De moeder van Marline Brink (47) had een bipolaire stoornis. Regelmatig moest ze worden opgenomen in een psychiatrische kliniek. Drie dagen voor de 13e verjaardag van Marline overlijdt ze door zelfdoding. “Dat mama geen afscheidsbrief voor me had achtergelaten vond ik heel erg.”

STEUN RO

“Ze was heel vrolijk. Veel blijer dan normaal. De middag voordat ze uit het leven stapte was ik nog bij haar op bezoek geweest. Ik ging heel vaak naar haar toe. Meestal op woensdagmiddag als ik vrij was van school. Dan nam ik de trein en de bus, hoe jong ik ook was. Ik wilde niets liever dan bij mama zijn. Ze was opgenomen op de gesloten afdeling, maar het ging heel goed met haar. Ze maakte een vitale indruk. ‘Mag ik je brief aan tante lezen?’ vroeg ik haar. Ik had ‘m op haar bureau zien liggen. Mijn moeder en ik hielden van schrijven. Ellenlange brieven schreven we naar elkaar, op van dat mooie postpapier. We deelden al onze geheimpjes. Normaal gesproken vond ze zoiets goed, maar dit keer zei ze nee. Ik weet nog dat ik dat vreemd vond. En dat ik de brief stiekem tóch las, al weet ik nu – jaren later – niet meer hoe ik dat voor elkaar heb gekregen. ‘Ik wil dood,’ stond er. ‘Ik wil niet meer.’ Het alarmeerde me niet. Ze had dit al zo vaak gezegd dat het bijna ‘gewoon’ was geworden. Al jaren had ze een doodswens, twee keer eerder had ze een suïcidepoging gedaan. Bij één daarvan had ik haar gevonden. Toch waren deze woorden voor mij als kind geen aanwijzing dat ze daadwerkelijk plannen maakte. Ze zat juist beter in haar vel dan normaal.

Mijn moeder liep met me mee naar de bus. Dat mocht van de verpleging. Ze had een rood colbertje aan. Ik knuffelde haar en liep in de bus helemaal naar de achterste rij banken. Zo kon ik haar het langst blijven zien. Ik zwaaide en zwaaide totdat ik alleen nog een klein rood stipje zag. Toen de bus de hoek omging was ze verdwenen. De volgende middag kwam mijn vader thuis. “Mama is vermist,” zei hij. Ik had gelijk een slecht voorgevoel. Mijn vader ging zoeken met een vriendin, mijn broer en ik bleven thuis. De politie zou pas na 24 uur in actie komen. De volgende ochtend riep mijn vader me naar beneden. “Je moeder is…” Hij was om tranen, kon de woorden niet uitspreken. “Overleden,” vulde ik aan. Ik wist het meteen. Ik ging naar mijn kamer, maar kon niet huilen. Het was drie dagen voor mijn 13e verjaardag.

Spanningen

Ik hield zielsveel van mijn moeder. Ze was zoals een moeder hoort te zijn: lief en zacht. We zongen vaak liedjes met elkaar, daar werd ik zo vrolijk van. Als ik thuis kwam uit school dan zat ze met thee en koekjes klaar. Ik herinner me een prentenboekje van Astrid Lindgren: Lotte uit de Kabaalstraat. Daar stond een gedichtje in. Voor het slapen gaan zeiden we dat gedichtje samen op. Ik had een plastic speelgoed kandelaar met kaarsen en die staken we dan zogenaamd aan. Zodra mijn vader thuiskwam veranderde de sfeer. Dan ontstond er spanning. Mijn vader was een dominante man. Hij bepaalde bijvoorbeeld hoe hoog de verwarming in huis stond en hij had een eigen stoel in de woonkamer. Oh wee als je erop ging zitten, dan kreeg je er flink van langs. Naar de buitenwereld toe was hij een charmante man. Buitenstaanders liepen met hem weg. Maar als we visite hadden en ik zei iets wat hem niet beviel dan riep hij me naar de keuken. Daar vielen er klappen. Als klein meisje liep ik op mijn tenen. Mijn moeder was kwetsbaar en lief, ze kon hem niet aan. Ik weet nog dat we met z’n drieën in de stad liepen: mijn vader, moeder en ik, en dat er een mooie vrouw voorbij kwam. Mijn vader kocht altijd de kleren voor mijn moeder en die waren saai en ouderwets. “Kijk Guusje, dát is nu een mooie vrouw. Zij weet zich pas goed te kleden,” zei hij dan tegen haar. Een bipolaire stoornis krijg je niet zo maar, mijn moeder moet er gevoeligheid voor hebben gehad. Maar achteraf denk ik: het is gevoed door mijn vader. Hij brak haar psychisch helemaal af. Als kind had ik dat niet zo door. Mijn moeder was al ziek toen ik werd geboren en de situatie thuis was voor mij normaal. Als kind heb je immers geen referentiekader. Wel vond ik het op de lagere school altijd fijner om bij vriendinnetjes te spelen. Liever bij hen dan bij mij. Ik voelde me bij hen veiliger, maar kon de vinger er niet op leggen waarom. Pas op latere leeftijd zag ik de impact die mijn vader heeft gehad.

Psychiatrische kliniek

Vanaf mijn zesde zat mijn moeder af en aan in een psychiatrische kliniek. Alhoewel ze enorm haar best deed om thuis een goede moeder te zijn – ze was heel creatief en organiseerde bijvoorbeeld de leukste kinderfeestjes – merkte ik aan haar dat ze het niet altijd volhield. Vaak trok ze zich terug. Nu zou ik zeggen dat ze depressief was, maar toen vond ik haar vooral heel stil. Er waren periodes dat ze er niet was. Dan zat ze in een kliniek. Niemand legde me uit wát ze precies had, al voelde ik als kind wel aan dat ze psychische problemen had. Op school vertelde ik dat mijn moeder ziek was en in het ziekenhuis lag. Thuis was ik aan het overleven. Mijn vader maakte niet schoon. Soms deed hij drie maanden de was niet en kon ik niet slapen van de vieze geur die uit de wasmand kwam. Onze tuin was één en al onkruid. Zoveel als ik kon ging ik naar mijn moeder, maar omdat ze vaak therapie had was ik ook veel alleen. Ik weet nog dat een andere patiënt een keer zijn broek liet zakken en zijn piemel liet zien. Ik schrok enorm – ik was een jaar of zeven -, maar ik wist ook: mama is ziek, dus ik moet haar hier niet mee lastigvallen. Dan ging ik terug naar haar kamer, zette mijn glimlach op en deed alsof er niets aan de hand was. Daar was ik sowieso goed in: vrolijk zijn. Ik moet in die tijd voor de buitenwereld een heel blij kind geweest zijn. Ik lachte altijd. Een andere keer zat ik rustig te tekenen toen een vrouw naar me toe kwam. Ze had een krakerige stem. Ik zocht er niets achter, maar een verpleger sommeerde haar te blijven staan. ‘Ga niet verder,’ riep hij. Maar dat deed ze wel. Voordat ik het wist stond ze dichtbij mijn gezicht en gilde ze: ‘Ik ga je vermóórden!’ Ik kan het gegil nog horen toen ze door zes man in witte pakken in een dwangbuis werd gestopt.

Toch liet ik niets merken. Achteraf denk ik: doordat ik aan het overleven was kon ik niet bij mijn gevoel. Aan mijn broer, die ruim vier jaar ouder was, had ik weinig steun. Hij was een puber, zette zich meer af. Daarbij leken mijn vader en hij op elkaar en mijn moeder en ik. Mijn vader vond mijn broer slim en mij dom. Zo kreeg ik als kind een tegeltje van hem met de woorden: ‘Zelfs een slak komt er wel.’

Mama is dood

We lieten aan anderen niet merken wat er thuis aan de hand was. Mijn vader duldde geen inspraak van derden. Als de zussen van mijn moeder vragen stelden dan zei ze: ‘Bemoei je er maar niet mee.’ En: ‘Het valt wel mee.’ Mijn moeder was bang dat het anders alleen maar erger zou worden. Ook ik sprak er niet over met vriendinnen. Niet over mijn moeders ziekte, maar ook niet over de tirannie van mijn vader. Er waren zóveel geheimen, waar moest ik beginnen? Mijn moeder kreeg ondertussen steeds zwaardere medicijnen. Ze vlakte af. Als een zombie liep ze door het huis. Na twee suïcidepogingen werd ze op die bewuste gesloten afdeling opgenomen waar ze iedereen om de tuin had geleid. Ze had zo’n goede indruk gemaakt dat ze de dag na mijn bezoek naar de open afdeling mocht. Na het ontbijt ging ze een wandeling maken. Ze kwam niet meer terug. Op een hotelkamer heeft ze een overdosis pillen genomen. Zonder een afscheidsbrief achter te laten. Zonder iets over mijn verjaardag te zeggen. Iets wat me tot mijn diepste wezen heeft geraakt. Lange tijd verzon ik daarom een verhaal. Dat mijn moeder bij de bushalte tegen me had gezegd: ‘In de kast ligt je verjaardagscadeau lieverd.’ In de week voor mijn verjaardag had ik namelijk stiekem naar cadeautjes gezocht en het zien liggen. ‘Zie je wel,’ zeiden mensen. ‘Je moeder heeft tóch aan je gedacht.’ Maar dat was niet zo. Dat was helemaal niet zo. Ze had dat niet gezegd en dat cadeautje had mijn vader gekocht. Jaren heb ik daarmee geworsteld. Mama en ik waren twee handen op één buik. We hadden zo’n bijzondere band. Hoe kon ze me nou zo vlak voor mijn verjaardag verlaten?

Intens verdrietig was ik. Toch lukte het me niet om te huilen. Onbewust stond ik in de overlevingsstand. Huilen zou betekenen dat ik kwetsbaar was en daarvoor voelde ik me niet veilig genoeg.  Daarbij was mijn vader altijd het slachtoffer. Zijn verdriet was zo overweldigend dat er geen ruimte was voor mijn verdriet. Dus ik hield me sterk. Maar schreef wel in mijn dagboek: mama is dood.

Posttraumatische stress

Op de dag van de uitvaart gingen we met de trein van Zoetermeer naar de begraafplaats in Den Haag. Ik weet nog dat ik de trein uitstapte en al die mensen op het perron zag. Al die mensen die gewoon doorgingen met hun leven. Een klap in mijn gezicht. Mijn leven stond namelijk stil: we gingen vandaag mama begraven. De koffietafel was in het gemeentemuseum van Den Haag, één van de favoriete plekken van mijn moeder. Ze hield van cultuur, was ontzettend nieuwsgierig. Uren had ze daar rondgelopen en ik ging vaak met haar mee.

Je kon er ook wat drinken en die middag had het museum speciaal voor ons een koffietafel gearrangeerd. Er waren denk ik wel zo’n 300 mensen.

Met mijn beste vriendinnetje ging ik naar buiten, even weg van alle volwassenen. Ik weet nog dat ze iets liet vallen en dat ik heel hard moest lachen. Meteen daarna kwamen de tranen. Hoe kon ik nou lachen op de begrafenis van mijn moeder? Enorm schuldig voelde ik me, maar tegelijkertijd kwam al het verdriet er uit.

Jarenlang ging ik meerdere keren per week met de trein en de bus naar het graf van mijn moeder. Ik zat er hele middagen. Dan praatte ik met haar, vertelde haar over mijn dag. De eerste drie jaar geloofde ik niet dat ze nooit meer terug zou komen. Ik wist dat ze dood was, maar onbewust was er dat gevoel van: dit is niet voor altijd. Ik droomde er ook over. Dat ze opstond, dwars door het grint op haar graf heen. Of ik zag haar in stad plotseling lopen. Pas na drie jaar besefte ik dat ze écht niet meer terugkwam. Een dubbele klap.

Toch merkte ik toen ik begin twintig was dat ik de dood van mijn moeder niet had verwerkt. De vader van mijn toenmalige vriend overleed en dat bleek een trigger voor angst- en paniekaanvallen. Er was teveel gebeurd. De ziekte en dood van mijn moeder, maar ook de jarenlange tirannie van mijn vader die mij na haar dood als zijn echtgenote was gaan beschouwen. Vele therapieën volgden, maar de diagnose posttraumatische stressstoornis werd pas op mijn 36e vastgesteld. In de tussenliggende jaren wisselde een destructief en losbandig leven zich af met de drang om normaal te leven. Ik studeerde en werkte, maar nam vaak te veel hooi op mijn vork omdat ik extra mijn best moest doen om alles bij te kunnen benen.

Ster aan de hemel

Sinds drie jaar ga ik minder vaak naar het graf van mijn moeder. Ik ben haar  niet vergeten, maar ze heeft een plekje gekregen in mijn hart. Alhoewel ik niet bang ben geweest dat ik zelf een bipolaire stoornis zou ontwikkelen heb ik wel altijd – hoe slecht het ook ging – medicijnen angstvallig gemeden. Ik heb gezien wat het met mijn moeder deed en ik wist één ding zeker: dat nooit. Op eigen kracht heb ik mijn jeugd verwerkt. De uiteindelijke diagnose Posttraumatische Stressstoornis heeft me daarbij geholpen. Ik wist eindelijk wat er met me aan de hand was en na verschillende therapieën heb ik leren accepteren. Mijn jeugd heeft mij beschadigd, maar ook gevormd tot wie ik nu ben: een sterke vrouw die geniet van het leven. Fysiek en mentaal blijven de littekens aanwezig maar er is een Oosters gezegde dat zegt: ’There’s a crack in everything, that is how the light gets in!’ Zo is het precies.

Een groot verdriet in mijn leven is dat ik nooit kinderen heb gekregen. Ze waren zo welkom geweest, maar het mocht niet zo zijn. Na vier miskramen, en relaties die geen stand hielden, heb ik die droom opgegeven. Ik zou een fantastische moeder zijn geweest, dat weet ik zeker.

Mijn eigen moeder heb ik nooit veroordeeld om haar keuze. Ik ben niet boos geweest. Ik weet dat ze gewoonweg geen keuze had. Dat het pure wanhoop was. Wel denk ik soms: hoe heb je me achter kunnen laten met die man? Het was absoluut niet veilig om mij met mijn vader alleen te laten. Wist ze dat dan niet? Daar heb ik het zo lang moeilijk mee gehad. Als volwassene heb ik door alles wat ik heb meegemaakt vaak het gevoel dat ik niet gezien word, dat ik er niet toe doe. Maar door hard aan mezelf te werken gaat het steeds een stukje beter.

Mama waakt over mij. Als er sterren aan de hemel staan dan is er altijd één die het felst schijnt: dat is mijn moeder. Die gedachte geeft mij troost. Ik zou haar zo graag nog eens willen zien en zeggen:  ‘Lieve mama, met je mooie gitzwarte haren, je was een zuiver mens met een mooi hart. Je hebt me zoveel liefde gegeven. Dank je wel voor wie je was, bent en eeuwig zult zijn. Ik hou van jou.’

Image by Gerd Altmann from Pixabay

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -