“O, een moederhart, dat is een ding apart. Pas op dat je een hart niet met een ander ding verwart. Een hart dat alles tart, al wordt het nog zo hard gesard, dat is beslist een moederhart,” zong Drs. P. En inderdaad, moederschap is topsport!

STEUN RO

Zodra je moeder wordt, bevindt je hart zich voorgoed buiten je lichaam, waarschuwt de Amerikaanse schrijfster Elizabeth Stone. Moederschap is namelijk geen peulenschil: het vereist opoffering, variërend van pijnlijke bevallingen en totaalrupturen tot slapeloze nachten en twintig jaar lang onophoudelijke zorgen om het welzijn van je kind.

Maar toch… als het om opoffering gaat, hebben mensenmoeders het nog makkelijk vergeleken met vrouwtje reuzenkraak (Enteroctopus dofleini). Deze grootste van alle octopussen is dan ook uitgerust met drie harten in plaats van één. Ze krijgt maar één keer in haar leven kinderen: als ze drie tot vijf jaar oud is, legt ze 50.000 tot 100.000 eitjes, die ze in een veilige grot ophangt in langgerekte, druiventrosachtige wiegjes.

Onder deze wiegtrossen gaat ze liggen waken, zo’n zes tot zeven maanden lang! Al die tijd eet ze niets. Ze laat haar baby’s in wording geen seconde alleen en hongert zichzelf liever uit dan dat ze voedselresten morst, die mogelijk parasieten naar haar tere broedsel kunnen lokken. De ingang van haar grot heeft ze gebarricadeerd met stenen en rotsblokken om ongewenste bezoekers buiten te houden, zoals krabben, zeesterren en vissen.

In de kraamgrot zit octomama bepaald niet stil: ze waaiert voortdurend met haar acht armen en streelt zo haar duizenden eitjes, om te voorkomen dat er algen op gaan groeien. Ook blaast ze water over de wiegtrossen, zodat er steeds genoeg zuurstof is. En dan, op een nacht, als ze vele malen kleiner en zwakker is geworden door het maandenlange vasten, komen de kleintjes uit: vele tienduizenden ieniemini-octopusjes van zes millimeter groot. Exacte kopietjes van hun moeder, al helemaal compleet met acht armpjes met echte zuignapjes.

‘Kinderen zijn de ankers die de moeder vasthechten aan het leven’

Ze kunnen al meteen van kleur veranderen en zelfs piepkleine inktwolkjes spuiten als iemand ze lastig valt. Moeder reuzenkraak heeft haar mooie steenrode kleur dan allang verloren en is veranderd in een ellendige, grijze spookverschijning, met een huid die hier en daar al in ontbinding is. Ze ademt nog slechts in incidentele, hortende stoten.

Toch blaast ze met een gigantische krachtsinspanning haar minuscule baby’s nog de kraamgrot uit, het open water van de oceaan in. En met haar aller-allerlaatste krachten komt ze na al die tijd ook eindelijk zelf de grot uit, om haar kleintjes nog een extra duwtje in de rug te blazen. Meteen daarna sterft ze van pure honger en uitputting, soms al op twee, drie meter van de kraamgrot.

‘Kinderen zijn de ankers die de moeder vasthechten aan het leven’, schreef de oude Griek Sophocles ooit. Nou, die vlieger gaat dus niet op voor reuzenkraken…

Geboortebeperking achteraf

Vanaf het dramatische moment dat hun moeder doodgaat, staan de kleine inktvisjes er alleen voor. Ze moeten ieder voor zich proberen om kwallen, haaien en megastofzuigers zoals de blauwe vinvis voor te blijven, om maar een paar van hun talloze hapgrage vijanden te noemen. Het is me al vaker opgevallen dat geboortebeperking in de natuur meestal pas achteraf plaatsvindt, na de geboorte.

Dat geldt helaas ook voor jonge reuzenkraakjes. Ondanks de maandenlange intensieve zorg en totale opoffering van hun supermoeder, groeien van die tienduizenden mini-octopusjes hooguit twee op tot volwassen reuzenkraken. Bizar, maar zo werkt het nu eenmaal in de natuur: de een z’n geboorte is de ander z’n dagelijks brood. Plankton – dat in enorme hoeveelheden wordt gegeten door ontelbaar veel en vaak zeer grote zeedieren-  bestaat voor een aanzienlijk deel uit andermans eitjes en baby’s.

Misschien is dat de reden waarom sommige moeders maar liever helemaal niet naar hun jongen omkijken, zoals tonijnen, sardines en vele andere soorten vissen, krabben en garnalen. Zij komen gewoon eens per jaar met z’n allen bij elkaar op een afgesproken tijd en plaats voor een nonchalante buitenboordbevruchting, waarbij de vrouwtjes massaal hun eitjes (kuit) in zee spuiten, waarna de mannetjes er grote wolken sperma (hom) overheen schieten. Daarna gaat iedereen weer zijn eigen weg en moeten de bevruchte eitjes het verder zelf maar uitzoeken.

Volgens de gezaghebbende evolutionair bioloog Robert Trivers is moederschap absoluut het allerbelangrijkste verschil tussen mannen en vrouwen. Voor verreweg de meeste diersoorten geldt namelijk dat vrouwtjes veel meer tijd en energie aan hun nageslacht besteden dan mannetjes.

Daarvan zijn wij mensen zelf een lichtend voorbeeld: een man kan gedurende zijn volwassen leven in principe elke vruchtbare vrouw bezwangeren die hij tegenkomt en zo dus – theoretisch gesproken – honderden, zo niet duizenden nakomelingen verwekken, wat hem telkens hooguit een kwartiertje tijd kost. Een mensenvrouw moet echter een negen maanden durende zwangerschap verhapstukken en krijgt daarna een baby die jarenlang volledig van haar zorg en bescherming afhankelijk is, waardoor zij maar een beperkt aantal kinderen kan voortbrengen.

Trouw is nodig voor duurzaam vaderschap: mensenmannen investeren doorgaans opvallend meer tijd en aandacht in hun kinderen dan de meeste zoogdiermannetjes

Daarom zijn dierenvrouwtjes vaak ook zo kieskeurig in hun partnerkeuze en willen ze per se het sterkste mannetje met de beste genen. Mensenvrouwen doen hetzelfde: zij selecteren niet alleen op uiterlijk en gezondheid, maar ook op macht, geld, intellect en trouw. Macht en geld zorgen ervoor dat hun kinderen geen honger zullen lijden en intellect biedt kinderen goede kansen om later ook zelf geld en macht te verwerven.

Trouw is nodig voor duurzaam vaderschap: mensenmannen investeren doorgaans opvallend meer tijd en aandacht in hun kinderen dan de meeste zoogdiermannetjes. Dat is ook hard nodig, want mensenkinderen hebben een uitermate ingewikkeld brein, dat vele jaren nodig heeft om tot volle wasdom te komen. Zowel papa als mama moeten heel veel voordoen en uitleggen, zodat een mensenkind leert hoe hij optimaal kan functioneren in een complexe sociale omgeving.

Moeder-kind band

Sommige vrouwen die net moeder zijn geworden, ontdekken tot hun afgrijzen dat ze helemaal niet vanaf Dag 1 smoorverliefd zijn op hun eigen kind, zoals de boekjes beloofden. Niks roze wolk! Is er iets mis met deze moeders? Nee. Want wat niet is, kan nog komen. Het bondingsproces tussen moeders en hun pasgeboren baby kan enkele uren duren, maar ook  dagen, weken of maanden, want de bandvorming tussen een moeder en haar kind is een geheimzinnig proces.

Bij veel – maar lang niet alle! – vrouwen begint het al tijdens de zwangerschap: wanneer ze hun kind voor het eerst voelen bewegen of op een echo zien. In de zevende zwangerschapsmaand spreekt tweederde van de aanstaande moeders al van een heel sterke, voelbare band met het kind in hun buik. Een derde heeft dat dus kennelijk niet of veel minder. Bovendien kan een traumatische bevalling behoorlijk roet in het eten gooien.

Een onvergetelijk voorbeeld daarvan is het prijswinnende docudrama The Story Of The Weeping Camel uit 2004, waarin een moederkameel na een vreselijke bevalling telkens woedend wegloopt zodra haar kalf toenadering zoekt. Aan het intens verdrietige huilen van het verstoten kameeltje komt pas een einde wanneer het Mongoolse gezin dat de kamelen bezit een sjamaan heeft ontboden, die door middel van prachtige vioolmuziek de gevoelens van de moeder ‘opnieuw harmoniseert’. De schrik van de bevalling (in combinatie met een bijbehorende achtbaan aan hormoonschommelingen) kan ertoe leiden dat moeders hun kind in eerste instantie verstoten.

Maar de natuur doet haar uiterste best om ervoor te zorgen dat moeders zo snel mogelijk zielsveel van hun kinderen houden en een onbedwingbare drang voelen om hen tegen gevaren te beschermen: er komen grote hoeveelheden oxytocine (knuffelhormoon) vrij tijdens de bevalling, tijdens het borstvoeden en bij zachte aanraking. Ook intens oogcontact tussen moeder en baby is belangrijk voor het smeden van een levenslange band.

Jonge dieren blijven er precies net zo lang schattig uitzien totdat ze genoeg hebben geleerd om zelfstandig te kunnen overleven

Verder voorziet Moeder Natuur mensen- en dierenkinderen expres van een extreem schattig uiterlijk, het zogenaamde ‘kinderschema’: groot bol voorhoofd, plat en breed gezicht, grote ogen, koddige wenkbrauwtjes, klein neusje en mollige ledemaatjes. Het kinderschema is een uiterst krachtig visueel hulpmiddel om moeders ertoe te bewegen goed voor hun kinderen te zorgen. Het werkt zelfs soort-overstijgend: ook jonge katjes, hondjes, beertjes, kuikentjes en talloze andere dierenbaby’s wekken bij ons (èn bij andere dieren) dezelfde vertedering en beschermingsdrang op.

Jonge dieren blijven er precies net zo lang schattig uitzien totdat ze genoeg hebben geleerd om zelfstandig te kunnen overleven. Even een grappige zijsprong: in Londen zijn onlangs op de rolluiken van winkeletalages grote portretten van kleine kindjes geschilderd, in een bewuste poging om onlusten en plunderingen te voorkomen. Het schijnt prima te helpen! We zijn namelijk tot in het diepst van onze vezels verslaafd aan het kinderschema, en dat heeft een bloedserieuze evolutionaire reden: onze soort zou niet kunnen bestaan zonder acute vertedering bij het zien van klein, lief en hulpeloos…

Nestvlieders en nestblijvers

En hoe zit dat dan eigenlijk bij vogels? Hun baby’s komen namelijk in twee totaal verschillende smaken: nestblijvers en nestvlieders. Er is – in onze zoogdierogen althans – weinig schattigs aan een jonge duif, spreeuw of gierzwaluw die zich net uit het ei heeft geworsteld. Deze nestblijvers zijn kaal, blind en embryo-achtig. Een hemelsbreed verschil met nestvlieders: jonge vogels die met wakkere open oogjes en een schattig donsjasje uit het ei kruipen en meteen al energiek aan de wandel gaan, zoals eendjes, kippenkuikens, weidevogels, pinguïns of – schattig in het kwadraat, want ook nog een wipsnaveltje – kluutjes!

Honger! Honger! Hier moet dringend wat in!

Toch reageren vogelouders van kale, blinde kuikens eveneens met grote zorgzaamheid op hun kroost. Want ook nestblijvertjes geven een visueel signaal af waar wij mensen misschien niet zo veel mee hebben, maar waar het hart van een vogelmoeder direct van overstag gaat: de binnenkant van wijd opengesperde snaveltjes (Honger! Honger! Hier moet dringend wat in!) vervangt hier het kinderschema van nestvlieders… Dit stelt een vogel als de koekoek in staat om schaamteloos misbruik maken van de voeder- en zorgdrift van andere vogelmoeders.

Met twee ogenschijnlijk aan elkaar verwante zoogdiersoorten zoals haas en konijn is het precies zo: konijnenbaby’s worden ook naakt en blind geboren en blijven de eerste weken veilig ondergronds, terwijl jonge haasjes al helemaal ‘klaar’ ter wereld komen. Dat moet ook wel, want zij kunnen zich niet verschuilen in een warm en veilig hol. In plaats daarvan liggen ze gewoon open en bloot in een leger, een ondiep kuiltje in het veld.

Moeder haas laat haar jongen na de geboorte dezelfde dag nog alleen en komt daarna alleen nog een paar maal per dag terug om haar jongen snel te voeden. Daarna gaat ze er zo gauw mogelijk weer vandoor, want al te gezellige samenscholingen in open veld trekken alleen maar roofdieren aan. Het grootste deel van de dag en nacht zijn jonge haasjes moederziel alleen en spelen ze ineengedoken voor molshoop in het gras. Deze Spartaanse aanpak werpt duidelijk zijn vruchten af, want aan hazen geen gebrek!

Veel dierenvrouwtjes doen alles in hun eentje, maar er zijn uiteraard ook soorten waarbij de vader keihard meewerkt bij de opvoeding van de kinderen. Er zijn zelfs enkele diersoorten waarbij alles op de schouders van de vader terecht komt (zie daarvoor mijn artiikel over dierenvaders). En bij sommige dieren zorgen alle groepsgenoten voor elkaars kinderen, een verschijnsel dat door wetenschappers ‘allomoederen’ wordt genoemd.

Alleen het alfa-vrouwtje krijgt jongen, waar alle leden van de groep actief voor zorgen

Olifanten zijn daar een goed voorbeeld van. Na een zwangerschap van 22 maanden (de langste draagtijd ter wereld!) bevalt moeder olifant van een kalf dat maar liefst honderd kilo weegt en in het begin nog stekeblind is. Alle oma’s, zusters, nichten en tantes in de kudde helpen een handje bij de opvoeding en bescherming van het babyolifantje: ze leren hem wat hij allemaal met zijn slurf kan doen en smeren hem in met modder om zijn tere olifantenhuidje te beschermen tegen zonnebrand.

Olifantenmoeders zijn uitermate zorgzaam. Dat moet ook wel, want jonge olifantjes zijn behoorlijk onhandig, lopen vaak in zeven sloten tegelijk en zijn de eerste jaren volledig afhankelijk van hun moeder en andere babysitters uit de kudde. Mocht de moeder voortijdig sterven (bijvoorbeeld door toedoen van stropers), dan wordt het weesje direct geadopteerd door de andere vrouwtjesolifanten. Wolven en Afrikaanse wilde honden pakken het ook zo aan: alleen het alfa-vrouwtje krijgt jongen, waar alle leden van de groep actief voor zorgen.

Wat een leuke kinderwagen!

De wereld is vol gevaren, dus dierenmoeders zijn altijd op zoek naar de veiligste manier om hun kinderen te vervoeren of alleen achter te laten als ze zelf even op voedselzoektocht moeten. Sommige dierenbaby’s zijn prima in staat om hun moeder op eigen benen te volgen, zoals jonge hoefdieren en nestvliedende vogelkuikens. De baby’s van apen en lemuren kunnen zich dankzij krachtige grijphandjes aan hun moeder vastklemmen en kangeroetjes zitten veilig in hun moeders buidel.

Maar ook miereneters, zwaantjes en fuutjes kunnen zich goed in evenwicht houden op moeders veilige rug. Spinnenmoeders stoppen hun eitjes of jongen vaak in een zelfgesponnen boodschappentas die ze overal met zich meedragen en sommige vissenmoeders gebruiken gewoon hun eigen grote bek als kinderwagen.

Maar de grappigste variant op een buggy is toch wel te vinden bij de Surinaamse pad (Pipa pipa). De vrouwtjes van deze soort hebben nogal grote poriën op hun rug, waar ze hun bevruchte eitjes in drukken. Als alle eitjes eenmaal een plekje op mama’s brede rug hebben gekregen, groeit er huid overheen, die openbarst zodra de kleintjes volledig zijn getransformeerd en zelfstandig verder kunnen leven.

De moedermafia: furies onder elkaar  

In tegenstelling tot mannetjesdieren vechten vrouwtjesdieren zelden met elkaar. Toch kan het er soms pittig aan toe gaan onder dierenmoeders, al blijven de onlusten meestal beperkt tot scheldpartijen en manipulatie. Veel mannetjes worden zeer kort gehouden om ze ervan te weerhouden zich met andere vrouwtjes bezig te houden: de heren dienen optimaal te investeren in hun eigen kroost en ze mogen niet zomaar weglopen om voor een tweede nestje liefdesbaby’s te gaan zorgen bij een ander vrouwtje!

Zo gaat mannetje doodgraver (een keversoort) altijd op zijn hoofd staan als hij met vrouwtjes flirt. Uit zijn achterlijf komt dan een lokkende geurstof vrij, waar willige doodgravervrouwtjes op af komen. Maar als hij op deze handstand wordt betrapt door zijn eigen vrouw, dan schopt ze hem meteen nijdig omver. Als vrouwtje grijze visser (een zwartwitte ijsvogelsoort uit Afrika) ziet dat haar mannetje met een ander vrijt, dan zal ze er alles aan doen om de paring finaal te verstoren, desnoods met grof geweld.

En nòg een graadje erger: een andere manier om mannetjes bij de les te houden, is kindermoord. Mussenvrouwtjes doen dit! Als ze erachter komen dat hun man er nog een tweede nestje op nahoudt, schromen ze niet om de eieren van het andere vrouwtje kapot te maken. Vrouwtje pimpelmees voert luchtaanvallen uit op haar rivales en spreeuwenvrouwtjes zingen speciale strijdliederen, die direct gericht zijn op andere spreeuwendames.

Mangoestvrouwtjes gedragen zich zó feekserig tegen lager geplaatste zwangere groepsgenotes (compleet met stalken, krabben en bijten), dat die laatsten soms uit pure wanhoop hun eigen jongen aborteren. Net goed, vinden de dominante mangoestendames, zo blijft er meer eten over voor hun eigen prinsjes en prinsesjes! Zo denken stokstaartjes en prairiemarmotten er ook over. Deze sociale dieren lijken het altijd erg gezellig met elkaar te hebben, maar ze deinzen er niet voor terug om uit pure voedselnijd de jongen van hun buurvrouw dood te bijten.

Dierenkinderen zijn trouwens ook niet altijd even lief. Zo vallen er geregeld doden in menig vogelnest. Vooral bij voedselschaarste is het niet ongebruikelijk dat vogelbroers en -zussen elkaar het nest uit gooien of opzettelijk doodpikken. Soms zelfs onder het gelaten toeziend oog van hun moeder. Uiteraard blijft de sterkste van de kuikens over. En dat verklaart meteen het nut van deze bloederige praktijken.

Vrijwel altijd is het kuiken dat het laatst uit het ei is gekropen de eerste die sterft. Bij de kleine witte koereiger (Bubulcus ibis) maar ook bij veel uilen en roofvogels, legt de moeder in totaal drie eieren, elke dag eentje of met tussenpozen van een paar dagen. Het eerste ei wordt al meteen bebroed, dus op het moment dat het derde kuiken uit het ei komt, zijn zijn twee oudere broers of zussen al groter en sterker dan hij. Het derde kuiken haalt zelden de volwassenheid.

Waarom leggen deze moeders dan niet gewoon twee in plaats van drie eieren? Omdat het natuurlijk ook zou kunnen dat er door groeizaam weer meer voedsel te vinden is dan normaal, waardoor ook het derde jong probleemloos groot kan worden. Bovendien zou een van de eieren per ongeluk steriel kunnen zijn, zodat een extra eitje ‘voor de breek’ niet onverstandig is.

Zijn stiefmoeders altijd gemeen?

De eikelspecht Melanerpes formicivorus uit Noord-Amerika heeft een ingewikkeld broedschema bedacht: vrouwtjes gebruiken vaak dezelfde boomholte om in te broeden. Twee of drie verschillende vrouwtjes leggen dan ieder vijf eieren, en bebroeden om beurten het complete legsel. Maar eh… niet nadat ze tijdens de legperiode diverse eieren van hun nestgenotes opzettelijk hebben vernield en uit het hol gegooid.

Deze moordpartij houdt pas op wanneer alle betrokken vrouwtjes het er met elkaar over eens zijn dat het legsel nu echt compleet is en er met broeden kan worden begonnen. Meestal is dan in totaal een derde van alle gelegde eieren eerst vernield.

Jaja, het is ingewikkeld. Ook voor mensen. Zeker in deze tijd, nu huwelijken vaker niet dan wel een leven lang voortduren, maar samengestelde gezinnen aan de orde van de dag zijn. Stiefmoeders hebben in sprookjes vaak een zeer slechte naam, en dat is niet voor niets. Evolutionair psychologen spreken van het Cinderella-effect: hoe graag we het ook goed willen doen, op een diep en vaak onbewust niveau concurreert een stiefmoeder wel degelijk met haar stiefkinderen, want haar ideaal is een man die al zijn tijd, energie en middelen aanwendt voor haar en haar eventuele nakomelingen.

Inmiddels is er zo’n dikke 30 jaar intensief onderzoek gedaan naar het Cinderella-effect en is pijnlijk duidelijk geworden dat er een direct verband bestaat tussen kindermishandeling en niet-biologische ouders…

Natuurlijk zijn er veel meer stiefouders die gewoon lief zijn voor hun kinderen (of op z’n minst neutraal) dan stiefouders die hun stiefkinderen daadwerkelijk mishandelen, maar dat neemt niet weg dat de onderliggende biologische blauwdruk tussen stiefouders en – kinderen wel degelijk meerdere malen is bewezen. Het hangt van het individu af in hoeverre hij/zij dit kan overstijgen. Misschien helpt het om in ieder geval te begrijpen waar je gereserveerdheid vandaan komt ten aanzien van de kinderen van je nieuwe partner…

Maagdelijke voortplanting

Iemand vertelde me eens gniffelend over een aanstaande moeder die het vreselijk vond om met haar dikke buik over straat te gaan, omdat iedereen dan kon zien dat ze ‘het’ had gedaan. Wellicht was deze mevrouw liever een watervlo, bladluis, raderdiertje of wandelende tak geweest, want die kunnen onbevlekt ontvangen, een verschijnsel dat door de wetenschap parthenogenese wordt genoemd.

Onder ongewervelde dieren zoals insecten is het tamelijk gewoon om jezelf te klonen. De laatste paar jaar worden echter ook steeds vaker gevallen van maagdelijke voortplanting vastgesteld bij veel grotere dieren. Zo kreeg een moccasinslang (Agkistrodon contortrix) op een dag zomaar kerngezonde jongen, terwijl ze al haar hele leven in een terrarium in een dierentuin woonde en nog nooit een mannetje had gezien!

Alle marmerkreeften en rouwgekko’s zijn dames

Onderzoek aan het DNA van de jonge moccasinnetjes wees uit dat ze inderdaad maar één ouder hadden: hun moeder. Ook vrouwelijke haaien, waaronder de hamerkophaai en zwartpunthaai kunnen zich maagdelijk voortplanten, zo bleek onder meer in 2007 bij een hamerkopdame in een aquarium. Hetzelfde geldt voor de vervaarlijke komodovaraan, de boa constrictor en de kalkoen van het kerstmenu.

Maar wie echt de kroon spannen als het om seksloze voortplanting gaat, zijn de marmerkreeft (Procambarus fallax virginalis) en de rouwgekko (Lepidodactylus lugubris): van deze twee diersoorten zijn nog nooit mannetjes gezien! Alle marmerkreeften en rouwgekko’s zijn dames.

Er is trouwens nog een verbazingwekkende variant op maagdelijke voortplanting die gynogenese wordt genoemd: daarbij paren de vrouwtjes wèl met mannetjes, maar het ingebrachte zaad wordt alleen gebruikt om de voortplantingshormonen van het vrouwtje te stimuleren. Na de paring produceren de vrouwtjes nakomelingen zònder genetisch materiaal van het geleverde sperma! Goudvissen planten zich vaak op deze manier voort en sommige salamanders doen het al ruim een miljoen jaar zo…

Konijnen, zandhagedissen en prairiehonden raken makkelijker zwanger als ze met meerdere mannetjes copuleren

In andere gevallen hebben moeders in spe dwingende redenen om juist met zo veel mogelijk mannetjes te paren. Bijvoorbeeld om verwarring te zaaien over de identiteit van de vader van hun kroost. Zo kunnen ze voorkomen dat hun kinderen worden vermoord door een nieuw dominant mannetje, zoals bij leeuwen, chimpansees en veel andere zoogdieren voorkomt. Nadat hij de macht heeft gegrepen, maakt zo’n nieuwkomer alle kinderen van zijn voorganger dood. Hierdoor stopt de melkproductie van de moeders, waardoor ze weer vruchtbaar worden en de nieuwe mannelijke leider zijn eigen dynastie kan opstarten. Maar als van bijvoorbeeld een chimpanseebaby onzeker is wie nu eigenlijk de vader is, zal dat waarschijnlijk minder snel gebeuren…

Een andere reden om met meerdere mannetjes te paren, is om het risico op zwak of steriel sperma te verkleinen. Konijnen, zandhagedissen en prairiehonden raken makkelijker zwanger als ze met meerdere mannetjes copuleren. Zo ook de baarzensoort Cymatogaster aggregata, die altijd een paar maanden pauze inlast tussen het paren en de daadwerkelijke bevruchting. Het zaad van meerdere mannetjes slaat de vrouwtjesbaars tijdelijk op in haar lichaam. Pas als ze van genoeg verschillende mannen sperma heeft verzameld, zorgt ze dat haar eitjes bevrucht worden.

Voor god spelen

Ook andere moederdieren zijn tot dergelijke kunststukjes in staat: onze eigen reegeitjes paren in de zomer, maar slaan het zaad van de bokken een paar maanden op in hun lichaam om er zeker van te zijn dat ze pas het jaar daarop in mei of juni een kalfje krijgen, als er genoeg mals gras en ander voedsel is om goede melk te kunnen produceren. Een diamantratelslang (Crotalus adamanteus) in gevangenschap kreeg onlangs zelfs jongen als gevolg van een paring die vijf jaar daarvoor had plaatsgevonden! Welbeschouwd zijn er eigenlijk heel veel vissen, vogels, amfibieën, insecten, reptielen en zoogdieren die sperma gedurende langere tijd goed kunnen houden, vaak maandenlang en soms dus zelfs jarenlang!

Er zijn ook dieren die kunnen kiezen of ze dochters of zonen willen, zoals bijvoorbeeld wespen, bijen en mieren. Als het om kinderen krijgen gaat, kun je het eigenlijk zo gek niet bedenken of het gebeurt wel ergens in de natuur. En hoe geavanceerd en uitzinnig al die voortplantingstechnieken ook zijn, er is geen dier dat zich ook maar een seconde afvraagt of het eigenlijk wel pas geeft om ‘voor God te spelen’.

Als het aan professor bio-ethiek John Harris van de universiteit van Manchester ligt, zouden wij mensen hier ook wel eens wat minder star in mogen zijn. Volgens Harris is het niet meer dan logisch dat wij ons natuurlijke (!) intellect inzetten om de kansen van onze ongeboren kinderen naar beste kunnen verder te optimaliseren. Onze ‘normale’ manier van voortplanten is namelijk ook verre van ideaal: 80 procent van alle natuurlijke zwangerschappen eindigt in een miskraam. Vaak zonder dat de moeder zich daarvan bewust is, binnen de eerste maand na de bevruchting.

Zo zouden we volgens Harris minder bang moeten zijn voor klonen, een verschijnsel dat volgens hem al zo oud is als de mensheid zelf. Alle eeneiige tweelingen zijn immers klonen. Bij elke duizend bevallingen worden zeker drie eeneiige tweelingen geboren, en het feit dat deze mensen een identiek genoom hebben doet niets af aan hun unieke persoonlijkheid. Verder geeft deze bio-ethicus hoog op over onderzoek dat momenteel wordt gedaan naar cellen die immuun zijn voor AIDS en kanker. In een aflevering van het programma Tegenlicht verklaart Harris: ‘Als deze ontwikkeling succesvol en veilig blijkt, kunnen we lichaamsvreemde, resistente cellen bij slechts één generatie mensen inbrengen, waarna de ouders resistentie tegen ziekten als kanker en AIDS verder zelf doorgeven aan hun kinderen, generatie op generatie.’

Ook over religieuze bezwaren tegen voortplantingstechnologie kan Harris kort zijn: ‘De meeste goden zijn voorwetenschappelijk. Noch in de Bijbel, noch in de Koran staat ook maar een letter geschreven over voortplantingstechnologie.’ Volgens Harris is het praktisch onmogelijk om met menselijke embryo’s om te gaan alsof zij al rechten hebben en hun levens heilig zijn. Alleen al omdat de natuur zelf ook nogal kwistig omgaat met ongeboren leven. Je kunt je nu eenmaal niet voortplanten zonder ook embryo’s te produceren die doodgaan, stelt hij. Daar weten reuzenkraken en andere dierenmoeders alles van…

    Journaliste met een zwak voor de natuur EN de menselijke natuur. Werkt(e) onder meer voor natuurmagazine Roots, Wereld Natuur Fonds, Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten en is mede-auteur van zeven boeken over de natuur.