Het Fries Museum staat honderd jaar na haar dood stil bij de legende van Margaretha Zelle, het Nederlandse meisje achter de iconische Mata Hari. De glorieuze opkomst van Mata Hari in de danstheaters van Parijs werd in Frankrijk zelf breed uitgemeten, maar in Nederland werd zij pas jaren na haar dood een fenomeen.

STEUN RO

Toen ze in 1905 begon ze met het opvoeren van de exotische dansen in Parijs, steeg haar ster al meteen. Ook haar debuut op 13 maart 1905 in het Musée Guimet voor Oosterse Kunst in Parijs bleef niet opgemerkt. Kranten omschreven haar als ‘lang en slank en lenig als een slang’, waarbij ze de uitgestrekte armen tot het uiterste puntje van haar tenen wist te brengen.

Niet veel later was ze dagelijks in de Olympia te aanschouwen. Een slanke lenige gestalte, met zwarte haardos en prachtige ogen in een voor haar geschreven pantomime. Ze verdiende zeker 5000 en later 10.000 franc per maand.

Journalisten maakte ze van alles wijs. Dat zij in India was geboren en haar vader tot de kaste der Brahmanen behoorde. Of juist weer een Javaanse prins was. Ze had het niet van een vreemde. Haar vader die in 1907 een roman over haar schreef zou zich naar eigen zeggen hebben gebaseerd zich op aantekeningen van Mata Hari tijdens een reis naar Amerika. Dat verre land had zij nooit bezocht.

Interviews met Nederlandse kranten, die zij wisselend in het Frans en het Nederlands te woord stond, waren wat serieuzer. In 1905 vertelde ze hoe ze een maand of negen eerder in Parijs was gekomen met een halve franc op zak en zij regelrecht naar het Grand-Hotel was gegaan. Ze had een revolver klaar voor het geval haar missie zou mislukken.

Ze had, zo vertelde ze, een uiterst impulsief karakter, ‘ik ben een vrouw, geneigd aan een coup de tête gehoor te geven.’ Ze kon in die jaren ruim voldoen aan al haar grillen: ‘Ik soepeer vanavond met graaf A. en morgen met den hertog van B. Heb ik niet te dansen, ik neem vakantie als ik er lust toe heb, dan maak ik een reisje met den markies de C. Ernstige liaisons vermijd ik … Dat zou aanleiding kunnen worden om in een tweeden kuil te vallen.’

Maar het zou ook best kunnen dat ze weldra alle dansen vaarwel zou zeggen, vertelde ze in één moeite door: ‘Ik ben kort geleden ten huwelijk gevraagd door een Russisch officier, attaché bij het militaire Huis van Grootvorst Michael.’

De stijlicoon, sekssymbool en femme fatale die zij in Parijs was zij in het vaderland allerminst. Dat kon ook moeilijk anders. Kranten telden in die jaren maar enkele pagina’s, met nauwelijks foto’s of illustraties. Verhalen over haar waren op zijn best weggestopt op het ‘derde blad’. Geïllustreerde tijdschriften verschenen mondjesmaat. En de aandacht, die al niet veel voorstelde, beperkte zich ook nog tot hooguit de jaren 1905 tot 1907.

Danswonder

Niet alles was zelfs maar positief. Omdat de verhalen uit Parijs over het nieuwe danswonder, ‘nog eclatanter dan Isadora Duncan’, ook naar Amsterdam waren overgewaaid, besloot de bekende toneelcriticus Henri Borel, op weg naar Indië, haar optreden in de Olympia te aanschouwen. Hij schreef november 1905 een vernietigend stuk in het Nieuws van de Dag. ‘Zoodra het scherm op was en Mata-Hari verscheen, voelde ik direct twee dingen als zeker: dat zij een mooie vrouw is, met een lichaam van een eigenaardige charme als van een groot, nog niet geheel volwassen kindmeisje, en dat zij absoluut geen artieste is, die dansen kan, zoo dat het kunst is. Er is geen sprake van, dat ze ook maar in een hoekje van de schaduw zou kunnen staan van Isadora Duncan, die ik ook niet eens zoo’n buitengewoon genie heb gevonden.’

Ze kon haar mooie lichaam volgens Borel wel voordelig doen uitkomen in ‘séduisante poses, die hun eigenaardige bekoring hebben, maar haar dansen lijkt naar niets.’ Het is slechter dan een gewoon ballet, oordeelde Borel. Mata Hari zweefde en wiegelde zo’n beetje, trok ‘erge uitnoodigende gezichtjes’, en lachte wel heel liefjes, maar van mooi dansen was geen sprake, ’t Was kleurloos, lafjes, indifferent.

Ook de muziek – een imitatie van de Feuerzauber uit Die Walküre – was ongenietbaar. In het tweede deel werd het gebrek aan talent volgens Borel pas echter hinderlijk. De criticus begon hartelijk mee te sissen en te fluiten met het merendeel van het publiek, dat op luide wijze zijn ongenoegen te kennen gaf. Hij waarschuwde vast voor haar Nederlandse optredens die 10 gulden per persoon moesten kosten.

De doorbraak in Nederland als danseres zou trouwens uitblijven. In 1914 is er dan nog een berichtje dat de Franse Opera erin geslaagd was om Mata Hari aan haar gezelschap te verbinden. Zij zou als levend schilderij optreden, een nabootsing van het vermaarde 18e -eeuwse doek van Lancret, La Camargo.

Bij de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog keerde Mata Hari naar Nederland terug. In de jaren 1914 en 1915 had zij een huis aan de Nieuwe Uitleg in Den Haag en trad ze in die tijd op in de nabije Koninklijke Schouwburg met een Hindoestaanse dans in de opera Lakmé. Ook dat werd geen succes.

Haar arrestatie op verdenking van het spioneren voor de Duitsers in 1917 leverde haar wel veel publiciteit in eigen land op. Daarop werd besloten om haar Haagse woning in 1918 open te stellen voor bezichtiging.

Honderden ‘begeerige dames en heeren’ moesten in groepjes worden binnengelaten. Het Algemeen Dagblad schreef: ‘Zoo hebben honderden brave, door de kou wat roode, neuzen naar hartelust kunnen snuffelen, honderden o, zoo deugdzame oogen hier kunnen rondglurem naar al dit, dat der Zonde was. Naar de speelsche gravuretjes aan den wand, naar de kristallen wijnglazen en het blauwe porselein, naar het groote bad, dat nu stoffig en kil was, maar dat eertijds het dampende, geparfumeerde water bevatte, waarin Mata Hart zich waschte.’

In de achterkamer hing volgens de krant een pastelportret van een schone vrouw met blanke, prachtig-gelijnde armen en donkere ogen. ’t Was of ze hautain glimlachte om het gedrang in dit huis.

Daarna luwde de media aandacht voor vele jaren, totdat enkele publicaties en boeken over wat inmiddels ‘een der grootste spionnen in de wereldoorlog was gaan heten’ een nieuwe stimulans gaven aan haar mythevorming. Voor het eerst namen Nederlanders kennis van haar foto’s in Nederlandse kranten. En Hollywood deed de rest.

Over de eerste gesproken speelfilm met Greta Garbo werd al meteen een kort geding gevoerd tegen bioscoopbedrijf N.V. Tuschinsky. De drie broers Zelle hadden producent Metro Goldwyn gewaarschuwd: ‘Mata Hari heeft fouten gemaakt, maar maak het niet te grof’. Dat werd het in hun ogen wel: Mata Hari werd in de film een moord, althans doodslag, ten laste gelegd. De eis werd afgewezen en de film begon aan een internationale zegetocht.