Dat Nederlanders hun vaardigheid in het Engels overschatten, zoals ik in Vrij Nederland schreef, wil er bij Milfje niet in. Maar goed argumenteren blijkt ook een vak.

STEUN RO

Oef, was dat schrikken: “In dit stuk staan minstens twee academische doodzonden”, werd mij in vette letters aangewreven door Sterre Leufkens en Marten van der Meulen over mijn “feitenvrije” Vrij Nederland-artikel getiteld Nederlanders, dweep toch niet zo met dat Engels. Over de auteurs, die opereren onder de nom de plume Milfje Meulskens, komen we niets meer te weten dan dat ze “het mateloos interessant” vinden “om te kijken hoe taal gebruikt wordt, in een krant en in de boeketreeks, op straat en in de rechtzaal [sic]”, maar ik vermoed dat ze iets op een universiteit doen bij argumentatieleer of zo.

Onder de snijdende kop Nederlanders slecht in Engels? De anekdote regeert breekt Milfje de staf over mijn armzalig schrijfsel. Maar zonder me tot een slappe jij-bak te willen verlagen: ze maakt al in de kop (en ook in de rest; beoordeel een stuk nooit, nooit alleen op de kop, die is meestal niet door de auteur geschreven) een kapitale blunder. In mijn stuk staat namelijk helemaal niet dat Nederlanders slecht in Engels zijn, het wordt niet eens gesuggereerd en ik zou dat ook niet willen. Wat er staat is dat Nederlanders geneigd zijn hun kennis van het Engels te overschatten – ongeacht hun objectieve niveau. Ik durf zelfs wel te beweren dat juist diegenen die meer dan gemiddeld vertrouwd zijn met het Engels van zichzelf de hoogste pet ophebben, wellicht tot Frans Timmermans toe.

Klassieke drogreden

Milfje bezondigt zich aan een klassieke drogreden, de stroman: schuif iemand een bewering in de schoenen die hij niet doet, ga die bewering met veel kabaal te lijf en eindig met een triomfantelijk “zie je wel!” Met die stroman valt Milfjes hele verhaal in duigen, inclusief het verwijt dat ik geen bewijs lever voor de stelling dat Nederlanders slecht in Engels zijn. Natuurlijk niet, het is immers mijn stelling niet.

Ook op andere manieren maakt Milfje er een rommeltje van. Ik zou de stelling “Nederlanders kunnen helemaal niet moeiteloos Engels spreken” uit de intro niet met argumenten staven (Ook die intro was van de hand van de redactie. Dat is meestal zo: beoordeel nooit, nooit een artikel op de intro.) Maar dat mensen behalve door ingrijpen van de Heere God zelve met Pinksteren nooit zomaar vanzelf vreemde talen kunnen spreken, is een dijk van een ervaringsfeit. Hier probeert Milfje opnieuw haar lezers een kunstje te flikken, door met veel wetenschapperige poeha eisen dat je niets mag beweren of opperen zonder sluitend bewijs – en daarmee bedoelt ze empirisch bewijs, met metingen en representatieve steekproeven en p-waardes en zo.

Ervaringsfeit

Dat is een onzinnige eis.  Ten eerste is maar zo weinig empirisch bewezen dat nagenoeg geen enkele discussie meer mogelijk zou zijn. Ten tweede geldt empirisch bewijs ook maar voor zo lang als het duurt (nee, dat is niet hetzelfde als “wetenschap is ook maar een mening”, het is zelfs geen relativisme. Empirisch bewijs is alleen geen onfeilbare bijbelse waarheid, maar een proeve van “voor zover we nu weten”).  Ten derde zijn veel ervaringsfeiten helemaal niet te bewijzen. Neem “parket is warmer aan de voeten dan plavuizen”. Je kunt dat wel verklaren (steen geleidt warmte beter dan hout), maar daarmee is het gevoel niet bewezen. Ten vierde zijn nogal wat ervaringsfeiten empirisch bewezen onzin, maar daarom niet minder “waar”. De zon gaat bijvoorbeeld helemaal niet onder, maar zelfs als we dat weten, ervaren we het toch zo.

Verder voer ik volgens Milfje een anekdote over een PvdA-bijeenkomt van lang geleden op als “bewijs”. Ook dat is onjuist, ik geef het verhaal als voorbeeld van het zonderlinge ervaringsfeit dat Nederlanders elkaar op bijeenkomsten zonder goede reden massaal op steenkolenengels vergasten.

Downton Abbey

En dan zou zou ik mij ook nog aan “anekdotisch bewijs” bezondigen. Ik zou namelijk stellen of op zijn minst de indruk wekken dat “de jeugd geen normen en waarden meer heeft” omdat “er één jongere een e-mail onbeleefd aanheft”. Wat een misselijke verdraaiing van de feiten. De enige jeugd die ik noem is die van vijftig jaar geleden, in een heel ander verband.  Wat er wel staat, is dat het van meer praktisch belang is om, als je in het Engels correspondeert, te weten hoe je je brief begint en eindigt, dan hoe in Downton Abbey de butler wordt geadresseerd – en dat het aan die kennis in Nederland schort.

Enfin, de rest laat ik maar zitten. “Zo doe je dat in de wetenschap” begint bij goed lezen, Milfje.

Taalkundige, schrijver, vertaler en wetenschapsjournalist @rik_smits_ @RikSmitsAuthor