Journalist Anouk Kemper (1986) kreeg begin dit jaar een miskraam. Daar hoor ik niet over te praten, dacht ze. En meteen daarna: onzin, het overkomt zó veel vrouwen: laten we het er gewoon over hebben. Maar zo gewoon blijkt dat niet.

Koud terug van vakantie en bijna twaalf weken zwanger krijg ik een echo. Mijn vriend en ik kijken nieuwsgierig naar het scherm. De echoscopist is net te lang stil. “Ik heb slecht nieuws”, zegt ze. “Het kindje is in de negende week overleden.” Het verdriet valt als een zware deken over ons heen. ’s Avond drinken mijn vriend en ik een fles wijn leeg. Je moet wat, zo tussen het huilen door. De volgende dag ga ik naar mijn werk, wetend dat er iets doods in mijn lijf zit wat er nog uit moet (daarover later meer). Ik heb het er verder niet over. In plaats daarvan vertel ik semi-enthousiast over onze vakantie in Zuid-Afrika.

Miskramen doe je maar thuis
Als meisje krijg je twee dingen mee als het gaat om kinderen krijgen: pas op dat je niet zwanger raakt, en twee, als je later eenmaal kinderen hebt is je oude leven voorbij. Dat zwanger worden én blijven misschien niet zo makkelijk gaat, daar hoor je weinig over. Niet op school, niet op televisie en in de meeste gevallen ook niet van je moeder.

Dus toen ik begin dit jaar een miskraam kreeg was ik daar eigenlijk niet op voorbereid. Natuurlijk kende ik de statistieken wel – één op de vijf vrouwen krijgt een miskraam, vanaf 35 jaar is die kans zelfs één op vier – maar ik nam ze niet serieus.

Het gaat alleen mis in slechte films. Labiele vrouw krijgt buikpijn, stort huilend ter aarde en ontdekt rode vlek in broek. Fade to black.