We timmeren alle risico’s af, vaak irrationeel gevoed. De rechtspraak, maar ook de reclassering en hulpverlening aan gezinnen, moeten die subjectieve angst juist niet als leidraad nemen.

STEUN RO

Dat was de teneur van de Dag van de Rechtspraak donderdag in de Stadsgehoorzaal in Leiden, waar rechtsprekend Nederland zich verzamelde. In de wandelgangen veel debat over de harde bezuinigingen op de rechtspraak, maar het programma ging over ‘Grondrechten in het geding – vrijheid versus veiligheid’.

De indrukwekkendste bijdrage kwam van een gezinsvoogd ‘Judith’ (anoniem) van een Haags gezin met zwakbegaafde ouders en kinderen. In een hartstochtelijk pleidooi schetste ze haar tergende afweging tussen het garanderen van veiligheid van kinderen, juridisch opgedragen, en het recht op een vrij gezinsleven.

Toen een meerderjarige zoon overleed als gevolg van – zelf gekozen – verwaarlozing en weigering van medische zorg, trof Judith die dag ‘18 agenten’ in het Haagse woninkje. Met in het kielzog een heel circus aan hulpverlening, met maar één conclusie: de resterende, minderjarige vier kinderen moesten acuut uit huis worden geplaatst.

In tegenstelling tot uithuisplaatsing bepleiten – wat Jeugdzorg vaak doet – voorkwam Jeugdbescherming William Schrikker dit. Judith: “Een liefdevol warm gezin waarin ouders en kinderen goed met elkaar omgingen, geen ruzie maakten, geen geweld. Wat doe je dan kinderen aan om ze bij hun ouders weg te halen?”

Echter, de voorwaarde was dat het gezin bijna volcontinu hulp kreeg van alle kanten, van schuldsanering tot opvoedhulp. Of zoals Judith dit noemde, ‘constructieve bemoeizorg’ met controle op vrijwel elk aspect van het gezinsleven. Tot en met de controle van de inhoud van de boodschappentas op gezond voedsel.

Liefde versus norm

Dit verscheurt Judith: rationeel kan ze niet anders doen dan het gebod van de kinderrechter uitvoeren om de kinderen optimaal te ‘beveiligen’ conform maatschappelijke normen. Temeer daar in de jeugdzorg nog het spook rondwaart van Savanna, het 3-jarig meisje dat in 2004 overleed, wat tot vervolging van de gezinsvoogd leidde. Weliswaar volgde vrijspraak, maar de toon was gezet: liever risico’s tot het uiterste mijden.

Dit druist in tegen het gevoel van Judith, die haar oprechte twijfels in vragen ving voor het publiek van rechters: wat is veilig opgroeien? Gaan wij te ver? Ben ik als hulpverlener gebonden aan de maatschappelijke veiligheidsnormen of mag ik naar eigen inzicht het touw laten vieren om het gezin meer vrijheid te geven?

Kortom: hoe moet deze wijze gezinsvoogd omgaan met het dilemma van de maatschappelijke eisen die leiden tot een ‘wurgcontract’ en het recht op een prettig gezinsleven in zelfbeschikking?

Kinderrechters hebben de verbetering van de situatie van kinderen op het netvlies, heel oprecht en nobel, maar de praktijk leert vaak dat de beoogde ‘verheffing’ er gewoon niet in zit, zo ervaart William Schrikker vaak. Misschien zijn vrijheid en liefde belangrijker dan veiligheid en verbetering van omstandigheden, dacht Judith hardop.

De boodschap hakte er behoorlijk in bij de rechters en onderzoekers in de zaal. Hun bouwwerk van veiligheid en kinderbescherming trilde even op de grondvesten door dit gloedvolle betoog. Ook al kun je rationeel vraagtekens plaatsen met kritiek op Judith als ‘en wat nu als er na die zoon nòg een kind ernstig ziek wordt of zelfs overlijdt’?

Het antwoord van Judith: help het gezin wel, maar niet met een soort intensieve dwangverpleging die ten koste gaat van de gemoedelijkheid van het zwakbegaafde gezin. Laat het meer met rust; dan maar wat meer risico.

Ex-delinquent gewantrouwd

Nog een krachtig dilemma van de normen van maatschappelijke veiligheid versus het recht op vrijheid opperde ‘Kamal’. Hij zat vanaf zijn 19e 4,5 jaar vast wegens roofovervallen met geweld. Na zijn vrijlating kan hij nog acht jaar lang geen Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) krijgen wat het vrijwel onmogelijk maakt om een betrekking te vinden. Zo klom hij bij een winkelfiliaal snel op, maar toen het hoofdkantoor hem herkende in een tv-programma over ex-delinquenten vroegen ze hem om een VOG. Dan kon hij beter gelijk gaan.

Keer op keer stuit Kamal bij het solliciteren op dit probleem, ondanks dat zijn bekendheid als medewerker van Stichting Exodus (hulp na detentie) en als voorlichter op scholen hulp opleverde van B&W van Rotterdam. Nu heeft eindelijk de baas van een schoonmaakbedrijf hem een kans gegund, wetend van zijn verleden.

Ook maatschappelijk heeft een ex-delinquent het moeilijk. Daar Kamal de kwalificatie ‘vuurwapengevaarlijk’ blijft dragen, werd hij in de auto voortdurend aangehouden. Ook passagiers, zoals zijn moeder, werden steevast gefouilleerd. Gevolg: Kamal rijdt geen auto meer op eigen naam.

Helpen en dwarszitten

Kamal uitte felle kritiek op de reclassering die volgens hem zinloze uitvoering van bureaucratie op zich neemt terwijl maatregelen zoals het VOG-vereiste hem ondertussen de resocialisatie verhinderen. Humor was het gevolg: zo moest de vuurwapengevaarlijke Kamal vanwege zijn uitkeringsplichten zich melden bij de Koninklijke Landmacht voor een mogelijke baan.

Maar wat dan, vroeg een luisterende rechters in de Stadsgehoorzaal Leiden. VOG-vereiste afschaffen? Dat niet, vond Kamal, want er is heel veel recidive. Maar wel ex-gedetineerden persoonlijk beoordelen in plaats van de standaard vernederende behandeling te geven.

Ondertussen is het aantal maatregelen om risico’s van verdachten en veroordeelden in te dammen de afgelopen jaren enorm toegenomen, zo betoogde VU-onderzoekster Sonja Meijer. De maatschappij toont ook de behoefte: zo was het aantal aanvragen – van vooral werkgevers – voor een Verklaring Omtrent Gedrag in tien jaar tijd vervijfvoudigd, tot zo’n 700.000 per jaar. Dat heeft volgens haar grote problemen met resocialisatie tot gevolg, met Kamal als illustratie.

Rechters met lef

Ook de openingsrede of Rechtspraaklezing van hoogleraar Fundamentele Rechten Janneke Gerards van de Radboud Universiteit was meer een pleidooi voor vrijheid dan voor vaak subjectief veiligheidsgevoel.

De rechtspraak moet uitgaan van objectieve feiten in het bijdragen aan de balans tussen veiligheid en vrijheid. Het vereist moed van rechters om in te gaan tegen irrationele opvattingen.

“Ons veiligheidsgevoel correspondeert lang niet altijd met reële risico’s…Net zoals we ons kunnen realiseren dat de kans om tijdens onze vakantie door een vulkaanuitbarsting om het leven te komen niet bijzonder groot is, weten we heus wel dat de kans dat wijzelf of een dierbare daadwerkelijk wordt getroffen door een terroristische aanslag of door zware criminaliteit, waarschijnlijk vrij gering is.”

Zo wordt echter niet gewogen. Vooral bij beleid om criminaliteit en terrorisme te voorkomen en eventueel bestrijden is het gevoel van onveiligheid vaak leidend. Gerards wil dit niet bagatelliseren, bestrijding van onveilige gevoelens is nodig.

Maar dat is wat anders dan objectief vaststellen hoe groot risico’s zijn en daarop beleid en straffen bepalen. “Als de verschillende vormen van onveiligheid gemakshalve door elkaar worden gegooid, kan het zijn dat maatregelen hun doel niet bereiken of voorbij schieten, of zelfs averechts werken.”

Zo worden maatregelen genomen voor veiligheid op straat die lang niet altijd leiden tot minder criminaliteit. En andersom neemt geslaagde aanpak van criminaliteit niet altijd het subjectieve angsten weg.

Gerards vindt dat rechters, maar ook wetenschappers, politici, journalisten en opinieleiders, veel exacter moeten duiden wat ze bedoelen met ‘veiligheid’. Dat helpt om beter na te denken over de vraag wat er nu eigenlijk op het spel staat, en waarom maatregelen al dan niet zinnig zijn.

“Dat maakt het ook gemakkelijker om ons te weren tegen angstredeneringen, tegen de neiging om van veiligheid een obsessie te maken, en tegen de reflex om na ieder incident onmiddellijk te denken in termen van een aangescherpt preventie‐ of veiligheidsbeleid.”

Het tonen van lef is vooral in kwesties over veiligheid en grondrechten belangrijk volgens Gerards. Met steeds hardere wetgeving worden rechters gedwongen om veiligheidsgevoel voorrang te geven, maar hij moet zich opstellen als hoeder van rechtsstaat en grondrechten.

Rechters kunnen en moeten er wat aan doen als de wetgever (politiek) in het ‘spanningsmoeras’ van grondrechten en veiligheid ‘de verkeerde kant uit marcheert’. De rechter kan bijsturen door wetgeving niet toe te passen, besluiten ze te vernietigen of verdachten niet te veroordelen.

Dat mag natuurlijk niet uit de hand lopen waarbij de rechterlijke macht wel even politiek, bestuur, Openbaar Ministerie of AIVD de les zal lezen en desnoods vervangen.

Maar het is vooral gezond om tegen de publieke opinie in te gaan. Gerards vond de recente weigering van de rechtbank Oost‐Nederland om vermeende Jihadstrijders te veroordelen en uiterste kritische rechtbank Den Haag in de afluisterzaak van advocaten voorbeeldig qua rechterlijke moed.

“Moeten rechters zich dan niet veel vaker mengen in het openbaar debat?” Zo vroeg dagvoorzitter Humbero Tan – ooit rechtenstudent – aan Gerards. “Nee, dat lijkt me niet. Rechters moeten hun vonnissen heel goed en begrijpelijk onderbouwen en formuleren, net zoals recent het Urgenda-vonnis. Dan kunnen anderen dat duiden en erover debatteren.”

    Peter Olsthoorn schreef boeken over internet, Google en The Power of Facebook,Πartikelen over ICT, media (internet vooral), inlichtingendiensten en innovatie. Hij spreekt over deze onderwerpen, treedt op als dagvoorzitter en interviewer op het podium. Was journalist in Oost-Europa, correspondent en oprichter van netkwesties.nl.