Nederland telt een miljoen ‘armen’. Niet dat ze omkomen van de honger: vergeleken met vroeger is hun bestaan een stuk comfortabeler. Maar breed heeft de onderkant van de samenleving het zeker niet. Over de vraag hoe je deze mensen het beste ‘verheft’, is meer discussie dan ooit. ‘Korten op de uitkering is de beste hulp.’

STEUN RO

Buiten glanzen de tuinbouwkassen in de winterse kou, binnen is koffie en zijn er hapjes. Op een maandagavond spreekt Desirée van Yperen (41), bestuurder bij Werkplein Westland, in een hotel in Maasdijk een zaal vol lokale ondernemers toe. Die reageren op een oproep van de gemeente Rotterdam om werklozen uit Rotterdam aan een baan in de kassen te helpen.

De ondernemers in het Westland vullen vacatures al jaren op met Polen. Naar tevredenheid. ‘Polen en Westlanders lijken op elkaar,’ zegt Erik Zantingh (44) van Uitzendbureau Groenflex. ‘Ze werken hard, zijn op tijd, zeuren niet, praten weinig tijdens het werk en zitten ’s zondags in de kerk.’

Zantingh luistert met een glimlach naar de discussie in de zaal, waar niet één Rotterdamse werkloze aanwezig is. De ondernemers tonen hun goede wil. Ze zeggen liever Nederlanders in hun kassen te hebben dan Polen, alleen al omdat je elkaar kunt verstaan. Maar Zantingh weet wel beter. ‘Dat wordt niks. Mijn ervaring is: de meesten haken na een paar dagen weer af. Sta je ’s ochtends voor hun deur met je busje om ze op te halen en dan komen ze hun bed niet uit. Ziek, zwak, misselijk, er is altijd wat.’

Dat het moeilijk is om mensen aan de onderkant van de samenleving in beweging te krijgen, weet Desirée van Yperen ook wel. Het gaat om mensen die vaak al lange tijd niet hebben gewerkt. Van Yperen: ‘Na tien jaar thuiszitten, gaat zoiets niet zomaar. Maar de ondernemers hier zien het als hun maatschappelijke plicht om het toch te proberen.’Hoe krijgt Nederland zijn onderklasse in beweging? Het land telt, volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) rond een miljoen ‘armen’. Je gaat door voor ‘arm’ in een welvarend land als Nederland als je een netto-inkomen hebt tussen 940 euro (CBS) en 1.000 euro (SCP) per maand. Dat betreft vooral bijstandsgerechtigden, eenoudergezinnen met minderjarige kinderen en alleenstaanden tot 65 jaar, al dan niet van niet-westerse afkomst.

Kansarmen

Het aantal mensen met nog enig toekomstperspectief wordt door minister Henk Kamp (VVD) van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geschat op zo’n half miljoen. Zij kunnen nog best werken, vindt hij. Bijvoorbeeld in de Westlandse kassen. De rest, de ‘kansarmen’ – psychiatrische gevallen, ernstig verslaafden, anderen met een ‘grote afstand tot de arbeidsmarkt’ – gelden als niet meer aan het werk te krijgen.

In de rijen bij de voedselbanken wordt zichtbaar hoe diffuus deze sociaal-economische onderklasse is. In Spijkenisse bijvoorbeeld. Hier loopt in een grote loods op een industrieterrein van alles door elkaar: jong en oud, blond en donker. Een groepje geinende Antilliaanse tieners achter een grijze, bejaarde Nederlandse vrouw. Een armoedig geklede, zenuwachtig bewegende ex-verslaafde naast een netjes uitziende, schuchtere man, die vertelt dat hij zzp’er is en door de crisis in problemen is geraakt. Kansloos en nog enigszins kansrijk, precies als in de statistieken.

Je komt voor hulp van de voedselbank in aanmerking wanneer je als alleenstaande minder dan 180 euro per maand overhoudt, na aftrek van vaste lasten. Annie ten Haaf (57) heeft maar een paar tientjes per week te besteden. Het komt door haar exen, zegt ze. De eerste dronk en sloeg haar. De tweede bleek ’s nachts hun geld te vergokken op internet – en toen dat uitkwam, ging hij ervandoor. Nu zit de kleine, volkse vrouw in de schuldsanering. Daarom loopt ze bij de voedselbank. Zo kan ze besparen op levensmiddelen en andere producten. Werken, zegt Annie, daar moet ze even niet aan denken.

Elk geval bij de voedselbank staat op zich: een dakloze met een slechte gezondheid heeft andere zorgen dan een gezonde, alleenstaande werkzoekende moeder. Duidelijk is: je bent aan de onderkant vooral de klos als je schulden hebt gemaakt, hoe ruimhartig het sociale vangnet ook is. ‘Had ik maar die 940 euro per maand, meneer,’ zegt een magere man van middelbare leeftijd (‘Zeg maar Kees’), terwijl hij buiten z’n tassen aan het fietsstuur hangt. ‘Ik zit zwaar in de schulden en houd per maand 150 euro over.’ Als hij wegfietst roept Kees, tegen niemand in het bijzonder: ‘Wie kan er nou rondkomen van een paar euro?’

Ja, hoe doe je dat? Hoe kom je rond met zo weinig geld? Keimp Pijpstra (44) uit Leeuwarden, sinds enkele jaren in de bijstand, ontwikkelde z’n eigen strategieën. ‘Ik struin alle folders af op aanbiedingen en begin dan te rekenen: als ik met de bus naar de Albert Heijn ga voor een pak melk met korting, loont het dan nog? Of ga ik toch naar de buurtsuper?’

Dakloos

Dagelijks houdt Pijpstra 6 euro over voor eten, na aftrek van zijn vaste lasten. Hij paste zijn eetpatroon aan. ‘Mijn favoriete warme maaltijd is toast met kaas en daarop witte bonen in tomatensaus. Heel voedzaam. Of een blikje tonijn met brood.’ Koopjeswinkels als de Action, de Lidl, Zeeman: ze zijn allemaal ‘fantastisch’.

Pijpstra – donker pak, bril en borstelig haar – belandde in de bijstand na een verblijf in Oost-Europa, nu meer dan twee jaar geleden. Hij solliciteerde fanatiek, zegt hij, ‘maar telkens liep ik tegen een muur’. Boven de veertig, met alleen een havo-diploma op zak en versnipperde werkervaring: ‘Negen van de tien keer kreeg ik niet eens antwoord op een sollicitatie.’ Pijpstra reageerde zoals zoveel langdurig werklozen: hij trok zich terug. ‘Ik kreeg de indruk dat mensen me lui vonden, voelde me klein en nutteloos.’

Niemand in de onderklasse komt om van de honger. De betekenis van armoede is veranderd. Maar langdurig geldgebrek zorgt wel voor allerlei ongerief – psychologisch, sociaal, fysiek – en leidt vaak tot sociaal isolement, tot sociale ‘armoede’. Dit kan schrille vormen aannemen, ondervond ook Henk van Erdelen (52).

Sinds mei vorig jaar is de voormalige heroïnegebruiker dakloos. Recent kreeg Van Erdelen, die ondanks z’n grijze haren nog jeugdig oogt, te horen dat hij lijdt aan een ernstige vorm van levercirrose. ‘Ik heb een levertransplantatie nodig,’ zegt hij, op een doordeweekse middag in de vrijetijdsruimte van het Instroomhuis voor dak- en thuislozen in Amsterdam-Oost. Henk haalt uit z’n binnenzak een brief van zijn artsen. ‘Kijk, hier staat het. Ik heb hepatitis-B en -C. En cirrose. Daarom ben ik soms zo geel.’

Ook Van Erdelen zat in de schuldsanering. Toen hij, naar eigen zeggen, wegzakte in een depressie, dagenlang op bed bleef liggen, z’n post niet meer opende en de huurschuld liet oplopen, werd hij uit huis gezet. Eerst kon hij nog bij kennissen terecht, maar uiteindelijk belandde hij op straat.

Inmiddels kent hij de gebruiken in het daklozencircuit, de mensen en de plaatsen: zes weken in het Instroomhuis, dan naar opvangcentrum De Veste, en vandaaruit naar een andere plek. ‘Zo blijf je rondzwerven.’

Hulp van zijn familie, met wie hij geen contact heeft, verwacht hij niet. Maar in de opvang vraagt ook niemand hem hoe het gaat. Dat steekt. ‘Ja, ik praat wel met ome Jan. Hè, ome Jan?’ Henk wijst op de oudere man van de bewaking, aan de andere kant van de tafel. Ome Jan knikt en staart dan weer in de verte. ‘Maar verder heb ik niemand.’

Al tientallen jaren doet Henk van Erdelen een beroep op de verslavingszorg. Als junk had hij contact met hulpverleners ‘die later in de sector grote jongens werden’: een oud-straathoekwerker die adviseur werd van de overheid, een ander die inmiddels regeringen in Afrika adviseert, een derde met een eigen consultancybureau voor verslavingsproblematiek. ‘Zij zijn binnengelopen dankzij mensen als ik.’

Henk van Erdelen schetst een wrange werkelijkheid: de onderklasse bestaat in Nederland niet zonder de professionele hulpverleners. Ze zijn elkaars spiegelbeeld: de een z’n probleem is de ander z’n brood.

Maatschappelijk ‘kwetsbaren’ als Annie ten Haaf, Keimp Pijpstra en Henk van Erdelen worden niet aan hun lot overgelaten, hoe geïsoleerd ze zich soms ook mogen voelen. Integendeel, een complete industrie, waar in de loop der jaren miljarden euro’s aan publiek geld in zijn gepompt, staat klaar om hen op te vangen, te verzorgen en te begeleiden en om hen, indien mogelijk, weer klaar te stomen voor de arbeidsmarkt.

Als een ware big brother speuren al die instanties – zowel van de overheid als elkaar beconcurrerende private ondernemingen – de markt af naar potentiële cliënten. Deze probleemindustrie is enorm gegroeid. Er zijn minstens tweeduizend commerciële reïntegratiebedrijven die werklozen naar een baan moeten begeleiden. Sinds 2002, na de invoering van de marktwerking in de arbeidsbemiddeling, stroomde er jaarlijks 1,5 miljard euro naartoe. Totdat het kabinet-Rutte besloot dat het wegens een gebrek aan rendement wel mooi was geweest. Ondanks al die miljarden, ondanks de bemoeienis ‘tot achter de voordeur’, ondanks telkens nieuw beleid en hele stelselwijzigingen blijft de omvang van de maatschappelijke onderklasse stabiel.

Hoe komt dit?

Een reden is: de probleemindustrie vindt steeds opnieuw het wiel uit. Keer op keer worden nieuwe projecten opgezet, een ‘nieuwe aanpak’ aangekondigd. Alleen al op gemeentelijk niveau worden jaarlijks honderden nieuwe initiatieven uitgevoerd en honderden bestaande projecten beëindigd – allemaal bedoeld om mensen onder in de samenleving aan een baan te helpen.

Onderzoeker en ‘sociaal ondernemer’ Daniël Giltay Veth (55) beschreef de duizelingwekkende omvang van deze ‘projectencarrousel’. Hij komt tot een onthutsende conclusie. Niet alleen is het aantal projecten dat pretendeert armoede te bestrijden extreem groot, het merendeel wordt na enige tijd vervangen door wéér nieuwe. En ironie: het woud aan initiatieven heeft als belangrijkste gevolg dat de mensen om wie het gaat, verdwalen tussen al die ‘zorgloketten’. Ze blijven hangen in het net van regelingen en instanties. Zo draaien deze mensen een leven lang mee in de carrousel. Geen verheffing van de onderklasse, maar instandhouding.

Giltay Veth houdt kantoor in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt. Daar hangt, op een schoolbord, een organogram met drie elkaar insluitende cirkels en veel pijlen die naar het midden van de binnenste cirkel wijzen: daar ergens bevindt zich de groep ‘kwetsbare huishoudens’. De cirkels staan voor: politiek, beleidsambtenaren en uitvoerenden.

De politici bedenken wat, de ambtenaren ‘vertalen’ dit in beleidsnota’s en op basis daarvan formuleren uitvoerders nieuwe projecten. Met als gevolg dat het aantal pijlen gericht op de ‘kwetsbare huishoudens’ steeds groter wordt. En doordat van coördinatie tussen al die verschillende armoedebestrijdingsprojecten nauwelijks sprake is, raakt uiteindelijk iedereen het overzicht kwijt. De conclusie van Giltay Veth? ‘We zijn met z’n allen stapelgek geworden.’

Neem Annie ten Haaf in Spijkenisse. Een typisch voorbeeld van iemand met zogeheten ‘multiproblematiek’. Ze krijgt een bijstandsuitkering, zorg- en huurtoeslag, zit in de schuldsanering, loopt bij de voedselbank, krijgt hulp bij haar alcoholprobleem en haar dochter wordt door hulpinstanties begeleid.

Door maximaal gebruik te maken van het versnipperde aanbod, redt ze het. Maar doordat de loketten niet met elkaar overleggen, doordat niemand – zoals minister Kamp nu wil – druk op Annie uitoefent om te gaan werken, en omdat er geen limiet is aan haar gebruik van de regelingen, is de kans groot dat zij nog jarenlang meedraait in dit circuit. Daarvan wordt, behalve de hulpinstanties, niemand beter.

Giltay Veth bepleit een radicale verandering in het denken over armoedebestrijding. ‘Mensen moeten zélf aangeven hoe zij hun leven willen verbeteren.’ Niet het aanbod moet centraal staan, maar de vraag. En verder: stop de carrousel. Laat de projecten die succesvol zijn bestaan, maar draai de geldkraan verder dicht.

Ook iemand als oud-bankier Rutger Koopmans (53), die de gemeente Amsterdam adviseerde over ‘activerend armoedebeleid’, constateert dat wie aan de onderkant van de samenleving verblijft kennelijk niet langer in staat wordt geacht zelfstandig beslissingen te nemen. Koopmans: ‘Je wordt behandeld en begeleid door regelingen en instanties.’ En dit quasi tot in het oneindige. Volgens Koopmans worden mensen alleen geholpen als het ‘infuus van de hulp’ tijdelijk is. ‘En reken instellingen af op het resultaat.’

Dit laatste is ongebruikelijk. Kijk naar de schuldhulpverlening in Amsterdam. Koopmans: ‘De effectiviteit is bedroevend. Maar dat maakt die instanties niks uit, want als hun cliënten via de draaideur terugkeren, hebben zij weer “intake”. Zoals een leidinggevende van de Dienst Werk en Inkomen in Amsterdam tegen mij zei: “Als we de armoede halveren, kunnen we ook het aantal ambtenaren halveren.” En daar hebben ze geen zin in.’

Het kabinet wil een cultuuromslag forceren. Door financiële prikkels voor uitkeringsgerechtigden in te voeren, hoopt het in elk geval een deel van de onderklasse aan het werk te krijgen. Bijstandsgerechtigden moeten een tegenprestatie leveren en eventueel verhuizen als ze elders een baan kunnen vinden, anders worden ze gekort. Er is een maximale gezinsbijstandsuitkering van 1336,42 euro per maand ingevoerd – evenveel als het nettominimumloon – zodat wordt voorkomen dat aan één gezin meer uitkeringen worden uitgekeerd. Ook moeten gezinsleden die werk hebben, gezinsleden met een uitkering financieel ondersteunen. En jongeren tot 27 jaar moeten eerst vier weken actief naar werk zoeken voordat zij een uitkering kunnen aanvragen. Jongeren met een arbeidshandicap moeten sneller aan het werk.

Enthousiast

Dit is niet de ‘koerswijziging van 180 graden’ die Giltay Veth bepleit, maar het is wel een signaal dat de samenleving steeds meer moeite heeft met een onderklasse die leeft van belastinggeld zonder daarvoor een prestatie te leveren. Ook onder hulpverleners en lokale bestuurders dringt dit besef door. Net als het inzicht dat werken beter is dan thuiszitten met een uitkering.

‘De tijd dat mensen niets terug hoefden te doen voor een uitkering, ligt achter ons,’ zegt Helga Krist (46), projectleider werk en participatie bij de gemeente Leeuwarden. ‘Ik vind het ook terecht dat van werklozen wordt verwacht dat ze verhuizen als er elders werk is.’ Krists collega Ad van Alphen (57): ‘Het maatschappelijk beeld kantelt: zelfs werklozen geven toe dat ze af en toe een schop onder hun kont nodig hebben.’ Ook Keimp Pijpstra, levend van een bijstandsuitkering, erkent dit: ‘Er mag best wat harder worden opgetreden.’

Krist en Van Alphen leiden een cursus ondernemen voor bijstandsgerechtigden. Pijpstra volgde de opleiding en is enthousiast. ‘Het idee is: doe iets om uit die uitkering te komen, en doe het zélf.’ Pijpstra bouwt nu voor derden websites en heeft de eerste opdrachten binnen. Van Alphen: ‘Vroeger was Keimp als onbemiddelbaar in een bak verdwenen en was er niet meer naar hem omgekeken.’

In Leeuwarden werken ze met ‘frontlijnteams’, in Enschede met veelgeroemde ‘wijkcoaches’, in Veendam met ‘sociale teams’. Zo staan hulpinstellingen in direct contact met elkaar over de meest effectieve aanpak van kansarme wijkbewoners. Ineke Weernink (48) overziet, als manager van welzijnsorganisatie Compaen in Veendam, de sociale problematiek in haar regio in Oost-Groningen. Ook in Veendam zeggen ze: achterover leunen is er niet meer bij, mensen aan de onderkant moeten zo snel mogelijk actief worden.

Weernink: ‘We redeneren niet langer: wat kunnen deze mensen allemaal niet? Maar: wat kan hij of zij wél?’ Sneeuw ruimen bijvoorbeeld, of chauffeuren voor minder valide wijkbewoners. Zo motiveer je mensen, die vaak een geïsoleerd bestaan leiden. ‘Het is al een eerste stap als iemand z’n deur uitkomt voor een ommetje met de invalide buurman.’

Activeren, motiveren, sancties opleggen: het is deze combinatie die critici van de probleemindustrie aanspreekt. ‘Je doet het niet graag, maar eventueel korten we op de uitkering als ultieme vorm van hulpverlening,’ zegt Weernink.

Het klinkt mooi. Maar Helga Krist in Leeuwarden is de eerste om al te hoge verwachtingen te temperen. ‘We hebben wel te maken met sociaal vaak heel zwakke en kwetsbare mensen, vergeet dat niet. De helft van onze cursisten haalt de eindstreep niet.’

Proefdraaien

In het Instroomhuis voor daklozen in Amsterdam mijmert de ex-drugsverslaafde Henk van Erdelen over zijn toekomst. Hij zou wel iets in een bejaardenhuis willen doen, zegt hij. ‘Koffie schenken en een praatje maken. Bij de sociale dienst zeggen ze dan: oké, we gaan er achteraan. Maar ik hoor nooit iets van ze.’

Het ligt niet voor de hand dat Van Erdelen, gezien zijn leveraandoening, ooit nog aan de slag komt. ‘Eerlijk gezegd denk ik dat ik over een paar jaar dood ben,’ zegt hij. Soms zijn mensen werkelijk niet in staat om actief deel te nemen aan de samenleving. Voor hen is het sociale vangnet bedoeld.

Maar wie wel mee kan doen, moet meedoen, vindt Desirée van Yperen van Werkplein Westland. ‘Elke plaatsing is er één,’ houdt ze de verzamelde kwekers in Maasdijk voor. Geen projectencarrousel, direct een maand proefdraaien in de kassen. ‘En daarna een mooie baan met toekomstperspectief.’ Ook hier geldt: als mensen niet willen, moet hun uitkering maar worden ingetrokken.

Het is nieuw beleid, zegt Van Yperen. En het is noodzakelijk. Want: ‘Een uitkering is alleen bedoeld voor hen die het echt nodig hebben.’

Verschenen in: Elsevier

    Wierd Duk schrijft over Berlijn, de hipste stad van Europa, en bericht over Duitsland, het machtigste land in de Europese Unie, en over Rusland, het ingewikkeldste land tussen Europa en Azië. Hij was correspondent in Rusland en verslaggever voor de GPD en Elsevier. Laat op radio en tv regelmatig zijn licht schijnen over actuele internationale ontwikkelingen. Schreef de boeken ‘Poetin: straatvechter bedreigt wereldorde’ (Prometheus/Bert Bakker) en 'Merkel: koningin van Europa' (Prometheus/Bert Bakker). In 2016 verschijnt 'De Beul en de Heilige: een geschiedenis uit Auschwitz' (Prometheus/Bert Bakker).

    Geef een antwoord