De jonge schrijver Merijn de Boer, redacteur van het literaire tijdschrift ‘Tirade’, publiceerde al verhalen en artikelen in ‘De Gids’, ‘Passionate’ en ‘De Parelduiker’. Met de intrigerende verhalenbundel ‘Nestvlieders’ maakt De Boer een sterk en opvallend debuut.

STEUN RO

Merijn de Boer – Nestvlieders (192 p.)
Meulenhoff, €17,95/€6,95 (e-book)

_____

Unheimisch

Met de twee korte verhalen ‘Overal leegte’ en ‘Kraaien in de schoorsteen’ en de twee novelles ‘Balthasar Tak’ en ‘Luchtkasteel’ biedt De Boer een mooie eerste proeve van zijn kunnen. Samen met Vogels met zwarte poten kun je niet vreten van Anton Dautzenberg is Nestvlieders een van de opvallendste debuten van de afgelopen tijd. Evenals zijn Tilburgse collega heeft Merijn de Boer niet gekozen voor de veilige weg; zijn verhalen en personages zijn even zonderling als fantasierijk. Maar waar Dautzenberg soms overhelt naar absurdistisch en pervers, is de sfeer in de verhalen van De Boer eerder vervreemdend en een tikkeltje unheimisch. Volgens de tekst op de achterkant van het prachtige omslag van Nestvlieders, die de sfeer recht doet, staat dat de personages ‘ieder op hun eigen manier de vervreemding van zichzelf of de maatschappij proberen te ontlopen’. Maar meer nog zijn ze de vervreemding in eigen persoon.

In het openingsverhaal ‘Overal leegte’ woont een werkloze jongen in een vrijwel verlaten, Bijlmer-achtig flatcomplex in de vorm van een dolfijn. Om een of andere duistere reden zijn van de 767 appartementen er maar negen bewoond. De jongen deelt de ‘flat rugvin’ met slechts een andere bewoner: Laura. ’s Middags trekken ze op dezelfde tijd baantjes in het zwembad, en krijgen dan soms ook bezoek van de saaie fiscalist Wolf, die in een andere flat woont. Op een ongemakkelijke manier cirkelen de drie om elkaar heen. Tot blijkt dat Wolf in het donker als een soort van cliniclown de straat op gaat om mensen de stuipen op het lijf te jagen.

Maatschappelijk melaatsen

In ‘Balthasar Tak’ is de ‘held’ van het verhaal een lamlendige figuur die zichzelf niet verzorgt; zijn lijf zit onder de viezigheid en schimmelplekken. Hij gaat op een lange reis, zijn ticket to hell. Vier vliegreizen en een busreis – die wat langer duurt dan gepland vanwege een sprinkhanenplaag en een kotspartij van Balthasar – maakt hij voordat hij de onbekende, apocalyptische bestemming bereikt. Hij blijkt er te zullen gaan werken, maar het hoe en wat ervan is allemaal uitermate vaag. Balthasar deugt bovendien eigenlijk nergens voor en eindigt in een groen-gele outfit als plantenbegieter, waarbij hij meer en meer op de oleanders gaat lijken die hij water geeft. En dan trekt voor de tweede keer een gigantische sprinkhanenplaag voorbij.

De waanzin drijft aan de oppervlakte en is bij de een zichtbaarder dan bij de ander, maar nooit ver weg.

In een van de verhalen valt de term ‘maatschappelijk melaatsen’ en zo kun je de kleurrijke figuren van Merijn de Boer ook omschrijven. De waanzin drijft aan de oppervlakte en is bij de een zichtbaarder dan bij de ander, maar nooit ver weg. Ook aan vrijwel alle figuranten zit wel een steekje los, zoals bijvoorbeeld de ‘antivegetariër’ die in ‘Luchtkasteel’ kilo’s vlees koopt, zo dieronvriendelijk mogelijk geproduceerd, om dat vervolgens te laten wegrotten. Hoewel dit makkelijk zou kunnen ontaarden in een flauw rariteitenkabinet, blijven de soepel vertelde verhalen van De Boer, die herinneren aan onder anderen Kafka en W.F.Hermans, intrigerend overtuigend. Ze maken nieuwsgierig naar het vervolg.