In de estafetteserie LEESLINT interviewt de ene schrijver de andere. Tweegesprek tussen de Vlaamse auteur Saskia De Coster, die vorig jaar de BNG Literatuurprijs won, en haar Nederlandse collega Maartje Wortel, die gisteren dezelfde prijs won met haar roman ‘IJstijd’. ‘Ben je beledigd als ik zeg dat ik je een grappige schrijver vind? Is dat maar minnetjes als compliment?’

STEUN RO

Maartje Wortel (1982) is een van de meest originele schrijvers van deze tijd. In december verkozen honderd recensenten, uitgevers en schrijvers haar in de Volkskrant tot literair talent van 2014. Voor haar debuut, de verhalenbundel Dit is jouw huis, kreeg ze de Anton Wachterprijs. Ook haar eerste roman Half mens werd voor diverse prijzen genomineerd. Haar meest recente roman IJstijd, bekroond met de BNG Literatuurprijs, is een boek over de liefde, de literatuur en over identiteit. Bepaal jij wie je bent? Of word je gedefinieerd door de omstandigheden?

Door Saskia De Coster

Ben je beledigd als ik zeg dat ik je een grappige schrijver vind? Is dat maar minnetjes als compliment? Een schrijver wordt geacht een ernstig individu te zijn. Je mag af en toe een grap door je verhalen draaien, maar een humoristische schrijver zal veel minder snel tot de canon verheven worden. Hoe sta jij tegenover humor? En lach jij met scènes of zinssnedes terwijl je ze aan het schrijven bent?

‘Dit zijn meteen heel veel vragen in één! Ik ben niet zo snel beledigd, denk ik. Bovendien kun je alles wat de mensen tegen je zeggen of de manier waarop ze over je schrijven of praten als een compliment opvatten of als iets negatiefs. Een vriendin van mij maakte een documentaire over haar gekke moeder, het was bijna gênant om naar te kijken, maar haar moeder zei na afloop: “Wat een prachtige film. Ik word goed in beeld gebracht.”

Enfin, om evenveel antwoorden te geven als dat er vragen zijn gesteld: Philip Huff zei ooit over mijn werk dat ik vrolijke boeken schrijf voor verdrietige mensen en verdrietige boeken voor vrolijke mensen. Zo is het, denk ik. Ik ben nooit bezig grappig te zijn of grappig te schrijven en ik lach ook niet terwijl ik schrijf. Ik geloof dat ik vooral mensen beschrijf, hoe ze zich gedragen en hoe ze met elkaar omgaan en op welke manier ze de meest lullige, onbeduidende dingen zeggen. Dat is nou eenmaal vaak erg grappig. Toevallig. Omdat mensen erg onhandig zijn in vele opzichten. In mijn nieuwe boek, IJstijd, hoort die manier van praten en vertellen nou eenmaal bij het personage James Dillard. Dat is wat een schrijver moet doen: meegaan met een personage. Als mensen daar minzaam over willen denken, zegt dat veel over die mensen zelf, denk ik. Verder ben ik uiteraard vóór humor en vóór mensen die zichzelf niet al te serieus nemen en: fuck de canon. Als je boeken gaat schrijven om bij een bepaalde groep te horen, schrijf je automatisch slechte boeken – als je het mij vraagt (en je vraagt het me ook.)

Ik ben op een missie. Wij, en met ‘wij’ bedoel ik vrouwelijke zowel als mannelijke schrijvers, wij zijn halve wezen want wij hebben amper literaire moeders terwijl het aan het schrijversfirmament flonkert van de mannen. Mijn missie bestaat erin om iedereen daarmee te confronteren en om een reactie te vragen. Het woord feminisme gebruiken in je antwoord is niet per se een pluspunt, al kan het zeker.

'Ik heb in Nederland zelfs al over je missie gehoord tijdens een chic diner. Tijdens chique diners praten mensen graag over vrouwelijke en mannelijke kwaliteiten en die gesprekken draaien altijd uit op (gesprekken over) seks. Ik denk nooit zo in algemeenheden, maar nu we het er toch over hebben kan ik wel zeggen dat er op dit moment veel meer goede, interessante vrouwelijke schrijvers dan mannelijke schrijvers rondlopen. Vind ik. Je zou, zonder meteen van geslacht te spreken kunnen zeggen: de goede schrijvers nemen het langzaam over.

Mijn literaire moeders zijn: Saskia De Coster (echt! Ik kan me herinneren hoe ik tijdens een treinreis van Amsterdam naar Rotterdam, die een uur duurt, over jouw boek HELD gesproken heb.), Charlotte Mutsaers, Manon Uphoff, Joke van Leeuwen, Anne Vegter, Sanneke van Hassel, Esther Gerritsen, Elke Geurts, Mensje van Keulen, wijlen D. Hooijer. Qua oudere garde Annie MG Schmidt, Hella Haasse. En dan zijn er ook nog veel literaire zusters, zoals Marjolijn van Heemstra, Eva Meijer en, mijn lievelingsauteur, Hanna Bervoets. En dan heb ik het nog niet eens over buitenlandse schrijvers.

Vrouwen gaan zomaar goed, daar hebben ze de mannen niet voor nodig. Het is wel belangrijk dat de discussie gevoerd wordt. Waarom? Omdat het niet altijd vanzelfsprekend is geweest dat vrouwen doen wat ze willen doen en kunnen doen wat ze willen doen. Soms denk ik weleens dat ik, als ik een mannelijke schrijver zou zijn geweest, betere recensies zou krijgen en er niet zo veel mensen zouden vallen over een bepaald soort taalgebruik of voorkomen. Het is me meerdere keren overkomen dat er na een lezing een man naar me toekwam die zei: “Dit is eigenlijk heel goed voor een vrouw.” Waarmee de man in kwestie steevast dacht mij een compliment te maken. In het dagelijks leven vergeet ik vaak dat ik een vrouw ben; ik ben niet met de verschillen bezig en denk niet in termen van “De Man” of “De Vrouw”. Af en toe vraagt een belachelijk standpunt van de ander om een tegengeluid. Mensen die verschillen benadrukken, vragen om verschillen. Dan denk ik: oké, wat je wilt, kun je krijgen, here we come.  Daarom, om het woord feminist te gebruiken: lang leve de feminist! Toch! (en nog bedankt) (en ik denk er verder over na en zet jouw missie voort).’

De stem van een schrijver, letterlijk dan, kan enorm bepalend zijn. Zelf kan ik het werk van een aantal collega’s wiens stem ik ken, niet meer lezen zonder dat ik hun stem hoor weerklinken. Het gaat dan vooral om klankkleur en ritme. Heb jij ook zoiets? En waarom heeft iedere schrijver een soort van intern ritme, dat ingebakken zit in de woorden? In hoeverre let jij op het ritme van je teksten?

‘Mijn stem past erg bij mijn teksten. Hoor je mijn stem ook? Of ken je mijn stem niet? Ik heb meestal geen last van stemmen. Ik let erg op het ritme van mijn teksten, ik lees vrijwel alles hardop aan mezelf voor. Mijn woorden zien er op papier vaak heel opgefokt uit, terwijl ik het uitermate relaxt bedoel. Als ik voorlees hoor ik niet zelden van een luisteraar: “O, zó bedoel je het. Nu ga ik je boek nog een keer lezen.” Mijn ritme is het ritme van een ander niet. Sommige lezers gaan er helemaal in op, anderen raken de tel kwijt.’

Hoe zuinig is een schrijver? Ik heb een aantal grote voorbeelden wiens werk ik nooit lees, omdat het mij dan te machtig wordt. Wanneer ik hun werk er dan bijneem, doe ik dat in opperste concentratie en met een zuinigheid die een grote gulzigheid verraadt. Ik wil alles in me opnemen. Bazel ik?

‘Best wel. Eerst dacht ik dat je bedoelde te vragen of ik veel geld uitgaf. Of gul was in de liefde. Een schrijver hoeft van mij niet zuinig te zijn. Toch ben jij denk ik wel goed bezig. Ik heb eens gelezen dat je beter vijftien boeken kunt hebben waar je je hele leven mee doet, in plaats van steeds een nieuw boek te lezen. Maar ik wil meer meer meer en blijf altijd zoeken. Of bedoelde je dat niet en bazel ik?’

Is 'IJstijd' je meest volgroeide boek? En als je gedwongen werd het zelf te recenseren en één kritiek te formuleren, wat zou die dan zijn?

‘Als met volgroeid het meest “af” bedoelt, dan is het antwoord ja. Ik hou erg van zogenaamd onaf werk, want ik geloof niet in de “afheid” (dit is geen woord, maar soit) van een mens, een verhaal, de wereld. Eén kritiek op mezelf is: minder kritiek hebben. Omdat dat een te makkelijk antwoord is en ik het mezelf niet graag gemakkelijk maak, zal ik zeggen: er gebeurt over het algemeen niet zo gek veel in mijn boeken. Ik zie zelf heel veel in het nietsdoen, maar ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die er agressief van worden. Terwijl ik wil laten zien dat zelfs de mensen die denken dat ze het leven volstoppen met zinnigheden, met weinig anders bezig zijn dan hun levens volstoppen. Veel gehoorde kritiek is dat mijn zinnen kort zijn. Nooit hoor je iemand over een andere schrijver zeggen: wat een lange zinnen. Ik snap de negatieve obsessie met die korte zinnen niet. Je kunt er van houden of niet, natuurlijk, maar schrijven is ook iets laten zien en daar heb je beelden voor nodig en als je dat in één zin kunt doen en wilt doen, moet je dat vooral doen. En dat doe ik dus ook, met liefde.’

Kus jij in het openbaar?

‘Ik doe alles in het openbaar. Jij?’

Maartje Wortel – 'IJstijd' (238 p.) De Bezige Bij, €17,90/€12,99 (e-book)