Volgens wielrenfanaat (voor de televisie dan) Vincent Cardinaal staat een tochtje van Midsland naar West-Terschelling met tegenwind gelijk aan het beklimmen van de Mont Ventoux.

STEUN RO

Fietsen van Midsland naar West-Terschelling door de ferme tegenwind is voor een verwende stadsfietser als het beklimmen van de Mont Ventoux, of in dit geval: de Mont Brandaris.

Met zijn rode dopje op de top staat de vuurtoren pesterig aan de einder, als het observatorium op de top van de Kale Berg. Tegelijk richtpunt en martelwerktuig tijdens de tocht. Er lijkt geen einde aan te komen.

Zoals de Ventoux het bos kent (‘je vindt er nooit een ritme, je komt er door of niet’ – om “De Renner” nog eens aan te halen), beschikt de fietstocht naar de Brandaris over een geheel eigen woud: dat van tegenliggers en medefietsers. Bij die laatste groep is de één nog onhandiger dan de ander. Een onverwachte bocht, abrupt stoppen midden op het smalle pad: constant verstoren ze het ritme van de fietser die boven alles vooruit wil. Misschien nog wel erger zijn de tegenliggers – gelukzalig glimlachend laten zij zich meedeinen op de voor hen vorstelijke wind méé. Soms krijg je een meewarige blik van een van hen. Zo zal de klimmende wielrenner zich voelen die de coureur tegenkomt die een uur eerder aan de klim begon en zich aan de hand van wind en zwaartekracht rustig naar het nulpunt laat zakken.

Helleveeg

Opeens ben je eruit – je maakt een haarspeldbocht naar links en dan zie je de zee en de haven liggen. Zelfs de Brandaris heeft het weten te behagen om een stuk dichterbij te komen liggen. Voor je gevoel kun je hem bijna aanraken. Maar gelijk een echte helleveeg heeft die klootzak zijn grootste troefkaart nog op zak gehouden: het slingerende fietspad langs het water richting West-Terschelling. 
Laverend langs het hostel Stay Okay en het statige hotel dat er naast ligt is de tegenwind hier bijna te bruut voor woorden. Kromgebogen over het stuur probeert de ongeoefende mens hier overeind te blijven en tegelijk koers te houden. Een bijkans onmogelijke opgave. Toch maakt op dit punt van de reis een bepaald gevoel zich van je meester: afstappen is geen optie. Dat is voor de talrijke babyboomers in synchroongekleurde fleecejasjes die hier en masse zo snel mogelijk een flesje water proberen leeg te drinken. 

De seininstallatie op de top van de Brandaris draait onderwijl onverstoord zijn oneindige rondjes. Het werkt als een foltering, vergelijkbaar met wat de Oud-Chinezen vroeger ‘de druppel’ noemden: met het ritme van een metronoom werd er een druppel water op het voorhoofd van een ongelukkige geplengd. Gek werd je er van, naar verluidt. Terwijl de seininstallatie blijft draaien probeer jij, zoetwatermatroos par excellence, je aandacht te verleggen naar de finish. Zelden zul je je zo in je hemd gezet voelen.

Tommy Simpson

Op het dieptepunt van de worsteling denk je bij het passeren van het hotel Tommy Simpson op het terras te zien zitten. Hij draagt zijn regenboogtrui en drinkt een espresso. Met een calvados er naast natuurlijk, of wat had je dan gedacht? Hij zwaait, en ziet er gelukkig uit.

Na de gifbeker volledig te hebben leeggedronken bereik je dan eindelijk de jachthaven – de 7000 meter van je tocht zitten er nu bijna op, je kunt de Brandaris inmiddels ruiken. Mensen glimlachen hier weer. Aan de voet van de vuurtoren stap je moe, trots en voldaan af. Als het grootste mannetje van de apenrots kijk je om je heen. De mensen geven geen kick, zien je niet staan. Voor hen is dit de normaalste zaak van de wereld. 

Misschien is dit wel het echte eilandgevoel.

Vincent Cardinaal, West-Terschelling, 16 juni 2013.

redactie@reportersonline.nl'

    Geef een antwoord