behang dat haar dochter een dezer zou komen vervangen. Dan zweeg ze, sloot haar ogen en luisterde aandachtig. Nooit hoorde ze iets, maar toch bleef ze het doen. Ze moest zeker zijn, ze moest het absoluut zeker kunnen weten. En er kwam niets.

En op een avond, toen het windstil was, geen auto in de straat, de vogels in de bomen zwijgzaam waren en zij haar oren had gespitst, fluisterde ze bijna onhoorbaar de naam van haar man. 'Alfred',  zei ze. 'Alfred.' Steeds luider en beslister. En toen, nadat de stilte was weergekeerd en opnieuw helemaal was ingedaald, zei ze: 'Alfred en Elisabeth.' Ze slaakte een zucht. Het leek eeuwen geleden dat ze haar eigen naam en die van haar man nog eens voluit had uitgesproken.

 © Sylvie Marie