Uit Eva Meijers boek Dierentalen worden we niets wijzer over dierentalen of zelfs maar over taal. In plaats daarvan slijt ze met meer geloofsijver dan begrip de boodschap dat dieren onze gelijken zijn. Zo beschadigt ze niet alleen het serieuze dierenonderzoek maar ook de dieren. Die krijgen, tragisch genoeg, bij “filosofen” als Meijer geen enkele kans om gewoon dier te zijn. Het dier is medeburger en moet stemmen.

“Onderzoek naar de emotionele levens van dieren is net als onderzoek naar moraliteit, en taal, in de mode,” schrijft Eva Meijer in haar populair-wetenschappelijke boek Dierentalen, dat eind 2016 verscheen. Het doet vermoeden dat dat ook haar reden was om het te schrijven. Meijer is namelijk allesbehalve een nederige, nerdy academica. Ze is één van die bewonderenswaardige millennials die ver voor hun veertigste al “beeldend kunstenaar, filosoof, schrijver en singer-songwriter” zijn, eentje die behalve performances, muziektheatervoorstellingen en installaties ook tekeningen en foto’s, video’s en afleidingsmateriaal voor varkens maakt, plus “albums en EP’s” – ik citeer hier haar eigen website.

Maar behalve dat promoveerde Meijer ook aan de UvA, waar ze “lesgeeft”, en is ze voorzitster van de landelijke werkgroep dierethiek van de landelijke Onderzoeksschool voor Wijsbegeerte en van Minding Animals Nederland. Dat laatste is, voor zo ver na te gaan, een zelf opgericht vehikel voor lezingen en cursussen. Voeg daarbij dat haar promotieonderzoek gaat over “political animal voices”, en het is duidelijk dat Meijer zich flink roert in het wereldje van het onderzoek naar de geestelijke vermogens en het welbevinden van dieren, en hoe wij ons tot hen verhouden. Dat is een belangrijk en serieus onderzoeksveld, alleen al vanwege de talloos veel miljoenen dieren die onder onze hoede hun leven slijten als gezelschaps- of hobbydier, als productiedier en, in mindere mate, als proefdier.

Positieflijst

Dat brede onderzoeksveld valt grofweg uiteen in drie met elkaar verstrengelde deelgebieden. Ten eerste is er het praktisch georiënteerde toegepaste diergezondheids- en dierenwelzijnsonderzoek. Dat gaat over honderden problemen in de veehouderij, zoals de beste manier om koeien goed op de hoef te houden, het bestrijden van verenpikken en staartbijten, en het EU-breed monitoren van de toestand van kalveren op transport, maar ook over ontwerp en implementatie van de onlangs ingevoerde positieflijst voor huis- zoogdieren, die bepaalt welke soorten je wel en niet als hobby- of gezelschapsdier mag houden. Dit is onderzoek waar gehouden dieren direct bij gebaat zijn. Onsentimenteel en voor de buitenwacht niet erg sexy, maar wel nuttig.

Het tweede terrein kunnen we ruwweg betitelen als ethologie. Het behelst voornamelijk fundamenteel verkennend onderzoek naar wat een dier eigenlijk is, hoe het zich gedraagt en over welke fysieke en mentale vermogens het beschikt. Grote namen op dit gebied zijn bijvoorbeeld Konrad Lorenz, Jane Goodall en Frans de Waal. De onderzoekers bedienen zich behalve van volgens de regelen der kunst opgezette empirische experimenten ook van individuele gevalsbeschrijvingen en observatie in het wild.

En dan is er het terrein dat bevolkt wordt door een bont gezelschap van ethici, filosofen, moralisten en activisten, die zich vooral druk maken om de positie van het dier ten opzichte van de mens. Je treft er gewone ethici aan, en verder alles van de oer-pleitbezorger van dierenrechten Peter Singer tot en met de extremisten van PETA en het Dierenbevrijdingsfront.

Die drie domeinen delen één in de onderzoekswereld unieke eigenschap: de emotionele betrokkenheid van onderzoekers bij hun onderzoeksobject. Hoe bezield een taalkundige, ingenieur of chemicus ook is, de band tussen hem en zijn morfeem, dijk of molecuul is toch heel wat zakelijker dan die tussen dieronderzoekers en hun dieren. Dat moet ook, je kunt je leven niet slijten in intensief contact met honden, schapen of chimpansees zonder in zekere mate van die dieren te houden. Dierenonderzoekers zijn per definitie dierenliefhebbers, die net als trotse jonge ouders gevaar lopen om in hun pupillen dingen te zien die er niet werkelijk zijn. Bij het toegepaste onderzoek blijft dat door het beperkte, vaak technische karakter ervan meestal wel binnen de perken. Ethologen hebben er vaker last van. Maar het is bij de derde groep dat soms alle remmen los gaan.

Delibererende honingbijen

Dat laatste is zeker het geval bij Meijer en veel van degenen waarop zij zich beroept. Hun gaat het niet om de onbevangen vraag “wat is er aan de hand”, maar om het dogma van de gelijkwaardigheid van mens en dier, waarbij als het uitkomt gelijkwaardigheid verward wordt met vergelijkbaarheid. Daar worden dan illustraties van gezocht die als “bewijs” kunnen worden gepresenteerd.

Een voorbeeld is Meijers “bewijs” dat honingbijen door “deliberatie”, zorgvuldig overleg, gezamenlijk tot een besluit komen over welke van een aantal gevonden nieuwe nestlocaties de beste is. Dat gebeurt volgens haar door iets dat we een dans-battle zouden kunnen noemen. Maar wat we zien is slechts dat elke bij die een mooi plekje vindt, terug in de korf de kwaliteit en ligging daarvan aangeeft door een bijendans. Hoe mooier de vondst, hoe enthousiaster de bij en hoe fanatieker ze danst. Uiteindelijk volgt het volk domweg diegene die het fanatiekst is en daarom het dansen het langst volhoudt. Overleg noch afweging is daarvoor nodig.

Bijna iedereen in Meijers boek heet “filosoof” maar de wetenschapsfilosofische grondslag van het succes van de verlichte wetenschap, datgene wat we nu de wetenschappelijke methode noemen, wordt misprijzend afgedaan als op mensenmanier mensenvragen stellen aan dieren. Waarom serieus onderzoek doorgaans toch zo wordt opgezet en uitgevoerd, kan Meijer niet boeien. De naam Popper valt niet één keer. Liever houdt Meijer het bij impressionistische observationele studies als die van Goodall, lastig te verifiëren en emotioneel gekleurde gevalsbeschrijvingen als die van Irene Pepperbergs wonderpapegaai Alex, anekdotes en oncontroleerbare “verhalen” – en bij Derrida natuurlijk, want met hem kun je alle kanten op.

Diepzinnige Oostenrijker

Veelzeggend is dat Meijer de drie kernbegrippen van haar betoog: taal, cultuur en intelligentie, nauwelijks toelicht, laat staan behoorlijk definieert. Ze begint haar boek met de zinnen: “Als je geluk hebt, ontmoet je een dier dat met je wil praten. Als je nog meer geluk hebt, ontmoet je een dier dat de tijd en de moeite neemt je te leren kennen. In mijn ervaring zijn de meeste dieren niet te beroerd om een praatje te maken.” Maar Meijer weet toch ook wel dat dieren zich noch onder elkaar, noch met ons onderhouden op een manier die in de verste verte doet denken aan wat wij “taal” noemen? En wat zou ze in vredesnaam bedoelen met “een praatje maken”?

“Mijn beginpunt is dat dieren taal hebben,” poneert ze doodleuk op bladzijde 16. Maar is dat nu niet juist de grote vraag? Niet voor filosofe Meijer, die helemaal niet in taal geïnteresseerd blijkt, bij welk schepsel ook. In haar hele boek verwijst ze naar welgeteld twee taalkundige publicaties. Eén is Ferdinand de Saussures antieke Cours de linguistique Generale (die zij opgeeft als uit 1989, maar die in werkelijkheid uit 1916 stamt), de andere Noam Chomsky’s Syntactic Structures (“2004” volgens Meijer maar in werkelijkheid van 1957). Het was Chomsky’s allereerste aanzet tot een compleet nieuwe, generatieve benadering van het menselijk taalvermogen, die inmiddels al tientallen jaren leidend is binnen de taalkundige theorievorming. Meijer heeft blijkbaar geen idee. Haar favoriete taalautoriteit is de antieke Ludwig Wittgenstein, een filosoof die over het verschijnsel taal bijzonder weinig zinnigs te melden had. Wovon de diepzinnige Oostenrijker sprach, waren de communicatieve functies van menselijke taal. Taal als sociaal vehikel, en dat is iets heel anders. Dat je met een mes een schroef kunt vastdraaien en met een schroevendraaier iemand kunt doodsteken, zegt vrijwel niets over wat een mes of een schroevendraaier is, en zo is het met communicatie en taal ook. Communiceren lukt bovendien ook prima zonder taal, juist dát had Meijer van onder meer de dierenwereld kunnen opsteken.

En cultuur? Meijer lijkt welhaast alle leergedrag en alle variatie in gedrag als cultuur te beschouwen. Dat is op zichzelf niet erg, de term “cultuur” wordt wel vaker gebruikt als complementair aan “natuur”. In die specialistische betekenis staat cultuur gelijk aan het Engelse “nurture”: de verzameling van eigenschappen, vermogens en kennis die organismen geheel of gedeeltelijk tijdens het leven verwerven – denk aan je moedertaal, fijne motoriek of aspecten van het gezichtsvermogen. Daar tegenover staat “natuur” ofwel “nature”, de fysieke en psychische uitrusting waarmee elk individu ter wereld komt. Die aangeboren uitrusting verschilt alleen binnen de bandbreedte die de genetica toelaat. De rest, eventueel zelfs met inbegrip van epigenetische processen vanaf de conceptie, behoort tot “nurture” en is in die zin “cultuur”.

Zedelijk leven

Maar Meijer zegt nergens expliciet wat ze met de term “cultuur” bedoelt, zodat de argeloze lezer die verstaat in zijn alledaagse betekenis. Die vinden we bij de enige ware stem des volks: het groot woordenboek van Van Dale. Daar staat, voor zover relevant: “beschaving, ontwikkeling, verfijning van het geestelijk en zedelijk leven, resp. het daarin bereikte peil, beschavingstoestand”. Dat Meijer de term ook daadwerkelijk in die zin bezigt, blijkt op bladzijde 129, waar zij over het gedrag van wormen op gezag van “de Canadese filosoof Massumi” beweert: “Cultuur speelt ook een rol; stijl en originaliteit zijn van belang.” Aangezien van enig geestelijk of zedelijk leven bij andere soorten dan de mens vrijwel geen spoor ooit is aangetroffen, en dan nog uitsluitend bij onze naaste verwanten bonobo en chimpansee, springt Meijer met de term cultuur ronduit misleidend om.

In navolging van diezelfde Massumi probeert Meijer vervolgens ook te laten zien dat diergedrag heus niet alleen maar instinctief is, maar “dat al het gedrag dat als instinct gezien wordt per definitie een creatieve component heeft. Als konijnen altijd op exact dezelfde manier vluchten, zouden roofdieren daar al op kunnen anticiperen. In de praktijk zijn bepaalde elementen van het gedrag gelijk, bijvoorbeeld wegrennen in het geval van de konijnen, maar is dit aangepast aan de specifieke omgeving, en er is ruimte voor variatie en eigen inbreng in hoe ze wegrennen (naar links of rechts, achter een heuveltje, even stilstaan).” Dat is, opnieuw, onzin.

Het punt is nu juist dat roofdieren niet creatief zijn en geen nieuwe jachtmethoden ontwikkelen op basis van het gedrag van hun prooien, die al evenmin nieuwe overlevingstactieken ontwikkelen. We zien slechts min of meer random variatie binnen een strak afgeperkt repertoire van handelingen (naar links of rechts, en zo voort). Nooit zal een konijn iets echt nieuws verzinnen, bijvoorbeeld een schijn-tegenaanval, terwijl dat best eens een goede zet zou kunnen zijn. De variatie die we wel zien is niet origineel of creatief, maar volledig verklaarbaar door de druk van natuurlijke selectie. Het gaat niet verder dan wat volstaat om voldoende exemplaren zo lang uit de kaken van roofdieren te houden dat ze de populatie in stand kunnen houden. Pas als een nieuw, anders geaard roofdier zijn intrede doet, zou er iets aan het repertoire kunnen veranderen, of sterft het prooidier uit.

Intelligentie

Over intelligentie zegt Meijer: “In de biologie wordt intelligentie tegenwoordig begrepen als het vermogen om te gaan met soortspecifieke uitdagingen.” Ook die opvatting ligt nogal ver af van wat gewone mensen eronder verstaan, namelijk de individueel verschillende mate waarin mensen in staat zijn nieuwe problemen het hoofd te bieden of nieuwe oplossingen voor bestaande problemen te vinden. Bij de biologische interpretatie is het effectief  omgaan met bekende problemen de maat van intelligentie. Volgens die opvatting is zelfs een zelfsmerende fietsketting intelligent. En wat doet Meijer? Vrijwel hetzelfde als met het begrip cultuur: ze noemt de biologisch-technische definitie, maar gebruikt het begrip constant in verband met allerlei creativiteit – en dat is nieuw gedrag – die zij in diergedrag meent te ontwaren.

Deze recensie lees je gratis. Het zou mooi zijn als je onderaan een kleine bijdrage deed, zodat ik dit soort artikelen kan blijven schrijven

Misleidend is ook hoe Meijer haar argumenten en bewijzen presenteert. Nergens maakt ze onderscheid tussen repliceerbaar, falsifieerbaar onderzoek, gevalsbeschrijvingen, anekdotes, filosofische speculatie en activistenpropaganda. Alles wordt zonder een zweem van kritiek of voorbehoud met evenveel aplomb uitgeserveerd. Een steeds weerkerende truc is om eerst te stellen dat “er wel mensen zijn die” bijvoorbeeld vermoeden dat mollen de blues zingen, om twee bladzijden verderop daaraan te refereren als “zoals we zagen zingen mollen de blues.” Meijers boek staat vol met zulk modderig wensdenken en dito formuleringen. Wat te denken van de even bizarre als onbegrijpelijke uitspraak: “De zang van walvissen klinkt in mensenoren geïmproviseerd en nogal etherisch, misschien is dat laatste cultureel bepaald omdat bepaalde groepen mensen het gebruiken met meditatie.” Waarop slaat dat “het” terug dat “bepaalde groepen mensen” gebruiken?

Moreel hoogstaande dolfijnen

Nog een voorbeeld van zulk kwakdenken. Als Meijer wil aantonen dat dieren empathische, moreel hoogstaande wezens zijn, schrijft ze: “Er zijn verhalen over dolfijnen die zwemmers helpen die in de problemen geraakt zijn […]. Er zijn ook verhalen over groepen dieren die mensenkinderen opnemen en grootbrengen.” Klopt, zulke verhalen zijn er. Maar wat zegt dat? Er zijn ook verhalen over zwemmers die door dolfijnen juist de verkeerde kant op “geholpen” werden. Als dat waar is, zien we van het gros van de slachtoffers daarvan nooit meer iets terug, die verzuipen zonder getuigen. Alleen de “reddingen” worden een dankbaar verhaal. Misschien zien die geweldig sympathieke dolfijnen mensen domweg als speelgoed, zoals een kat een pluisballetje of een vogel of muis. Weg moraal, weg empathie. In dit licht klinkt Meijers bewering dat van orka’s “in het wild geen gevallen van moord bekend zijn” ineens net zo geloofwaardig als het “hij doet niks, hoor” van een engerd met een gemeen grommende pitbull.

Ook verhalen over wolvenkinderen duiken sinds Romulus en Remus en niet te vergeten Kaspar Hauser met enige regelmaat op. Nog in april van 2017 kroop ergens in de Indiase deelstaat Uttar-Pradesh een meisje op handen en voeten uit het bos dat door apen zou zijn grootgebracht. Wat er van zulke berichten klopt, is onduidelijk. Solide bewijs is er nooit.

Bijna leek dat er wel te zijn bij de twee taalloze, op handen en voeten lopende wolvenmeisjes van ongeveer zes en drie jaar oud die dominee J. A. L. Singh in oktober 1920 uit de jungle van West-Bengalen plukte. Singh noemde ze Amala en Kamala, trok ze jurkjes aan en fotografeerde ze. Hij bracht ze onder in zijn eigen weeshuis in het stadje Midnapore, maar hield uit angst voor de bijgelovige Benghali hun bestaan lang geheim. Daarna werden ze min of meer tentoongesteld. Binnen negen jaar waren de meisjes allebei dood en begraven in een ongemarkeerd graf bij Singhs huis. Zo gaan die dingen, zou Kurt Vonnegut zeggen. Maar wat van het hele verhaal ook waar is, die foto’s zijn inmiddels nep gebleken en hun graf bleek onvindbaar. Daarmee is ook dit verhaal niet van een verzinsel te onderscheiden.

Nim Chimpsky

Is de waarheid haar te mager, dan dist Meijer aperte leugens op. “Een paar jaar geleden,” schrijft ze, “was er groot nieuws: dolfijnen noemen elkaar bij hun naam […] een speciaal geluid, waarmee ze zichzelf aan nieuwe dolfijnen voorstellen, en waarmee ze elkaar roepen.” Haar bron is een artikel van Barton en anderen in Current Biology uit 2006. Maar daarin staat slechts dat als bepaalde interpretaties van observaties zouden kloppen, dat “zou impliceren dat dolfijnen net als mensen namen hebben. Laat echter heel duidelijk zijn dat zoiets nog niet is aangetoond”, waarna nota bene een waarschuwing volgt tegen overenthousiaste journalisten en mensen als Meijer.

Haar weergave van Project Nim is behalve onjuist, ook nog tendentieus. Dat project uit de jaren zeventig was een Amerikaans taalexperiment met de chimpansee Nim, ook wel gekscherend Nim Chimpsky genoemd. Meijer zegt er onder meer dit over: “Het onderzoek waarin hij gebruikt werd, werd geleid door Herbert Terrace, die het onderzoek naar taalvaardigheid van Washoe [een eerder met een soortgelijk doel in een mensengezin opgevoede chimpansee] wilde ontkrachten. Hij liet Nim opgroeien bij een pleeggezin met zeven menselijke kinderen, waar hem weinig structuur werd geboden. Toen Nim in de puberteit kwam, was er een aantal incidenten waarbij hij de mensen om hem heen beet, en uiteindelijk liet Terrace hem naar een laboratorium brengen, waar verder met hem gewerkt werd. Nim leerde 125 gebaren gebruiken. Dat die een uiting van taalvaardigheid waren, werd echter betwijfeld, omdat hij ze had aangeleerd door middel van operante conditionering.”

Daar klopt niets van, te beginnen met de suggestie van onzorgvuldigheid bij de plaatsing van Nim. In werkelijkheid was zijn New Yorkse gastgezin Richards goed voorbereid en had het ervaring met een eerdere chimpansee in het gezin. Bijtincidenten waren er vanaf het begin, wat ook niet zo heel bijzonder is voor een jonge chimpansee. Al na anderhalf jaar werd Nim overdag getraind in Delafield, een speciaal voor dat doel ingerichte villa van Columbia University. Nog weer later – maar nog ruim voor zijn pubertijd – moest Nim helemaal bij het gezin Richards weg omdat hij simpelweg te sterk, te onbehouwen en te chimp geworden was om bij mensen te kunnen wonen.

Gestaald behaviorist

“Toen ze klaar waren met het onderzoek, werd hij naar een farmaceutisch laboratorium gebracht waar hij gebruikt werd als proefdier”, huilt Meijer vervolgens. Ook dat is niet waar. Nim ging terug naar de chimpanseekolonie van het Oklahoma Primate Center, waar hij geboren was. Toen die kolonie jaren nadien voor kankeronderzoek verkocht werd aan New York University, gingen Nim en zijn vriendin Sally op het nippertje niet mee, maar werden ze overgeplaatst naar de Black Beauty Ranch in Texas, een bejaardenhuis voor beroemde dieren.

Erger nog is dat het onderzoek in tegenstelling tot wat Meijer voorgeeft helemaal niet was opgezet om iets te ontkrachten, al deed het dat ironisch genoeg uiteindelijk wel. Het was bedacht door de genoemde Terrace, een behavioristische psycholoog, en Thomas Bever, een “nativistische” taalkundige uit de school van Chomsky. De bedoeling was om eindelijk eens goed vast te stellen of een chimpansee zich met behulp van gebaren werkelijk iets als mensentaal kon eigenmaken, omdat eerdere experimenten te slordig of te summier beschreven waren. Het ging Terrace dus vooral om een gedisciplineerde, uiterst zorgvuldige uitvoering van het experiment. Als gestaald behaviorist meende Terrace dat Nim zich door gewoontevorming en training taal moest kunnen eigenmaken. Zijn tegenspeler Bever ging als “nativist” uit van het bestaan van een aangeboren, specifiek menselijk taalvermogen, en meende daarom zeker te weten dat het nooit zou lukken.

Stemrecht

In de loop van het project leek Nim wel degelijk min of meer voorspoedig gebaren te leren gebruiken, ook actief en zelfs soms in combinatie met elkaar: Nim maakte zinnetjes! Maar jaren na afloop van het experiment bekropen Terrace steeds meer twijfels. Hij ploegde opnieuw door alle bergen casenotes en video-opnamen heen, en kwam tot de zure ontdekking dat bij nader inzien van Nims “converseren” en van de 5.235 geregistreerde “zinnetjes” niets overtuigends overbleef. De onderzoekers hadden ondanks alle zorgvuldigheid dat alles alleen maar gezien omdat ze het zo graag wilden zien. Bij nader inzien gebaarde Nim alleen als hij daartoe werd uitgelokt of instrumenteel, omdat hij iets wou, zoals eten of gekieteld worden. Gewone apenkunstjes. Terrace had ook nog de moed om zijn eigen ster-experiment openlijk te ontkrachten, wat hem door dierenenthousiasten dus tot op de dag van vandaag niet in dank wordt afgenomen.

In haar slothoofdstuk wil Meijer ons verleiden om met dieren “in gesprek“ te gaan, ze als medeburgers te erkennen en zelfs stemrecht te geven – onderling onderhouden ze volgens Meijer immers al democratische besluitvormingsprocessen: “Edelherten gaan op pad als meer dan 62% van de volwassen dieren opstaat.” Dat is allemaal tot je dienst, maar hoe zit het nou met al dat gepraat tussen mens en dier dat voor soortoverstijgend burgerschap nodig is, met die dierentalen? “Voor een definitieve conclusie over dierentalen en wat taal met inbegrip van dierentalen precies is,” stelt Meijer op bladzij 145, “is het te vroeg. Omdat wetenschappelijk onderzoek ernaar pas begonnen is [quod non], en omdat zo’n conclusie nooit door een mens alleen getrokken kan worden. Politiek gezien is het namelijk problematisch om voor een ander te bepalen wat betekenisvolle communicatie is.” Blijkbaar moet het antwoord dus van de edelherten, de wormen en de koeien komen. Maar waarom ook niet? Klazien 13 zal de reputatie van het serieuze dierenonderzoek allicht minder schade toebrengen dan Meijer met haar boek

Eva Meijer: Dierentalen. Leusden: ISVW Uitgevers; 2016. 176 pagina’s, € 17,50.

(Dit artikel verscheen in iets andere vorm eerder in Skepter)

Waardeer dit artikel!

Deze recensie las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je je waardering laten blijken door een kleine bijdrage te doen.

Klik hieronder als je me maandelijks wilt steunen met een vast bedrag

Mijn gekozen waardering € -
Steun Rik Smits maandelijks

Dit artikel lees je gratis. Vind je het mijn inzet de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten blijken door een maandelijkse bijdrage. Zo help je me artikelen te blijven schrijven.

Door je eerste betaling ga je akkoord met een maandelijkse afschrijving voor het gekozen bedrag tot het moment dat je de betaling stop zet.

Mijn gekozen donatie € -
Taalkundige, schrijver, vertaler en wetenschapsjournalist @rik_smits_ @RikSmitsAuthor