Wat gebeurt er met de Noord-Kosovaarse stad Mitrovica, als de presidenten van Kosovo en Servië bereid zijn om hier een nieuwe grens te tekenen?

Donkere wolken pakken zich samen boven Mitrovica, een stad in het noorden van Kosovo. De laatste zonnestralen van een warme nazomermiddag bereiken de Nieuwe Brug, voordat een zware storm over de stad trekt. Onder de brug stroomt de Ibarrivier, die het Servische noorden van het Albanese zuiden scheidt. Het is de enige brug in de stad die nog niet toegankelijk is voor verkeer, waardoor het een symbolische waarde heeft gekregen. Het is de bevestiging van een stad die al jaren verdeeld is.

De muur die door de Serviërs is gebouwd om mensen uit het zuiden te weren.

Kijkend naar de brug lijkt Mitrovica helemaal niet zo verdeeld. Dagelijks steken er namelijk honderden voetgangers uit beide stadsdelen de Nieuwe Brug over om hun vrienden te ontmoeten of om boodschappen te doen. Fisnik Suma, een 23-jarige Albanese Kosovaar uit het zuiden, is een van hen. Hoewel het sinds enkele jaren makkelijker en veiliger is geworden om als ‘zuiderling’ het noorden te bezoeken, voelt Suma zich maar zelden echt veilig in het noorden. “Gisteren is daar een Albanese jongen in elkaar geslagen. Zonder enige aanleiding. Er lopen daar enge types rond.” Toch houdt dat hem niet tegen om het noorden, waar zijn wieg stond, te bezoeken. Hij heeft er vrienden wonen en voelt zich net zo verbonden met het Servische deel als met het Albanese deel. Hij slaat zijn wat schuwe vriend Arian, die alleen Albanees spreekt, nog maar eens lachend op zijn schouder. ‘Mitrovica is mijn stad. Niet alleen het zuiden, maar de hele stad. Het is altijd één stad geweest. Ik heb net zoveel rechten om in het noorden te zijn als de mensen daar.’

Fisnik Suma met zijn vriend Arian op de Nieuwe Brug. Op de achtergrond het Servische deel van de stad.

De oorlog en erkenning van Kosovo
Voor de oorlog, die duurde van 1998 tot 1999, stond Mitrovica bekend als een multi-etnische stad. Onder andere Serviërs en Albanezen leefden hier samen en werkten samen in de Trepca-mijnen. In 1998 liepen de spanningen tussen Servië en Kosovo hoog op en een escalatie volgde. De president van de Federale Republiek Joegoslavië, Slobodan Milosevic, ging de strijd aan met het Kosovaarse bevrijdingsleger UCK dat aanslagen pleegde op Servische doelen. Milosevic probeerde de UCK en de Albanese invloed in Kosovo volledig uit te bannen door middel van etnische zuivering. De NAVO besloot op 24 maart 1999 in te grijpen en bombardeerde 78 dagen lang Servische doelen, totdat Milosevic op 10 juni van dat jaar capituleerde. Sindsdien staat Kosovo onder toezicht van de Verenigde Naties. In 2008 verklaarde Kosovo zich onafhankelijk van Servië, wat vandaag de dag door 111 officiële landen wordt erkend.

Robin van Driesten (Ede, 1995) is journalist en publiceert voornamelijk over Europese Integratie en Zuidoost-Europa