Hij lag er bij alsof hij in een diepe slaap was gevallen, de benen wat opgetrokken, de knieën licht gebogen. Eén arm leek onder zijn hoofd te zijn geschoven. Alsof hij geprobeerd had het zich zo comfortabel mogelijk te maken. Alleen die tuinslang, dat klopte niet. Waarom zat er een groene tuinslang om zijn benen gebonden? Had iemand geprobeerd hem te verslepen? En wanneer was dat dan gebeurd? Al direct nadat hij was overleden? Of pas veel later? En wie had hem in dat tapijt gewikkeld? En natuurlijk: waarom?

STEUN RO

De patholoog-anatoom, dr. Zeldenrust, had er op gestaan zelf het lijk te komen bekijken op de plaats delict. Het was de eerste en de laatste keer dat hij een plaats delict bezocht. Er is een foto van gemaakt. Samen met een assistent buigt hij zich over een berg rommel waarin met enige moeite de contouren van een skelet zijn te ontdekken.

Later op de sectietafel in het gerechtelijk lab is het skelet duidelijker te zien. Een man van 1.83 die er zo op het oog heel normaal heeft uitgezien. Alleen had hij voor een man van die lengte nogal kleine voeten gehad. Maat 38 is niet normaal voor iemand die 1.83 is. Maar ja, wat zegt dat? Er zijn nu eenmaal ook mensen die kleinere voeten hebben dan ze verdienen.

Wat Zeldenrust nog meer vond? Dat hij tatoeages had gehad. Wel een stuk of tien. Doordat hij in een tapijt was gewikkeld, was de zuurstoftoevoer nogal belemmerd. Dat had er op zijn beurt voor gezorgd dat de ontbinding langzamer dan normaal was verlopen en er op de botten nog stukken huid had gezeten.

Het meest opvallend was een tatoeage op zijn rug. Op een opengevouwen hand brandde een kaars en stond de tekst: Der Teufel soll mein Führer sein! Op het rechter binnenbeen was een vlinder getatoeëerd, op zijn rechter onderarm een hartje en op zijn linker onderarm een tatoeage die in het politierapport werd omschreven als ‘een indianenkopje’. Ja, ’t zou kunnen dat het een hoofd van een Indiaan is, maar echt duidelijk is dat niet. De andere tatoeages waren in de loop der tijd onleesbaar geworden.

Iemand moet die tatoeages toch hebben gemaakt? Maar wie?

 

Het waren de jaren zeventig en tachtig op de Wallen. Over de Burgwallen, en alle tussenliggende stegen zwierven honderden junks rond. De Zeedijk was stevig in handen van de Surinaamse dealers. In cafés werden tafeltjes verhuurd waar heroïne kon worden gekocht. Spuiten slingerden rond op kinderspeelplaatsen. Amsterdam was het walhalla geworden van de heroïnescene en trok buitenlanders, veel buitenlanders en vooral Duitsers die hier hun tijdelijke roesgeluk niet op konden. Dachten ze, want elke week sneuvelde er wel één.

Het stadsbestuur bemoeide zich niet meer met de buurt. Alles en iedereen werd aan zijn lot overgelaten en de seksbazen zorgden voor hun eigen beveiliging en hun eigen schoonmaak. De Wallen waren letterlijk een witte vlek op de kaart van het college van B&W. De politie vertoonde zich er alleen als ze met een groep waren en dan nog met grote tegenzin.

Het waren de jaren ook van de grote trek naar Purmerend en Almere. Gezinnen verlieten de stad. Panden kwamen leeg te staan, de verkrotting sloeg genadeloos toe en veel huizen en kantoren werden in de loop der jaren dichtgespijkerd. Ideale overnachtingsplekken voor de junkies die van heinde en verre toestroomden. Ze braken de planken weg en verschaften zich toegang tot hun nieuwe onderkomen.

Eén van die kraakpanden was Oudezijds Achterburgwal 143. Het was in 1972 opgekocht door het Gemeentelijk Grondbedrijf en dichtgemetseld tot het moment waarop de renovatie zou starten. Dat bleek pas tien jaar later het geval te zijn. In die tussentijd werd het pand gekraakt en bewoond door van alles en nog wat dat ronddobberde in de grote stad: hippies, junkies, Hare Krishna’s.

 

Toen de bouwvakkers in januari 1982 het pand betraden, was hun eerste taak de immense troep op te ruimen. Daarna kon er pas worden begonnen met de daadwerkelijke renovatie. Voor de deur stond een container die regelmatig werd verwisseld voor een leeg exemplaar.
Op 11 januari, het was een mooie, zonnige winterdag, waren de mannen in de benedenverdieping een berg steen- en houtafval aan het wegwerken toen ze stuitten op een skelet met een tuinslang om z’n benen. Onmiddellijk werd het werk neergelegd. Onder de berg lag Teufelmann.

Onderzoek van dr. Zeldenrust toonde aan dat het hier ging om een jongeman in de leeftijd tussen de twintig en de dertig. Eerder twintig dan dertig. Teufelmann moest hier al zeker een jaar of zes, zeven hebben gelegen. Behalve de tatoeages werd er op het stoffelijk overschot een ring gevonden waarin een steentje ontbrak, een horloge van het merk Bourbon super de luxe en een sweater met daarop University of Florida. In wat er verder nog restte van zijn kleding werden Duitse merkjes aangetroffen. Ook werden in de buurt van het skelet een paar briefjes gevonden. ‘Komm vorbei unbedingt. Kozmos 8 am’. Op een ander briefje is te lezen: ‘I’ll back in 10 min’. Daaronder een naam. Carl? Eric? Er werden geen aanwijzingen gevonden die wezen in de richting van een misdrijf. Er werden geen verwondingen aangetroffen. De overlijdensoorzaak kon niet worden vastgesteld.

Er werd een buurtonderzoek gestart, de bouwvakkers werden gehoord en er werd aandacht besteed aan Teufelmann in een politiebericht in februari 1982. Het leverde allemaal niks op, niemand werd als vermist opgegeven en de zaak werd gesloten.

 

Totdat in de zomer van 2014 de zaak opnieuw werd opgepikt door het Cold Case & Review team van de Amsterdamse politie. Dit keer werd er een bericht uitgestuurd via Aktenzeichen XY Ungelöst, het Opsporing Verzocht van de Duitse tv die er in de uitzending van 6 augustus aandacht aan besteedde.

Het leverde zo’n zeventig tips op, maar al snel bleek dat het merendeel weinig waarde had. Die verwezen allemaal naar een blog van een zekere Andreas Pasternak die een tatoeage heeft die veel lijkt op die van Teufelmann: ‘Satan soll mein Führer sein’. En Andreas Pasternak is springlevend.

De hulp werd ingeroepen van Neerlands beroemdste tatoeëerder, Henk Schiffmacher. Nee, het waren zeker geen professionele tatoeages, constateerde hij. Het was amateurwerk. Wel bleek uit een tip dat het in Duitse gevangenissen af en toe gebeurde dat er werd getatoeëerd. Nee, niet met professionele tatoeagegereedschap, maar met behulp van de arm van een pick-up. De tatoeages werden aangebracht met de pick-up-naald.

Het archief van Magies Sentrum De Kosmos leverde niks op, evenmin als een gesprek met de toenmalige directeur. Vage geruchten over sektes in Roemenië die met satansymbolen werken werden nagetrokken, maar liepen dood. De grafoloog die werd geraadpleegd over de ondertekening van één van de briefjes kon er geen naam uit deduceren.

 

Zo blijft Teufelmann tot op de dag van vandaag een mysterie. Wie waren zijn vader en moeder? Hebben ze hem nooit gemist? Heeft hij broertjes en zusjes gehad? Was hij gelukkig? Waar kwam hij vandaan en waarom kwam hij naar Amsterdam? Hoe is hij dood gegaan? Vragen, vragen, vragen.
Op maandag 8 maart 1982 om 10:00 uur werd hij begraven op de Oosterbegraafplaats: Nomen Nescio, mensen van wie de naam niet bekend is. Teufelmann was de tweede NN-er en de kans is groot dat Simon Vinkenoog die een zwak had voor mensen als Teufelmann een gedicht voor hem heeft voorgedragen.

Teufelmann’s graf is al jaren geleden ontruimd. Het enige dat er nog van hem over is, is wat DNA. Uit zijn kaak.

Aanstaande zondag 13 december om 21:30 uur besteedt SBS 6 in een uitzending van Graf zonder naam aandacht aan Teufelmann.

    Ik schrijf over alles wat mijn nieuwsgierigheid wekt. Dat is veel. Vaak kom ik uit bij verborgen hoeken van de geschiedenis, maar soms ook bij het persoonlijke verhaal. Het alledaagse leven èn het drama. Actueel, maar soms ook wat minder. Wel altijd goed geschreven en een plezier om te lezen.