Dat onderzoek tegen de Leidse hoogleraar Paul Cliteur vanwege vermeende antisemitische opvattingen, is dat een verstandig idee? De door ongeveer alle betrokkenen aangehaalde oorlogsheld Cleveringa zou luidkeels zeggen: nee!

STEUN RO

Als onderdeel van de spectaculaire circusvoorstelling die Thierry Baudets geesteskind Forum voor Democratie voor de natie verzorgde, voerden zestien Leidse hoogleraren Rechten op 29 november een tenenkrommend B-nummer op. Een dag eerder had de woke Leidse kunsthistorica Lieke Smits via Twitter de aanval geopend op hun collega Paul Cliteur, eertijds promotor en later politieke bentgenoot van Baudet.

 

Vrijwel onmiddellijk reageerde Stolker, de aangesproken rector magnificus van de Leidse Alma Mater, ook al op Twitter.

De toon van Stolker, die een van zijn hoogleraren hier in het openbaar aanspreekt alsof hij haar dagelijks bij het slapengaan komt instoppen, is niet het enige aan zijn tweet dat merkwaardig is. In het algemeen afficheert de rector zich als iemand die de academische vrijheid hoog in het vaandel heeft. Maar Smits gaat hier voluit op de man Cliteur en zijn ideeën. Dat Stolker daar blijkbaar geen been in ziet, zegt weinig goeds over de diepgang van zijn respect voor de waardevrije wetenschap en dat van de Leidse universiteit, waarvan hij het boegbeeld is.

Toeval of niet, binnen een etmaal kwamen de zestien collega’s van Cliteur met een open brief waarin zij stelden “dat in Nederland eens te meer zichtbaar is geworden dat antisemitisme, vreemdelingenhaat, antidemocratische en antirechtsstatelijke opvattingen in bepaalde kringen volstrekt normaal of op zijn minst acceptabel lijken te zijn geworden.” Dat gaat natuurlijk niet zomaar, dus “staan wij op en spreken we er onze afschuw over uit. In de geest van Cleveringa doen we er niet het zwijgen toe, maar openen we het gesprek hierover, met elkaar, met onze studenten, met de samenleving.” Dat bleek in de praktijk in te houden dat collega’s adhesie konden betuigen door onder de brief te reageren met bijvoorbeeld de voorgekauwde zinsnede “Ik spreek mij uit tegen elke vorm van antisemitisme, racisme en discriminatie en het bagatelliseren of normaliseren daarvan.” En dat deden er ook braaf een paar dozijn.

Nobel

Het klonk op het eerste gezicht zowel heel nobel als ook vanzelfsprekend. Wie kon ertegen zijn om te handelen in de geest van Cleveringa, de Leidse hoogleraar die in november 1940 als decaan van de rechtenfaculteit de moed had om zich in het openbaar te keren tegen het ontslag van Joodse hoogleraren aan zijn universiteit? Maar zo handelden ze juist niet, met alle gevolgen van dien.

Cleveringa had destijds de moed gehad om zich in het zicht van “de vreemdeling, welke ons thans vijandiglijk overheerscht” te verheffen met een concreet protest tegen een concrete wandaad, het ontslag van in eerste instantie zijn Joodse collega, de juridische duizendpoot Meijer, en in het kielzog daarvan de overige Joodse hoogleraren. Hij deed dat in het volle besef dat zulks niet zonder gevaar was, want hij besloot: “Wij kunnen, zonder in nuttelooze dwaasheden te vervallen, welke ik U met klem moet ontraden, thans niets anders doen dan ons buigen voor de overmacht.” Dat is wel even wat anders dan vanuit je luie stoel zo’n alomvattend vage en daardoor volstrekt vrijblijvende en nietszeggende maar wel suggestieve (“eens te meer”, “bepaalde kringen”) solidariteitsverklaring “in de geest van Cleveringa” te onderschrijven, een adhesiebetuiging die neerkomt op weinig meer dan het met copy-paste nazeggen van artikel 1 van de grondwet. Zelfs het gedoodverfde doelwit, Cliteur en zijn afdeling Encyclopedie van de Rechtswetenschap, die velen in universitaire kring als “het conservatieve blok” een doorn in het oog blijkt te zijn, werd discreet niet genoemd.

Wie zo’n ongericht projectiel zo lukraak de wereld in schiet, moet niet raar opkijken als er ongelukken gebeuren. Al gauw ging het dan ook mis. Stolker en zijn College van Bestuur besloten onder druk van al deze geschoktheid een extern bureau in te schakelen om onderzoek te doen naar het voorkomen van antisemitische gedachten bij Cliteur en de zijnen – altijd een goed idee, je legt de verantwoordelijkheid bij een stel inhuurkrachten, en hun rapport kan te zijner tijd worden overgenomen, genuanceerd, afgekraakt of stilletjes in een bureaula verdwijnen, net wat dan het beste uitkomt. In de beste bestuurstraditie van het Leidse Praesidium Libertatis, bolwerk van vrijheid, werd Cliteur meteen verboden om erover te praten.

Dat viel niet goed bij weer een aantal andere oud-collega’s van Cliteur, wier ervaringen met de cocktail Baudet-Cliteur op 28 november, dus tegelijk met het klikken-bij-de-baas van Lieke Smits, publiek gemaakt werden in een relaas door GeenStijl-opperhoofd Bert Nijman. Daaruit werd duidelijk dat zij Cliteur al ruim een half jaar herhaaldelijk hadden aangesproken op de steeds onsmakelijker en antisemitischer strapatsen van zijn beschermeling Baudet, maar dat de hoogleraar dat steeds bleef afdoen als “malligheid”, kwajongensstreken met een borrel op.

Deze groep, die om onduidelijke redenen op vier na anoniem wil blijven (is het klimaat op de Nederlandse  universiteiten dan toch al zo vergiftigd?), lieten Nijman hun zorgen uiteindelijk publiek maken om te waarschuwen voor onderschatting van het gevaar dat schuilt in de steeds extremere koers van Baudet, en om Cliteur te dwingen om in dat licht nu eindelijk klaarheid te brengen in zijn verhouding tot de FvD-leider. Het verschil tussen deze klokkenluiders aan de ene kant en de openbrievers en Smits aan de andere is dat de eersten duidelijk onderscheid maken tussen de vakman, die ze hoog hebben zitten en vertrouwen, en de politicus Cliteur, die zich op zijn zachtst gezegd nogal naïef en vergoelijkend opstelt. Ze zijn dan ook hoogst ongelukkig met Stolkers politiek correcte aanval op de hoogleraar en de afdeling Encyclopedie van de Rechtswetenschap.

Laffelijk

Daar hebben ze volkomen gelijk in. Wat Lieke Smits deed, laffelijk en plein public de baas onder druk zetten en zo proberen een collega te beschadigen vanwege zijn in haar ogen “verkeerde” gedachten, geeft so-wie-so geen pas, maar al helemaal niet op een universiteit. Ben je het met iemands ideeën op zijn vakgebied oneens, dan begin je een inhoudelijke discussie, eventueel via de krant. Dat is hoe inzicht zich ontwikkelt en vooruitgaat, door strijd met argumenten en open vizier.  Wie dat niet snapt of kan verdragen, heeft niets op een universiteit te zoeken.

Datzelfde geldt voor de zestien openbrievers, die al helemaal blijven steken in ongrijpbare algemene verdachtmakingen. Hun verklaring is niet meer dan een verzekering van eigen ideologische en morele zuiverheid, op een universiteit irrelevant en juist zeer ongewenst. Wetenschap, waarvan de universiteit bij uitstek de hoeder is, is een bedrijf waarbij het hard toegaat, maar steeds op basis van rationele, expliciete en controleerbare argumenten. Wetenschap gaat niet over goed en kwaad, niet over uitverkorenheid of verdoemenis, niet over morele superioriteit en minderwaardigheid. De intrede van dat soort categorieën binnen de universitaire wereld was nou net waar Cleveringa destijds tegen in opstand kwam.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -
rik.smits@peptalks.nl'
    Taalkundige, schrijver, vertaler en wetenschapsjournalist @rik_smits_ @RikSmitsAuthor