De op-één-na populairste 007 is dood. Roger Moore maakte van James Bond een beminnelijke schuinsmarcheerder, een eeuwig ironische, door-en-door Britse allemansvriend in een op maat gesneden smoking. De schepper van Bond was een stuk minder beminnelijk. Ian Fleming minachtte vrouwen, romantiseerde het koloniale verleden en blonk nergens in uit.

STEUN RO

Zelf nam Fleming (28 mei 1908 – 12 augustus 1964) zijn creatie James Bond nooit erg serieus. Toen hij in 1952 het manuscript van de eerste Bondroman (Casino Royale) opstuurde naar uitgever Jonathan Cape, bood hij in een begeleidend briefje alvast zijn verontschuldigingen aan: „Het is vreselijk platvloers.” Een jaar voor zijn dood vertelde Fleming in het artikel How to Write a Thriller iets over zijn motivatie: „Ik heb geen boodschap voor de lijdende mensheid… Mijn boeken zijn geschreven voor warmbloedige heteroseksuelen in treinen, vliegtuigen of bedden.”

Toch groeide James Bond uit tot een cultureel icoon, de populairste naoorlogse Britse held. Al vanaf Casino Royale was duidelijk dat Bond een snaar raakte bij de Britten. Het land had Bond nodig. In The Man Who Saved Britain beschrijft de Britse Bondfanaat Simon Winder de staat waarin het koninkrijk verkeerde op het moment dat Bond ten tonele verscheen: „Een stervend eiland op de rand van een koud, klein continent.” Niet Groot-Brittannië, maar de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie bleken na de Tweede Wereldoorlog de lakens uit te delen. Het Britse koloniale rijk viel uiteen, de samenleving was verlamd door een vooroorlogs systeem van klassegebonden privileges.

Exotisch

James Bond werd ‘geboren’ op maandag 13 april 1953, de dag dat Casino Royale verscheen bij uitgeverij Jonathan Cape. In de wereld van Bond is Groot-Brittannië kerngezond. Natuurlijk, er zijn megalomane gekken die de mensheid willen vernietigen, maar ze delven telkens weer het onderspit tegen de charmante geheim agent uit Londen. Slechts bij hoge uitzondering vinden de confrontaties plaats op Engelse bodem; liever stuurt Fleming zijn held naar exotische locaties in het Caraïbische gebied, de Verenigde Staten of Zuid-Europa (ook Frankrijk gold voor Engelsen in die jaren als exotisch).

In de fictieve wereld van Fleming dringt de moderne wereld alleen door in de vorm van de gadgets van Q, voor het overige blijft de moderniteit op een veilige afstand. Kolonialen en vrouwen schikken zich zonder morren in hun onderdanige rol en de Amerikanen hebben de hulp van de Britse inlichtingendienst Mi6 nodig om hun eigen criminelen te bestrijden (Live and Let Die, 1954).

Iedere winter verdween Fleming naar zijn landgoed ‘Goldeneye’ op Jamaica om daar op een vergulde typemachine een nieuw avontuur van Bond bij elkaar te fantaseren, ook toen zijn gezondheid hem door de dagelijkse consumptie van een halve fles gin en zeventig (handgerolde) sigaretten in de steek begon te laten. Terwijl Fleming langzaam opbrandde, bleef Bond jong.

Koude-oorlog paranoia

Dankzij Bond was het geen schande om Brits te zijn, zelfs niet in de jaren vijftig. En nog steeds is de populariteit van Bond niet tanende. Dankzij de huidige terrorismedreiging begrijpen we de Koude Oorlog-paranoia van Bond misschien wel beter dan ooit. Maar de universele aantrekkingskracht van Bond heeft ook te maken met de persoon Fleming. Er wordt vaak beweerd dat hij met Bond zijn alter ego schiep. En inderdaad: net als Bond was Fleming een aristocraat, afkomstig uit een steenrijke bankiersfamilie. Net als Bond werkte Fleming tijdens de oorlog voor de geheime dienst – hoewel hij zijn eigen rol schromelijk overdreef. De exotische locaties waar Bond door M naar toegestuurd wordt, kende Fleming uit eerste hand. En net als Bond was Fleming een oppervlakkige man, met een diepe minachting voor vrouwen. „Het probleem met vrouwen”, vertelde Fleming een interviewster, „is dat ze niet schoon zijn. Ze zijn smerig, het hele zootje.”

Super-ego

Naast de vele overeenkomsten tussen Bond en Fleming is er ook een belangrijk verschil. Zoals Fleming-biograaf John Pearson schrijft: „Bond is de man die altijd zou slagen waar Fleming faalde.” Fleming was maatschappelijk weinig succesvol. Hij was journalist, aandelenhandelaar en uitgever, maar in geen van die beroepen blonk hij uit. De oorlog was zijn finest hour.

Als medewerker van de inlichtingendienst mocht hij meedoen aan operaties, hoewel hij tot zijn spijt het echte veldwerk moest overlaten aan anderen. Na de oorlog kostte het Fleming moeite terug te keren naar een burgerbestaan. Hij verzon een ideale versie van zichzelf, meer super-ego dan alter ego, die de avonturen beleefde waar Fleming alleen maar van droomde. Dat verlangen naar een avontuurlijker leven kent iedereen. Eigenlijk willen we allemaal James Bond zijn.

Bondschurk Bernhard

Ondanks hardnekkige geruchten heeft onze eigen prins Bernhard niet model gestaan voor James Bond. Wel voor een Bondschurk.

Toen Bernhard zich in de oorlog in Londen vestigde, kwam hij in het vizier van de Engelse geheime dienst. De Britten wantrouwden de Duits-Nederlandse societyprins, die lid was geweest van de NSDAP. Ian Fleming kreeg opdracht om de prins in de gaten te houden. De prins bleek te vertrouwen en de twee raakten bevriend. Ze deelden dezelfde hobby’s: vrouwen, snelle auto’s en spionage. Volgens Bernhard redde de vriendschap hem zelfs het leven. Toen hij na een etentje met Fleming wilde opstappen maande het gezelschap hem om nog even te blijven voor een glas cognac. Bernhard ging weer zitten. Momenten later werd het trappenhuis van het pand getroffen door een bom.

In de Bondroman Thunderball brengt Fleming een dubbelzinnige hommage aan de prins. In een kuuroord ontmoet 007 ‘Count Lippe’, een dandy die zijn schimmige adellijke komaf gebruikt als dekmantel . Naar verluidt kon Bernhard (van Lippe Biesterfeld) de grap wel waarderen.

Ik schrijf voor uiteenlopende publicaties over technologie, wetenschap en de toekomst van werk.