Al decennia lang pleiten onderwijsvernieuwers voor meer autonomie en vrijheid voor leerlingen. Die beweging kan nog altijd rekenen op weerstand. Sommige scholen wegen leerdoelen heel anders af dan de maatschappij dat doet. Hoe ga je daar als school mee om? Denk niet in of-of, maar en-en, tippen ervaren onderwijsvernieuwers.

STEUN RO

‘Veredelde speeltuinen’. Die spottende beschrijving kregen Iederwijs scholen aan het begin van deze eeuw vaak naar hun hoofd geslingerd. Het in 2002 gelanceerde nieuwe onderwijsconcept behandelde leerlingen en leraren als gelijkwaardig en liet hen samen de regels bepalen. Een kind kon elke dag zelf uitmaken wat er op het eigen programma stond. Die insteek was natuurlijk niet helemaal nieuw. Onderwijsconcepten van Montessori, Dalton, Jenaplan en Vrije Scholen waren al gewend meer keuzevrijheid te geven aan leerlingen. Rond de opkomst van Iederwijs werd er bovendien veel gesproken over meer leerlinggericht onderwijs onder de noemer ‘Het Nieuwe Leren’, beschrijft Astrid Schutte in haar boek De Gelukkige School, hoe Iederwijs opnieuw het onderwijs wilde uitvinden. Maar Iederwijs was volgens Schutte wel ‘het radicaalste concept dat de onderwijsinspectie ooit had meegemaakt.’ Dat trok dus de nodige aandacht. Ook van critici en politici. De Iederwijs-scholen, die zonder reguliere bekostiging al hard moesten werken aan een succesvolle start, moesten zich daarnaast bezighouden met rechtszaken, inspectiebezoeken en kritische journalisten, reconstrueert Schutte. Zo weken sommige idealen voor compromissen en verlieten sommige leerlingen de school omdat er niet genoeg vakbekwame leerkrachten werden aangetrokken. De maatschappelijke positie van Iederwijs van destijds is terug te zien in het discussieprogramma Rondom 10 uit 2005. Gasten lachen hardop over kinderen van tien die nog niet kunnen lezen omdat ze op school de hele dag op een trampoline springen. Dat het er zo echt niet aan toe gaat op haar school, krijgt Yolanda Eijgenstein, oprichter van Iederwijs, nauwelijks verteld. Ze wordt overstemd door de kritische columnist Henk Spaan en een docente Nederlands die zegt dat kinderen sommige dingen nou eenmaal op een bepaalde leeftijd móeten leren van een professional. “Je kunt kinderen niet aan hun lot overlaten. Ouders willen waar voor hun geld.”

Onderwijsdoelen

Het blijft niet bij kritiek. Uiteindelijk sluiten alle Iederwijs-scholen hun deuren of stappen over op een ander onderwijsconcept. Bewijs van falen? Schutte onderstreept dat Iederwijs-leerlingen vaak wel goed terecht zijn gekomen. Dat laat volgens haar zien dat ‘een door leerkracht gestuurd aanbod, dat voor alle kinderen hetzelfde is, onderwijs volgen in jaarklassen en een sterke focus op prestaties niet zulke vanzelfsprekende randvoorwaarden zijn als sommige mensen denken.”

Wat de randvoorwaarden van onderwijs wél zijn hangt af van de doelen die je voor ogen hebt. Daar bestaan er in het onderwijs heel veel van. De Onderwijsraad en het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling SLO hanteren allebei meer dan honderd ‘kerndoelen’ en die zijn volgens allebei de instanties ook nog  eens verschillend.  Een grove opdeling van al die kerndoelen eindigt vaak in drieën: op scholen, of het nou om primair, middelbaar, hoger- of beroepsonderwijs gaat -is het de bedoeling dat een leerling 1:  een diploma haalt, 2: leert meedoen in de maatschappij en 3: zich persoonlijk ontwikkelt. Die doelen worden ook wel gekoppeld aan verschillende partijen met eigen belangen. De arbeidsmarkt wil graag gediplomeerde werknemers, de maatschappij wil goed opgevoede medeburgers en ouders en kinderen zetten graag persoonlijke ontwikkeling op één. Maar de verschillende belangen schuren ook bínnen die partijen. Tegenwoordig willen werkgevers maar wat graag werknemers die naast de kennis en vaardigheden van een schooldiploma ook zelf hebben leren beslissen, intrinsiek gemotiveerd zijn, creatief kunnen denken en zich verantwoordelijk voelen. Ouders willen bovendien dat hun kind een diploma haalt dat aansluit op vervolgonderwijs of op de arbeidsmarkt.

Iederwijs richt zich vooral op het derde doel: persoonlijke ontwikkeling. De andere twee doelen liggen daarvan in het verlengde. Die nadruk op persoonlijke ontwikkeling is in het onderwijs altijd in golfbewegingen gekomen. Of het nou gebeurde onder de noemer Homo Ludens, bildung, Het Nieuwe Leren of de Leerling Centraal,  al vanaf het begin van de vorige eeuw klinken er geluiden om het reguliere onderwijs aan te passen. Dat traditionele onderwijs zou immers nog uit de industriële revolutie stammen en kinderen als op een lopende band in hetzelfde tempo door de lesstof laten lopen. Maria Montessori gaf al in 1909 haar eerste cursus aan docenten over het belang van autonomie en zelfmotivatie van kinderen. Die focus op het derde doel, persoonlijke ontwikkeling, zien we nu terug in wat we noemen ‘leerlinggericht onderwijs’. Diploma’s en maatschappelijke vorming zijn misschien wel belangrijk, maar niet ieder kind hoeft precies hetzelfde hoeft te worden en te kunnen. Kijk en luister liever naar elke individuele leerling om te zien wat die op dat moment nodig heeft.

Het kind of de lesstof

Anno 2017 zet de Onderwijsraad letterlijk zijn vraagtekens bij leerlinggericht onderwijs. Een rapport genaamd ‘De Leerling centraal?’ zet leerlinggericht onderwijs tegenover de andere kant van de medaille: leerstofgericht onderwijs. De beschrijving van die twee laat zien dat bovengenoemde leerdoelen er verschillend worden afgewogen. “In leerstofgericht onderwijs gaat het erom dat leerlingen zich bepaalde leerstof – kennis, vaardigheden, houdingen – eigen maken.” Denk aan het halen van diploma’s en maatschappelijke vorming. Die twee moeten, beschrijft het rapport, in leerstofgericht onderwijs van buiten bij het kind naar binnen. Daartegenover staat kindgericht onderwijs. “Kindgericht onderwijs start niet bij de vraag wat er ‘in’ het kind gestopt zou moeten worden, maar bij de vraag wat er ‘vanuit’ het kind tot ontwikkeling of bloei of groei gebracht kan worden.” Hier wordt het derde doel, de persoonlijke ontwikkeling, dus voorop gesteld.  “Terwijl leerstofgericht onderwijs kan worden gekarakteriseerd als sturend”, gaat de raad verder, “is kind- of leerlinggericht onderwijs zo bezien volgend.” De kindgerichte onderwijsstroming varieert daarbij van oog hebben voor wat kinderen nodig hebben tot de hele regie overlaten aan het kind zelf.  De Raad noemt het voormalige Iederwijs en het huidige antiautoritaire of democratische onderwijs als voorbeeld van onderwijsvormen aan het uiteinde van het leergerichte spectrum.

Tot zover zullen veel kindgerichte onderwijzers het met de beschrijving van de Onderwijsraad eens zijn. Neem een Daltonschool als  Campus Columbus in Heerhugowaard. Die stuurt de leerlingen van 0 tot 12 nadrukkelijk niét, maar wil een ‘open ruimte’ bieden, zonder standaardmethodes of vooraf vastgestelde werkvormen. Directeur Sjef van Wickeren zegt in een eerder interview met Slow Management: “Wij vermijden de situatie waarin je dingen moet doen of laten vanwege een of ander systeem. Dus geen doelen die aan het eind of het jaar moét halen, maar voordoen hoe je met onzekerheden kan omgaan.” Leerkracht Dorien Mosselman benadrukt het belang van kinderen lóslaten: “Als je hen niet serieus neemt en controle wilt blijven uitoefenen, houd je een angstcultuur in stand.”

Maar volgens de Onderwijsraad staat al te kindgericht onderwijs op gespannen voet met andere onderwijsdoelen. Het schuurt bijvoorbeeld tussen enerzijds individuele en anderzijds maatschappelijke en publieke belangen. “Het gaat dan bijvoorbeeld om sociale samenhang, algemeen welzijn en economische groei en welvaart,” schrijft de Raad. Dat stelt grenzen aan een exclusieve gerichtheid op wat leerlingen en hun ouders verlangen. Dus stelt het rapport: “De Onderwijsraad vindt dat als maatschappelijke belangen en individuele belangen botsen, dat het maatschappelijk belang van onderwijs het zwaarst moet wegen.”

Hoe ga je daarmee om als school die toch de persoonlijke ontwikkeling voorop wil stellen? Leerkrachten op Campus Columbus denken natuurlijk óók de maatschappij te dienen door leerlingen op te leiden die niet bang zijn om te falen. Maar of ze dat inderdaad doen en hoe dat er dan uit moet zien, is niet aan hen om te bepalen. De onderwijsinspectie controleert scholen deels aan de hand van adviezen van de Onderwijsraad. Alle scholen moeten aan vooraf vastgestelde randvoorwaarden voldoen. Zeker scholen die regulier bekostigd worden. Democratische scholen – volgens het rapport van de Onderwijsraad een van de meest leerlinggerichtte onderwijsvormen, waar kinderen zelf het schoolbeleid en hun leerdoelen bepalen – zijn sinds 2012 ook regulier bekostigd. Het was na een lange rechtszaak een belangrijke erkenning voor de kindgericht onderwijsvorm, maar ook een die de scholen weer wat strakker aan de band laat lopen. Als het bijvoorbeeld aankomt op eindtoetsen zoals cito, krijgen de zelfbepalende leerlingen nu toch wat moetjes voor hun kiezen.

Paradoxen

Aan die stugge dans van vernieuwende scholen met de maatschappij en het reguliere onderwijssysteem – twee stapjes naar voren, een stapje naar achteren –  zijn ook andere scholen overgeleverd die liever de leerling centraal zetten. Het kostte de Iederwijsscholen uiteindelijk de nek, maar dat kan anders. De Nieuwste School (DNS) in Tilburg, in 2005 opgericht als proeftuin van vereniging Ons Middelbaar Onderwijs, heeft ook moeilijke tijden gekend. Kinderen leren er door eigen onderzoeken op te zetten. Daarbij gebruiken ze ‘denkcircels’ als methode, worden ze begeleid door zowel mentoren als experts en krijgen ze ‘gereedschapslessen’, zoals Engels, Spaans, gecijferdheid en geletterdheid. In 2009 moest de school de deuren bijna sluiten van de overkoepelende vereniging. De eindexamenresultaten en studierendementen van de eerste bovenbouwers bleken niet op het niveau van vergelijkbare scholen. Verontwaardigde ouders, leraren en leerlingen hielden de sluiting tegen, maar daar stond wel wat verandering tegenover.

Ten eerste verhuisde de school in 2012, het oude gebouw bleek veel klachten op te leveren over het leef- en werkklimaat. Verder moest het originele onderwijsconcept licht wijken om de eindexamenresultaten en studierendementen op orde te krijgen. Er kwam in de bovenbouw bijvoorbeeld meer focus op eindexamentraining, iets waar de school in eerste instantie nog van gruwde. Inmiddels is het leerlingenaantal flink gegroeid en vierde DNS in 2016 een jubileum. De school is overeind blijven staan door te denken in paradoxen, beschrijven een mentor en expert in een verslag ter ere van het tienjarig bestaan. Dat zijn dus geen tegenstellingen, maar schíjnbare tegenstellingen. Met tegenstellingen denk je de wereld uit elkaar, maar paradoxen helpen om ‘de wereld bij elkaar te denken’, beschrijft het rapport: ‘En-én keuzes maken in plaats van of-of keuzes’. Een voorbeeld is de schijnbare tegenstelling tussen het eindexamenprogramma en de persoonsontwikkeling van leerlingen. “Een bewezen manier om tot goede eindexamenresultaten te komen is de geijkte lesmethoden volgen die voorschrijven wat wanneer moet worden gedaan. Ofwel, het eindexamenprogramma voorop stellen”, schrijft de school. DNS wil voldoen aan de eisen van de landelijke examens maar tegelijkertijd een sterke nadruk op persoonlijk ontwikkeling niet uit het oog verliezen.

Vervolgonderwijs

Universitair Docent Maaike Koopman bekijkt hoe DNS dat doet. Ze voerde tot twee keer toe een wetenschappelijk onderzoek uit naar de meerwaarde en maatschappelijke behoefte van de DNS-invulling van onderwijs. Volgens Koopman heeft veel van het onderwijsconcept van DNS te maken met ‘diep leren’ of – iets breder – ‘betekenisvol leren’. Dat staat tegenover ‘oppervlakkig leren’: “stampen, herhalen en kennis in kleine stukjes opdelen en in voorgeschreven volgorde tot je nemen.” Dat laatste werkt volgens Koopman ook, maar blijft minder lang hangen. Als je kinderen meer betekenisvol laat nadenken over lesstof –verbindingen leggen tussen vakken, meningen vormen, een voorstelling ervan maken – blijft het geleerde beter hangen en kunnen kinderen dat in nieuwe situaties ook beter toepassen.

Op DNS blijken kinderen het diepe leren goed te ontwikkelen. Ook in hun vervolgonderwijs zijn zij nog relatief veel met diep leren bezig, constateert Koopman. Vergeleken oud-leerlingen van drie andere scholen zijn DNS’ers bovendien meer tevreden over hun vervolgonderwijs, halen ze betere resultaten en schatten ze zichzelf hoger in dan andere leerlingen in ‘brede vaardigheden’, zoals samenwerken, creativiteit en zelfstandig werken. Ze zijn wel minder tevreden met hun eigen niveau van Engels, wiskunde studieplanning en ict-vaardigheden. Docenten uit het vervolgonderwijs vinden dat DNS-leerlingen relatief goed presenteren, reflecteren en, in sommige gevallen, onderzoek doen.

De achterstand die in het eerste onderzoek nog wordt geconstateerd voor vooral VMBO-leerlingen, wordt niet meer gemeten in 2017. Het was volgens Koopman voor DNS even zoeken naar een goede combinatie van een goede voorbereiding op het eindexamen en ruimte voor persoonlijke ontwikkeling, maar dat is volgens haar nu goed gelukt. “Dat kán dus samen”, concludeert ze.

Meer nadruk op betekenisvol leren is volgens Koopman niet voorbehouden aan radicaal nieuwe vormen van onderwijs. In een ander onderzoek zag ze dat kinderen op reguliere scholen in experimentele themaweken of onderzoeksprojecten dezelfde vorm van leren laten zien. “Ook zij gingen relaties leggen, kritisch denken en konden zich een voorstelling maken van wat ze leerden.” Dat soort initiatieven komen volgens Koopman weer vaker voor in het Nederlandse onderwijs. “Nederland is altijd een land geweest met vernieuwende scholen. Daar is nu weer meer ruimte voor dan pakweg tien jaar geleden, toen het onderwijs na de parlementaire enquête van de commissie Dijsselbloem even bang was voor vernieuwing.”

Meer ruimte

Wat hebben leerlingen nodig om veerkrachtig te leren zijn in een snel veranderende wereld? Dat vraagt nu ook de overheid zich af. De Nationale Wetenschapsagenda ‘Op weg naar een veerkrachtige samenleving’ biedt veel ruimte om te experimenteren met onderwijsvernieuwingen, zegt Hanno Ambaum. Hij is de oprichter van het project AC-T, kort voor Academy for Community and Talent. Het is een school waar leerlingen vanuit vmbo, hbo en wo en met alle mogelijke verschillende achtergronden zichzelf klaarstomen voor een diploma. Verschillende partnerscholen leveren leerlingen en docenten en in september gaan de eerste zestig leerlingen een jaar lang van start. De ervaringen uit die proef kunnen alle betrokkenen daarna mee terug nemen naar hun eigen organisaties. Ook de onderwijsinspectie, het ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschap en de lokale gemeente doen mee. Ambaum: “Omdat zij allemaal voelen en zien dat we iets anders moeten gaan doen.” Meerdere elementen laten dat inzicht volgens Ambaum opleven.  “De arbeidsmarkt staat onder druk, de vergrijzing helpt daar weer een handje in mee en vanuit werkgevers en maatschappelijke partijen groeit de roep om meer gelijke kansen los van afkomst, achtergrond en omstandigheden.”

Dat betekent niet dat al het onderwijs persoonlijker moet worden, denkt Ambaum. “Er zijn ook leerlingen die graag in een groepsproces een vooraf vastgesteld programma volgen. Dat maakt niet uit, want zij zullen dat straks in hun werk ook prettig vinden.” Er is volgens Ambaum sowieso niet één manier de beste. “Scholen die het allemaal anders willen zijn soms zo overtuigd van hun eigen gelijk dat ze net zo dogmatisch worden als de club waar ze tegen ageren.”

Dus werkt hij niet los van, maar graag samen met de inspectie. Dat deed hij ook toen hij in 2010  startte met de oprichting van Mijn School. Op de nog altijd bestaande school in Doetinchem kunnen mensen die niet binnen het reguliere onderwijs passen, toch hun MBO-diploma halen. Door zelf te bepalen hoé. Ambaum deed dat destijds expres bínnen de kaders van het traditionele Graafschap College. “Uiteindelijk moeten leerlingen toch aansluiten op de echte wereld.” Zo ontdekte hij dat je best creatief kunt omgaan met de eindexameneisen van de onderwijsinspectie. Als je maar duidelijk kunt uitleggen wat je wil en dat ook goed kunt vastleggen. “De schuld wordt snel bij gelegd bij inspecteurs, hoewel anders organiseren ook zonder inspectie al ingewikkeld is. Om eerlijk te zijn was het bij ons organisatorisch soms ook gewoon een rommeltje.”

Don Quichot

In netwerken bouwen heeft volgens Ambaum de toekomst. “Uiteindelijk moet toch iedereen mee in de verandering. Je kunt mensen die mee willen denken er beter snel bij betrekken dan beginnen aan Don Quichot-achtige windmolenstrategegieën.”

Onderwijsjournalist bij de Correspondent Johannes Visser ziet dat laatste zelfs als schadelijk. In een artikel genaamd Radicaal nieuw onderwijs zit vernieuwing juist in de weg pleit hij nadrukkelijk tégen te radicaal veranderende scholen. Daarmee reageert hij op een lovend artikel van collega-Correspondent Rutger Bregman over de middelbare school Agora. Ook daar beslissen leerlingen vrijwel alles zelf en is gepleit voor een alternatief eindexamen. En dat terwijl de school wel garandeert dat leerlingen hun diploma halen.

Dat vindt Visser kwalijk. “Agora wordt het zoveelste voorbeeld van een school die radicaal ander onderwijs aanbood en vastliep op het eindexamen, met boze ouders en ontgoochelde kinderen tot gevolg”, schrijft hij. “Weer een argument om te zeggen: zie je wel, alles moet bij hetzelfde blijven. Daarmee hindert Agora reguliere scholen die stapje voor stapje werken aan onderwijsvernieuwing zonder het eindexamen uit het oog te verliezen.”

De gevolgen van te radicaal een eigen weg gaan, hebben we misschien zien gebeuren bij de scholen van Iederwijs. Zij kregen de inspectie, ouders en media achter zich aan en slaagden er niet in hen mee te nemen in de vernieuwing. “Iederwijs was niet altijd in staat de woorden te vinden die een buitenstaander nodig heeft om hun andere kijk op onderwijs te begrijpen”, Schrijft Schutte. Zo keerden de oprichters zich in de loop van tijd meer en meer af van de buitenwereld. Schutte: “Een dialoog tussen leerstofgerichte en kindgerichte onderwijsdeskundigen  – grofweg de twee stromingen in onderwijsland – bleef daarmee op een laag pitje.”

Of het nu óndanks of dankzíj de Iederwijs-scholen is, het onderwijssysteem in Nederland lijkt weer een paar stapjes opgeschoven richting een meer kindgerichte aanpak. De laatste onderwijshervorming stelt het lerarenadvies boven de citoscore en de in medio 2016 ingevoerde Wet Bisschop legt de inspectie aan banden. Paul Rosemöller pleit als voorzitter van de VO-raad voor het flexibiliseren van eindexamens, omdat hij socialisatie en persoonlijke ontwikkeling ziet lijden onder de grote aandacht voor examenvoorbereiding, vertelt hij NOS.

Als Iederwijsscholen vandaag zouden worden opgericht, was het ze misschien anders vergaan. Voor nu bieden de ervaringen van de radicale Iederwijs-aanpak belangrijke lessen voor hedendaagse onderwijsvernieuwers en -inspecteurs.

Interviewt mensen die elke dag actief proberen om de samenleving van de toekomst nog wat groener en slimmer in te richten.