Waar dichter Jan Lauwereyns zich in zijn vorige dichtbundel ‘Hemelsblauw’ verhield tot het ‘veelkleurige pure spectrum van de regenboog, waarin niets zwart is en alles bijdraagt tot wit’, lijkt in de bundel ‘De willekeur’ zwart het nieuwe wit geworden.

STEUN RO

ik kwam aan wal ik gleed ik viel
op droge grond ik val je ogen dicht
lief patiëntje het hele dorp
gaat slapen zoetje zacht

Lichtvoetig richt in het gedicht ‘In C’ een tsunami zich als spreker tot ons. Vervolgens rolt onverbiddelijk een somber(e) 'willekeur' van de pagina’s in de recent verzamelde poëzie van Jan Lauwereyns.

RECENSIE    S-M-L-XL
• • • •
Jan Lauwereyns – De willekeur
De Bezige Bij, €18,90

Afgezet tegen Hemelsblauw, zijn vorige bundel waarvoor hem de VSB Poëzieprijs werd toegekend, is de toonzetting anders. Waar Lauwereyns zich destijds verhield tot het ‘veelkleurige pure spectrum van de regenboog, waarin niets zwart is en alles bijdraagt tot wit’ – een ontroerd waarnemen van de natuur waar wij deel van uitmaken –, lijkt in De willekeur zwart het nieuwe wit geworden.

Rampen schetsen een beeld van een natuur die volstrekt onverschillig is ten opzichte van al wat leeft. De tsunami die in de Japanse provincie Tohoku aan land kwam en een ramp veroorzaakte in de kerncentrales van Fukushima, verkeert in gezelschap van onder meer orkaan Katrina, die New Orleans blankzette.

Ook voor de verschrikkingen die de onbetrouwbare mensen elkaar aandoen, ondanks hun onderscheidende intellect, heeft Lauwereyns een rol weggelegd. Beelden van gevangenissen van Guantanamo en Abu Graib en de experimenteerdrift van kamparts Joseph Mengele bieden weinig troost:

wij waren als probleem op te vatten
een vogel voor de willekeur
makkelijk met succes
uit het leven te roepen

maar dit is dat verhaal niet
en de waarheid doet
overleving uitbreken

in zwetende denksystemen

Hoewel groot en oncontroleerbaar ligt er dan ook meer geruststelling besloten in de onberekenbare natuur dan in de mens: de hoopgevende zekerheid van haar onpersoonlijke nietsontziendheid.

Complex

Lauwereyns presenteert een bundel die zich niet eenvoudig laat doorgronden. Je moet wel zin moet hebben om daarvoor te gaan zitten. Om erin op te gaan en je te laten overweldigen door de schone kunsten hoeft het er overigens niet zachtzinnig aan toe te gaan. ‘Wat moet je met poëzie die als een humanistische pleegzuster op je afkomt?’ zei Gerrit Komrij hier ooit over. De lezer moet juist zijn demonen, ‘zijn eigen doodshoofd’, in een gedicht kunnen tegenkomen. Confrontatie is hier dan ook beslist een bouwsteen voor vrijewilsbeschikking:

ik beken een kleine afwijking
een kleine deviatie
ik hield van haar ik schrok
de vrije wil moest mij helpen
mij aan mij te laten ontsnappen

Verwondering

Gebruikmakend van een losse versvorm dompelt Lauwereyns ons onder in een woordenstroom op metaniveau, die de willekeur beschouwt waaraan we zijn onderworpen. Zijn achtergrond als neurowetenschapper is er vermoedelijk debet aan dat het werk een wat analytisch – lees: intellectualistisch – karakter heeft. Vooral de langere essayistische teksten over bijvoorbeeld de wreedheid van ‘eerlijke geilaard’ John Wilmot nodigen hiermee niet uit tot herlezen of reflectie, en ik waag te betwijfelen of een dergelijke poëzie aansluiting zal vinden bij een groot publiek. Daarentegen is het haast haiku-achtige minimalisme waarmee kleinere verstilde observaties worden geschetst – wellicht een bijgevolg van het feit dat Lauwereyns in Japan werkt – indrukwekkend. De dichter/wetenschapper neemt hier de wereld blanco waar, zonder de verwachting iets te vinden. Juist in die verwondering schuilt, net als in eerder werk, een grote kracht. In al hun abstracte onduidelijkheid scheppen trefzekere dichtregels op een geweldige manier orde en duidelijkheid, terwijl witregels ruimte laten voor mijmering van de lezer:

het onbevlekte hart
een witte pagina onder een oeroude boom

van iets dat bewijst
dat de toekomst het verleden verrijkt

 

Geef een antwoord