De Cito is de maatstaf voor de intelligentie van kinderen, veel ouders worden nerveus van een slechte uitslag, veel kinderen ontwikkelen faalangst. Terwijl de toets vooral ijver meet, en de kennis van tafelsommen. Geen vaardigheden waar later je dromen van uitkomen.

STEUN RO

‘Ik denk gewoon dat ze niet zo slim is.’ De moeder zei het met een besmuikt lachje, zoals we wel vaker de dingen die we helemaal niet leuk vinden, weglachen. Het meisje in kwestie is drie, de ouders zijn net als mijn man gepromoveerd in een ingewikkelde moleculair biologische opleiding.Het gesprek ging over haar geringe woordenschat. Dat ze niet zo slim was, gaf natuurlijk helemaal niks, zei de moeder, weer lachend. ‘Want ze is hartstikke lief.’ Ik, toen nog kinderloos, wist wel beter. Natuurlijk gaf dat wel. Zeker met zulke intelligente ouders.

We leven tien jaar later. Mijn zoon is bijna klaar met groep vier en in zijn laatste schoolverslag zie ik drie keer de laagst mogelijke citoscore. Ik lees over zijn slechte concentratie en geringe werktempo. Ik ben eraan gewend geraakt. De tijd dat ik paniekerig op elke traptree een papiertje met een tafelsom legde en hem verplichtte om elke avond minimaal twee bladzijdes hardop voor te lezen, is voorbij. De nadruk op zijn schoolresultaten leidde alleen maar tot nog meer woedebuien.

Kubuspuzzels

Met twee hoog opgeleide ouders, een sociale kring vol hoog opgeleiden, een school waar de plusklas de aanmeldingen niet aankan en Facebook waar ouders elkaar de loef afsteken met goede rapporten, is het niet makkelijk je schouders op te halen als je kind het niet zo goed doet op school. Ik vroeg me af of ik teveel van hem verwachtte. Ik vroeg me ook af waarom hij wel ingewikkelde kubuspuzzels kon maken maar niet wist hoeveel vier keer drie was. Kwam mijn twijfel door zijn buikpijn, zijn weerzin tegen school, zijn woedebuien, zijn gepieker? Of was ook ik bang dat hij ‘gewoon niet zo slim’ was?

Na maanden wikken en wegen besloten we onafhankelijke hulp in te roepen. Toen we hem vertelde over de intelligentietest, weigerde hij te gaan. ‘Duurt dat twee uur?! Dat is ziek lang!’ gilde hij. De avond erna vertelt hij honderduit over de doolhoven, de puzzels, de raadsels. ‘De tijd ging zo snel, voor de pauze duurde het een half uurtje, daarna een kwartiertje ofzo!’ Of de tijd op school ook wel eens omvliegt, vroeg ik.  Hij schudde beslist zijn hoofd. ‘Daar kijk ik steeds naar de klok of de dag al voorbij is.’ De uitslag gaf mijn onderbuik gelijk. Een disharmonisch profiel, een verbaal-perfomaal kloof, moeilijke woorden voor een simpele conclusie: zijn hersenen kunnen veel meer dan hij laat zien.

Buikpijn

Het stemde me nog droeviger over de cito als maatstaf voor de intelligentie van kinderen. Het meet ijver, checkt of kinderen sommen kunnen maken en woordjes kunnen spellen, maar het zegt niks over het vermogen om kritisch na te denken, om creatieve oplossingen te bedenken, en al helemaal niks over hun sociale en empathische vaardigheden. Allemaal belangrijke eigenschappen voor later. Hoeveel kinderen worden naar bijles gestuurd vanwege slechte citoscores, vroeg ik me af. Krijgen het label ad(h)d omdat ze zich niet kunnen concentreren? Hebben het gevoel dat ze niet voldoen? Niet slim (genoeg) zijn? Ontwikkelen faalangst en chronische buikpijn omdat ze niet excelleren in een systeem waarin het vooral belangrijk is dat je weet hoeveel vier keer drie is?

Uitvinder

Waarom moet ik naar sgool? Ik vond het briefje tussen zijn kleren. Bij het ontbijt had hij nog gevraagd wat DNA was, voor het slapen gaan wilde hij weten welke planeet dichter bij de aarde stond, Mars of Jupiter. ‘Wat denk je zelf?’ luidde mijn – standaard – antwoord. ‘Ik denk dat ik later uitvinder word’, zei hij. ‘En met mijn eigen raket eerst naar Mars ga en daarna naar Jupiter. Dan bereken ik wel wat het snelste ging.’ Ik wilde zeggen dat hij dan wel moest weten hoeveel vier keer drie is, maar beet op mijn tong. Want bedacht ik me toen ik de deur van zijn kamer sloot, ik weet dat het twaalf is. Elke volwassene die ik ken weet dat het twaalf is. Maar kunnen we ons ook herinneren waar we als kind van droomden?

Miloe van Beek is twaalf jaar freelance journaliste en zes jaar moeder. Ze heeft nog nooit een roze wolk gezien, ze past niet in het perfecte plaatje en is chronisch chaotisch. Schrijft rauwe, eerlijke, licht ironische stukken over alle aspecten van het moederschap. Daarnaast schrijft ze verhalen die van ondernemers mensen maken.