Elke week in DNP’s Collectie: een hoofdstuk uit een journalistieke klassieker, opnieuw uitgegeven door Fosfor. Dit weekend: ‘Onrust – Het Nederlandse Duivelseiland’ van Dick Schaap.

STEUN RO

Onrust: een negen hectare groot koraaleiland in de baai van het huidige Jakarta. Alleen verweerde grafstenen en een zeventiende-eeuws kanon herinneren nog aan de sleutelrol die het eiland in de illustere geschiedenis van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) heeft gespeeld.

Voor de VOC was Onrust in de zeventiende en achttiende eeuw het belangrijkste eiland in de archipel. Op hoogtijdagen waren er duizenden slaven, dwangarbeiders en vrije ambachtslieden bezig met het kalefateren, lossen en laden van de VOC-schepen. Maar het eiland was ook een gevangeniseiland voor deserteurs en criminelen. Aan deze rol dankt het zijn bijnaam: het Nederlandse Duivelseiland.

In Onrust, het Nederlandse Duivelseiland worden de geheimen van dit fascinerende eiland onthuld. Het is het verhaal van voormalig Nederlands grondgebied dat tot ver in de twintigste eeuw een slechte naam had en dienstdeed als interneringskamp, quarantainestation en ballingsoord.

Onrust kende vele roemruchte episoden, zoals de berechting van de muiters van de kruiser De Zeven Provinciën. In de meidagen van 1940 werden vele onschuldige Indische Duitsers op Onrust geïnterneerd en na de oorlog wachtten Japanse oorlogsmisdadigers er op hun transport.

Met Onrust, het Nederlandse Duivelseiland heeft Dick Schaap een petite histoire geschreven van vierhonderd jaar koloniaal verleden in Nederlands-Indië.

De journalist Dick Schaap (1928) diende als dienstplichtig soldaat in Indonesië. Hij versloeg onder andere het conflict met Indonesië over de soevereiniteit van Nieuw-Guinea voor Het Vrije Volk en de Vara. Daarnaast schreef Schaap 33 boeken en vele verhalen voor een groot aantal tijdschriften. Ischa Meijer omschreef hem een van de laatste generalisten onder de Amsterdamse journalisten. Dick Schaap is momenteel redacteur van Checkpoint, maandblad voor veteranen en medewerker van de De Groene Amsterdammer.

Onrust en Oostenburg

Op  een mooie, heldere zondag in 1949 bracht ik als motordrijver bij de Vaartuigendienst een groep legerofficieren en VHK'sters van de jachtclub in Tanjung Priok met een LCVP naar Onrust. Het nog niet door wolkenkrabbers overheerste silhouet van Jakarta en het bergland van Java verdwenen langzaam uit het zicht. Het zeewater was schoon en vol vis. Prauwen kruisten met gebolde zeilen onze route. Na een paar uur varen dook Onrust op als een omgekeerde groene schotel, ijl aan de horizon. In de zeventiende en achttiende eeuw was hier de scheepsreparatiewerf van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) gevestigd. Het is een van de koraaleilandjes van Kepulauan Seribu, de Duizend Eilanden, in de baai van Jakarta, en het enige eilandje van deze kleine archipel dat – vanwege zijn historische betekenis – zijn Nederlandse naam heeft behouden na de overdracht van Nederlands-Indië aan de Republik Indonesia.

De Vaartuigendienst was door de Koninklijke Landmacht (KL) opgericht voor het bevoorraden van de militaire buitenposten die alleen over water bereikbaar waren. VHK'sters waren leden van het Vrouwelijke Hulpkorps van de KL, LCVP's (Landing Craft Vehicle Personal) waren kleine landingsvaartuigen die in de Tweede Wereldoorlog door de Amerikanen na hun landing op Nieuw-Guinea op het strand waren achtergelaten. Van twee of drie van deze door golven en wind aangevreten multiplex vaartuigen wisten scheepstimmerman Joop Borgart uit IJmuiden en zijn helpers met bekwame hand op onze eigen werf aan de Westergracht in Tanjung Priok weer één nieuwe LCVP te maken.

De werf in Tanjung Priok was een genoeglijk werfje, een Onrust in het klein, compleet met een gudang – pakhuis – vol scheepsbenodigdheden waar ik op een schrijfmachine met een brede wagen cognossementen mocht invullen voor de verzending van goederen naar de buitenposten. Onze werf lag vlak aan zee. Vanaf het strand vingen we met een lijntje veel ikan sembilan, zwarte stekelige visjes waarmee we de families in de kampong naast onze tangsi – kazerne – in Petodjo een groot plezier deden. Soms viel ik in als motordrijver op tochten naar de Duizend Eilanden. Bij de shahbander – havenmeester – van Tanjung Priok had ik na een cursus in het bedienen van de Gray Marine-dieselmotor van 225 pk examen gedaan voor het verplichte vaarbewijs. Voor dag en dauw reden we vanuit Jakarta met een legertruck daarheen. Dat het in de tropen ook behoorlijk fris kon zijn, zag je aan de kleumende aapjes op de spoorbaan naar Tanjung Priok. Ze wisten kennelijk dat de hitte van de dag daar lang werd vastgehouden.

Op onze werf werkten geen slaven, dwangarbeiders of kettinggangers, zoals vroeger op Onrust, maar wel koelies voor het versjouwen van de aan dikke bamboestaven hangende motoren. Het waren aardige, soms al te beleefde mensen van wie je niet veel hoogte kreeg. Sommigen van ons hadden de neiging tegenover die koelies de toean besar – grote heer – uit te hangen. Met het beetje pasar-Maleis dat ik machtig was, vertelde ik de koelies steevast dat die toean besar thuis voor de kost balen meel moest sjouwen. Ze moesten daarom lachen maar geloofden het niet. Die toean besar bleef voor hen een orang kaja, een rijke man. Vergeleken met hun armoede was hij dat ook.

Joop Borgart maakte, tegen een geringe vergoeding, ook zeemanskisten van overgeschoten stukken multiplex. Vakwerk was dat, daar kwam geen spijker aan te pas. Met een scherpe beitel stak hij zwaluwstaarten uit het hout. In navolging van de VOC-matrozen op de Oost-Indiëvaarders gebruikten wij die kisten voor het opbergen van onze persoonlijke spullen en souvenirs: javanenkoppen van djatihout, krissen, koperen of tinnen tabaksstellen, broches van Kendari-zilver, sarongs, met gouddraad bewerkte Sumatraanse slendangs en, bij het naderbij komen van ons vertrek naar huis, dichtgesoldeerde blikken met koffie, thee en specerijen. In Nederland waren koffie, thee en specerijen in 1950 nog zeer begeerlijke koloniale waren. Veel artikelen waren toen nog op de bon. Ik gebruikte mijn kist ook als schrijftafel, want in ons kwartier stonden alleen maar tempatjes – veldbedden – met groene klamboes en wat kastjes voor overhemden en ondergoed. Mijn vader heeft na mijn terugkeer uit Indonesië voor mijn trouwdag van het deksel van die kist een stevige keukentafel gemaakt door er vier poten onder te zetten en het geheel een fris kleurtje te geven. Mijn vrouw en ik waren daar erg blij mee. De onthoofde kist is later in de schuur van mijn schoonouders terechtgekomen en deed daar jarenlang dienst als kolenkist, tot aan de dag waarop ze gasverwarming kregen.

De matrozen van de Compagnie propten toentertijd hun kisten vol met allerlei handel waarmee ze in Amsterdam goede sier konden maken. Dit tot ergernis en verdriet van de Heren XVII, de bewindhebbers van de Compagnie. Het monopolie voor de handel op Azië werd hierdoor ernstig ondergraven. Bovendien werd steeds meer scheepsruimte van de thuisvarende Oost-Indiëvaarders in beslag genomen doordat ook de in Batavia achterblijvende Compagniesdienaren kisten vol handelswaar naar het vaderland smokkelden. Van de banvloeken die daar steeds opnieuw voor het naderend vertrek van een retourvloot werden uitgesproken, trok van hoog tot laag niemand zich iets aan. Van de door de zuinige Compagnie betaalde traktementen kon men in Batavia nauwelijks rondkomen. 'Handelen en smokkelen kon nu eenmaal de Hollanders evenmin worden belet als ademhalen,' aldus de chroniqueur van de Compagnie, dr. Frederik de Haan (1863-1938), in zijn verhaal Plechtigheden en feestelijkheden. Janmaat sleepte balen koloniale waren van boord naar de op hem wachtende handelaars bij het Oost-Indische Huis van de VOC aan de Oude Hooghstraat in Amsterdam.

Op die zondag op Onrust mochten we onze LCVP niet uit het oog verliezen en moesten we wachtlopen op het hete koraalstrandje. We hadden hier goed de smoor in, evenals in het varen voor die jachtclub. Veel meer dan stenen barakken, een kerkhof, bomen en uit het water stekende palen van de verdwenen dam tussen Onrust en het zustereilandje Kuiper was er voor de schipper en mij niet te zien. En daarvoor waren we toch niet uit Holland gehaald en ingehuurd door vadertje Drees! Bovendien keurden die meiden van het VHK ons geen blik waardig. Ze hadden slechts oog voor de officieren en zagen ons, dienstplichtige soldaatjes in hun afzichtelijk groene uniformen en met flodderende baretten, totaal niet zitten.

Gelegerd in Jakarta was het eerste wat je deed als je een paar honderd roepia had verdiend met een handeltje, of met de harde Nederlandse guldens die je van thuis had gekregen, naar de Chinese kleermaker lopen, fijne kakistof uitzoeken en een kek uniform plus vlotte kepie laten maken. Ik zeg 'handeltje', want wat betalen betreft leek de KL sterk op de Compagnie. Van 65 roepia per maand kon een soldaat in de stad zo'n achttien pijpjes bier kopen. Het eten in de tangsi was slecht, de wapens vrij ouderwets. Alles was eigenlijk derderangs bij de KL in Indonesië. Je moest even vindingrijk zijn als de ambtenaren van de Compagnie om je kadji – soldij – aan te vullen, zodat je er behoorlijk bij kon lopen en af en toe eens lekker bij de Chinees kon eten. Vadertje Drees had ons wel met troepenschepen naar Indië gestuurd, maar was blijkbaar met instemming van zijn kabinet vergeten dat we ook gevoed en gekleed moesten worden.

Gelukkig voor ons waren de Indonesiërs die de wapens tegen het oude koloniale gezag hadden opgenomen veel slechter bewapend dan wij. Vergeleken met de wapens die ik in 1999 in het Legermuseum in Jakarta en het Siliwangi Museum in Bandung heb gezien, behoorden die van ons tot de modernste uit de Tweede Wereldoorlog. Nog geen kwart van de Republikeinse troepen beschikte over lange Japanse geweren, revolvers en mitrailleurs. De rest moest het doen met bamboesperen, pijl en boog, samoeraizwaard en kris. Daarmee moest het in eigen gebied ook opgenomen worden tegen de wrede fundamentalisten van de Darul Islam en Hizboellah, communisten en ordinaire roversbenden. Voor hun ravitaillering waren ze afhankelijk van de bevolking in de kampongs en desa's op het platteland. Overigens werd de Republikeinse bewapening met het verstrijken der jaren wel steeds beter.

De Republikeinen hielden de strijd in evenwicht door een slimme guerrillatactiek onder commando van de charismatische generaal Sudirman (1916-1950). Deze oud-onderwijzer was opperbevelhebber van de Republikeinse strijdkrachten. Op een portret in het Legermuseum staat hij blootshoofds saluerend in de rulle camel jas die nu in een vitrine hangt. Sudirman had tbc. Dat weerhield hem er echter niet van om meteen na het begin van de tweede politionele actie, op 19 december 1948, in het geheim te voet met de Siliwangi-divisie van Centraal-Java naar West-Java terug te keren. De geïmproviseerde draagstoel waarmee hij tijdens zware tbc-aanvallen op deze lange mars over bergen en dalen werd vervoerd, is ook bewaard gebleven. Sudirman is kort na de overdracht van de soevereiniteit aan Indonesië gestorven.

Een halve eeuw na die strijd zat ik in Jakarta aan tafel bij de familie Septakari. Het was de oudste zoon van de familie opgevallen dat ik, een Belanda – Hollander , hun huis aan de jalan Ampasit op Tanah Abang fotografeerde. Hij vond dat vreemd, geheimzinnig en ook wel gevaarlijk. Ik legde hem uit dat ik de foto had genomen voor mijn zwager, die tijdens de Japanse bezetting in dit huis was geïnterneerd met zijn moeder en een heleboel vrouwen.

De zoon stelde zich voor als Muhammad Harris Septakari. Hij was accountant bij de Matahari-warenhuisketen en woonde nog thuis. Muhammad en zijn intussen in een Mercedes gearriveerde ouders bleken niet te weten dat de jalan Ampasit een onderdeel was geweest van het Tjidengkamp. Er waren nog twee kinderen in huis, een jongen en een meisje met een hoofddoekje. Voordat ik het wist, zat ik bij de gastvrije moslimfamilie aan tafel voor de lunch: nasi putih, ajam goreng, sayur lodeh en ketimun asam. Het ijs werd helemaal gebroken toen ik plotseling: 'Tolong! Gula!' riep – 'Help! Suiker!' – omdat ik toch weer in een rawit had gebeten – een scherper pepertje bestaat volgens mij niet. De moeder vertelde toen dat ze nog steeds het Wilhelmus kon zingen. De vader zegde het beroemde rijtje van Hoogezand, Sappemeer, Zuidbroek, Winschoten, Nieuweschans op. Ik volgde met Java, Sumatra, Borneo, Celebes en alle andere grote eilanden van de Gordel van Smaragd.

Al snel kwam het gesprek op het doel van mijn missie: het bezoeken en fotograferen van Onrust en andere eilanden van de Kepulauan Seribu, en het maken van foto's van het voormalige Tjidengkamp voor mijn zwager. De vader, die van mijn leeftijd was, vertelde toen: 'We vochten eerst tegen de Japanners, toen tegen de Britten en daarna tegen jullie, maar we hadden niks. Nauwelijks wapens. Het was de spirit, de geest die het deed. Het onweerstaanbare verlangen naar vrijheid.'

Op die bewuste zondag in 1949 was het doodstil op het koraalstrandje van Onrust. Het gezelschap legerofficieren en VHK'sters was tussen het groen verdwenen. De schipper en ik waren alleen met onze gedachten. Vermoedelijk dachten we aan een siësta, mandiën – een bad nemen – en daarna bami goreng sama telor mata sapi – bami goreng met een spiegelei – bij de Chinees. In de paar weken na de lange reis met het troepenschip de Waterman en de debarkering in Tanjung Priok waren dat voor ons hoogst belangrijke zaken geworden. Op het eiland was verder geen hond te bekennen, want het was toen nog verboden gebied voor wie geen permit had. Wij wisten dat er wel eens munitie werd gesorteerd. Vissers die dan met hun prauwen het eiland te dicht naderden, kregen een schot voor de boeg. Wat wij als barus's – nieuwelingen – toen nog niet wisten, was dat Onrust een slechte naam had bij de 'ouwe stomp', de soldaten die al jaren in Indonesië dienstplichtig waren en die wij kwamen aflossen.

De wildste verhalen deden de ronde. Onrust zou een 'Duivelseiland' zijn. Op Onrust zouden dienstplichtigen die aanvankelijk niet naar Indië wilden maar op hun weigering waren teruggekomen, ten onrechte maandenlang zijn afgeknepen. Er zouden zwaargestrafte militairen zijn opgesloten en er zouden militairen met allerlei zeer besmettelijke ziekten worden verpleegd. We geloofden daar geen snars van, maar merkten al spoedig dat je in het altijd drukke grand café van de YMCA aan de Molenvliet in Jakarta beter niet kon vertellen dat je wel eens op Onrust kwam. De vaste jongens deinsden dan meteen achteruit. Onrust? Besmet! Wegwezen!

Maar dit nietige eilandje van slechts negen hectare, met zijn ommuurde kerkhof vol verweerde grafstenen, was in de zeventiende en de achttiende eeuw wél het belangrijkste steunpunt van de VOC in Azië geweest. Toen bruiste het daar van de bedrijvigheid. Samen met Kuiper (Pulau Kahyangan) fungeerde het als één grote scheepsreparatiewerf, voorraadschuur en overslaghaven voor de Oost-Indiëvaarders uit het vaderland en de inter-Aziatische vloot van de VOC in Azië. Eilandjes zo klein, maar tegelijkertijd zo groots en uiteindelijk zó misbruikt, dat ik nauwelijks kon geloven dat dát zich daar allemaal had afgespeeld. Met als gevolg dat ik in de loop der jaren steeds sterker gefascineerd raakte door de geschiedenis van Onrust.

Wilt u het hele boek lezen? Het e-boek Onrust – Het Nederlandse Duivelseiland van Dick Schaap is in elke e-boekwinkel te koop voor €4,99

Apple? Klik hier (dan nog via iBooks).

Geen iPad, iPhone of ander iDing? Klik hier

fosfor_blauw

Meer informatie over Fosfor – de eerste Nederlandse journalistieke uitgeverij die louter digitaal publiceert – vindt u op www.uitgeverij-fosfor.nl. Hier kunt u zich ook abonneren op onze nieuwsbrief.

Twitter: @fosforuitgevers

Facebook: facebook.com/uitgeverijfosfor

 

 

    Geef een reactie