Oorlogsmuseum Overloon. De Tweede Wereldoorlog als industrie (4)

Dit jaar bestaat het Oorlogsmuseum Overloon 76 jaar. Het is daarmee het oudste en langst bestaande Tweede Wereldoorlog-museum in Nederland. Het was bovendien decennia lang het best bezochte oorlogsmuseum van Nederland.

De geschiedenis van dit museum is een verhaal apart, een verhaal dat begint in de Eerste Wereldoorlog, bij Ieper, in de Vlaamse Westhoek.

In 1914-1918 is Ieper frontstad. Vier jaar lang vechten soldaten uit vooral het Britse Empire, maar ook uit België en Frankrijk en haar kolonieën, er tegen soldaten uit het Duitse keizerrijk. In die vier jaar verandert het landschap door voortdurende artilleriebeschietingen in een zompig maanlandschap, waar geen huis meer overeind staat. Honderdduizenden militairen zijn er die jaren omgekomen, waarvan tienduizenden nog steeds als vermist te boek staan.

1919. Terwijl talloze oorlogsbegraafplaatsen in- en monumenten opgericht worden, krijgen boerenfamilies toestemming om terug te keren naar de grond waar ze tot in 1914 leefden en werkten. Ze herbouwen hun boerderijen, gooien loopgraven en bomtrechters dicht en bewerken het land zoals ze dat voor de Grote Oorlog – zoals de Eerste Wereldoorlog tot aan de Tweede Wereldoorlog genoemd werd – deden.

Ontluikend oorlogstoerisme

Maar één boer pakt het anders aan. Hij laat een deel van zijn land zoals hij het in 1919 aantrof. Ook verzamelt hij wapentuig en andere oorlogsrelicten die hij in de buurt vindt. Hij begint een museum met café, dat al snel bezocht wordt door nabestaanden van Engelse en Canadese soldaten die op nabijgelegen oorlogsgrafvelden te ruste zijn gelegd of in dit gebied verdwenen zijn.

Dat museum bestaat tot op de dag van vandaag. Het heet Sanctuary Wood Museum (Hill 62), en het werd tot in de 21ste eeuw gerund door de kleinzoon van de boer die het in 1919 stichtte.

In de jaren na 1919 groeien Ieper, de slagvelden eromheen en de vele oorlogsbegraafplaatsen uit tot grote toeristische trekpleisters annex pelgrimsoorden. De boer die het museum bij Hill 62 sticht doet goede zaken.

In 1994 bezocht ik zelf dat museum. Het zag er toen nog grotendeels hetzelfde uit als het er in de jaren 1920-1940 moet hebben uitgezien, toen het ook al oorlogstoeristen uit Nederland trok. Eén van hen was Harrie van Daal (1908-1989) uit Overloon. Hij vertelde daarover in 1971:

“Al voor de oorlog werd ik getrokken door plaatsen waar in de Eerste Wereldoorlog hevig gevochten was. Ik fietste zowat elke zomer naar Vlaanderen en reed daar alle frontplaatsen af. Op zo’n tocht kwam ik weleens bij een caféhouder die in zijn tuin en achterschuur een soort miniatuur oorlogsmuseum had ingericht. Dat fascineerde mij. Niet uit sensatie, maar meer door een wat idiote hang van mij naar geschiedenis en dan vooral de histoire bataille.

De slag bij Overloon

We springen door naar eind september 1944. Na het falen van operatie Market Garden, waarbij de geallieerden vanaf de Belgische grens een smalle corridor tot vlak voor Arnhem hebben veroverd, gelast het geallieerd opperbevel dat deze corridor tot aan de Maas verbreed moet worden.

Duitse eenheden krijgen bevel het gebied rond het Brabantse Overloon en het Limburgse Venray tot het uiterste te verdedigen.

De Amerikaanse 7th Armoured Division valt als eerste aan. Ze rukken met tankkolonnes vanuit het noordwesten op richting Overloon. Maar ze hebben de Duitse tegenstand totaal onderschat. Met verdekt opgestelde antitankkanonnen en enkele tanks richten de Duitsers een slachting aan onder de Amerikaans. In een week tijd sneuvelen bij Overloon 220 Amerikanen, 232 raken gewond of vermist. Vijfendertig tanks en drieënveertig andere Amerikaanse voertuigen en twee vliegtuigen gaan verloren.

De Amerikanen worden vervolgens afgelost door de Britse 3rd Infantry Division. Met hulp van zware artilleriebeschietingen weten de Britten op 14 oktober Overloon en op 18 oktober Venray te bevrijden. Maar de tol is hoog: 673 Britten komen om, twintig van hun tanks en één vliegtuig gaan verloren. De felheid van de gevechten blijkt onder meer uit de uitreiking van een Victoria Cross, de hoogste Britse onderscheiding voor dapperheid, aan de Britse sergeant George Harold Eardley (1912-1991).

Aan Duitse kant sneuvelen circa 600 man. Circa 17 Duitse tanks gaan verloren.

Bij de beschietingen komen daarnaast ook nog circa 300 burgers om. Het merendeel van hen komt om het leven in Venray, waar de burgerbevolking eerst na de bevrijding geëvacueerd wordt. De verwoesting is groot: door de zware artilleriebeschietingen, die net als rond Ieper in 1914-1918 de waterhuishouding hebben verstoord, is er een groot moerassig kraterlandschap ontstaan, bezaaid met landmijnen, lichaamsdelen en restanten van wapentuig. Vrijwel geen enkel huis stat nog overeind.

Wederopbouw

Harrie van Daal, in 1971: “Toen ik in december 1944 in Overloon terugkwam en het slagveld ontwaarde dat daar was achtergelaten dacht ik: “dat beeld moeten we voor Nederland behouden.” Men kan dat misschien gek vinden. Een ander zou misschien zeggen: “laten we zo gauw mogelijk aan de wederopbouw beginnen,” maar ik dacht aan dat museumpje in Vlaanderen.”

Van Daal legde zijn ideeën voor aan de pastoor, burgemeester Jans van Vierlingsbeek en de secretaris van de Overloonse middenstandsvereniging. “Doen!” was het antwoord. Zesentwintig Overloners legden elk fl. 2,50 neer en zodoende was er fl. 65,- startkapitaal en kon een stichting worden opgericht.

“We verzamelden wapens en helmen en we gingen naar de regering, die toen nog in Eindhoven zat. In september 1945 moesten we bij minister Van der Leeuw van O., K. en W. (Onderwijs, Kunst en Wetenschap – RO) komen. Hij vertelde dat in Assen, Leeuwarden, Maastricht en Oosterbeek ook plannen waren voor een oorlogsmuseum. Ons museum mocht er een worden met een regionaal karakter. Dat vonden we te weinig, maar we begonnen. We bouwden zonder geld en zonder vergunning.

Een week na het gesprek met de minister nodigde generaal Whistler van de derde Britse infanterie-divisie ons uit om naar zijn staf in Gent te komen. Hij had bij Overloon gevochten en wilde ons helpen. Zijn divisie werd toen net overgeplaatst naar Egypte en Palestina, maar dat gaf niet. Zelfs uit Duitsland haalde hij de oude tanks voor ons op.

Op 26 mei 1946 opende generaal Dyxhoorn [Adriaan Dijxhoorn (1889-1953) – RO] namens prins Bernhard het museum. We hadden een schuld van 72.000 gulden maar die was in 1948 weg dank zij onze opofferingen. Subsidie hebben we nooit gevraagd. Ons principe was: blijf zo lang mogelijk uit handen van de overheid.”

Het museum, 1946-1947


Advertentie in Volkskrant, 22 juni 1946.

Gevoel voor publiciteit en marketing kan Harrie van Daal en H. van Glabbeek, de eerste museumdirecteur niet ontzegd worden. Ze noemden de slag bij Overloon het “tweede Caen – naar de stad in Normandië waar in juni/juli 1944 zeer zwaar was gevochten. Ook zeiden ze dat bij Overloon de grootste tankslag van West-Europa had plaats gevonden. Ook dat was, ondanks alle dood en destructie rond Overloon, nogal overdreven. Maar het werkte wel: alleen al in het openingsjaar 1946 togen ruim 40.000 bezoekers naar het museum, waar in eerste instantie alleen wapentuig, landmijnen en voertuigen te zien waren. Al spoedig werd het aangevuld met meer voorwerpen en documenten uit de oorlogstijd.

Het merendeel van de bezoekers arriveerde met georganiseerde busreizen. Uit een verslag van 1946 van zo’n reis blijkt hoe gebrekkig de verbindingen destijds waren: een autobus deed er destijds drieëneenhalf uur over om de afstand Overloon-Tilburg (circa 80 kilometer) te overbruggen.

Omgeving Overloon, 1947

Een ander verslag, uit 1947, geeft een goede indruk van de omgeving:

“Kortgeleden zijn wij naar Overloon geweest om eens te zien hoe dit Brabantse boerendorpje zich in de afgelopen drie jaren van de verwoestingen, welke het oorlogsgeweld had aangericht, heeft hersteld en tevens om het oorlogsmuseum in ogenschouw te nemen, dat daar ter herinnering aan één der meest bloedige episodes uit de jongste oorlog is ingericht. Overloon kan men behalve natuurlijk met een auto, per trein bereiken door in Vierlingsbeek uit te stappen en ruim vier kilometer in Westelijke richting te wandelen, hetgeen ongeveer drie kwartier vergt. Er rijden weliswaar per dag enige bussen, door deze hebben om onbegrijpelijke redenen geen aansluiting op de treintjes, welke om de twee uur voor het hulpstation van Vierlingsbeek stilhouden. Overloon, dat toch al zo afgelegen ligt, is hierdoor nog moeilijk bereikbaar, althans moeilijker dan feitelijk nodig behoeft te zijn. Wij hebben overigens bij onze tocht van Vierlingsbeek naar Overloon van een aardige wandeling genoten temidden van zonovergoten akkers en weilanden.

Er is vrijwel geen enkele boerenbehuizing of zij heeft onder het oorlogsgeweld geleden. Dit is thans na drie jaren nog duidelijk te zien. Van de meeste boerderijen is een deel, hetzij een voorkamer, hetzij een bijkeuken, weg. Talrijke resten van funderingen bewijzen tevens dat vele huizen geheel werden weggevaagd. De geteisterde woningen heeft men zo goed en kwaad als het kon opgelapt; muren, die waren doorzeefd met gaten van kogels en granaten, werden gedicht en daken, waarvan de pannen of het riet was verdwenen, werden hersteld. Slechts met dit bescheiden herstelwerk is in de afgelopen drie jaren een begin gemaakt. Nog vele gezinnen leven in de nauwe vertrekken van een noodwoning, welke soms het gedeelte van eer stal is.

Het Oorlogsmuseum.

Na het passeren van een Brits soldatenkerkhof komt men bij het oorlogsmuseum, dat in een dennenbos op historische grond is gevestigd.

Wie mocht menen, dat men hier een deel van het slagveld in ongeschonden staat zou aantreffen, komt bedrogen uit. Zeker, men ziet bomen, die als luciferhoutjes zijn afgeknapt, men ziet stukgeslagen Duitse en geallieerde tanks, men ziet verschillende soorten kanonnen, doch alles maakt de indruk netjes uitgestald te zijn in een mooi aangelegd park, waar geen enkele granaat- of bomtrechter valt te bekennen.

Al moge men dan geen echt beeld meer krijgen van het strijdtoneel, de vele oorlogsmonsters en de zeer talrijke, geniepige vernietigingswapens, welke bij Overloon zijn gebruikt, geven een uitstekende indruk met welke middelen men elkaar hier bestreed. Na de bevrijding leverde het zwaar geteisterde Overloon een geweldige hoeveelheid aan oorlogsmateriaal op.

Zo ziet men er onder meer een 30 tons Churchilltank, een 40-tons Panthertank, die de Duitsers met een speciale substantie hadden besmeerd ter afwering van de lastige magnetische kleefmijnen, een 45 tons Shermantank en een vlammenwerper, waarmede de Britten de Duitse stellingen bestookten.

Verder is er een antitankkanon van Rommels Afrikacorps, dat hier verzeild geraakte en bij gebrek aan munitie werd achtergelaten, een oud Amerikaans veldkanon, dat nog uit de vorige wereldoorlog dateert en door de Duitsers uit een museum was gehaald om er de geallieerden mee te bestoken, alsmede een Duitse granaatwerper, ook wel Nebelwerfer genoemd.

Laatstgenoemd apparaat heeft een electrische afvuurinrichting en gooit zes granaten tegelijk uit. Dit afschieten ging gepaard met een doordringend jankend geluid, vandaar dat dit wapen bij de Tommies bekend werd als de Sobbing Sisters (snikkende zusjes) of Moaning Minnie (jammerende Minnie) en bij de Amerikanen als Screaming Meemies (gillende juffies).

In een houten gebouwtje zijn uitrustingstukken, alsmede allerlei soorten munitie, geweren, documenten en foto’s uitgestald. Vooral belangwekkend is de verzameling van mijnen en boobytraps. Daarvan is een uit gebreide collectie in de omgeving van Overloon gevonden.

(…) De mijnopruimingsdienst maakte enigen tijd geleden gebruik van een hond, die feilloos deze gevaarlijke mijnen wist te vinden. Men is het er thans nog niet over eens of de hond de springstof of het luchtje van de Duitsers rook…. Na de hond hebben troepen Duitse krijgsgevangenen met prikstokken gewapend, de mijnen moeten opruimen. Een ander belangrijk wapen der Duitsers was de ratel, het doodgewone houten instrument. waarmede in vele plaatsen van ons land een vuilnisman de burgers op zijn aanwezigheid attent maakt. Hiermede imiteerden de nazies de aanwezigheid van een machinegeweernest…”

Constante vernieuwing (1947-2022)

Veel van de voorwerpen die in dit verslag uit 1947 beschreven staan zijn in het huidige museum nog steeds te zien. Maar in tegenstelling tot dat Eerste Wereldoorlogmuseum bij Sanctuary Wood, waar de afgelopen honderd jaar niets veranderde dan de zaal waarin toeristen gelaafd worden, is de collectie van het het Oorlogsmuseum Overloon steeds uitgebreid, het terrein vergroot en de gebouwen vernieuwd.

Overzicht bezoekerscijfers 1947-2019. Vanwege corona-lockdowns zijn gegevens 2020 en 2021 niet opgenomen (klik voor vergroting).

In de loop der jaren groeide het aantal jaarlijkse bezoekers tot ruim 200.000 in de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw. Mede door de komst van andere andere oorlogsmusea liep het bezoekersaantal daarna terug tot onder de 100.000, om in de laatste tien jaren vóór corona, weer langzaam te stijgen.

Vernieuwen is helaas vaak ook vernielen

Dat het vernieuwen gepaard ging met het vernielen van de karakteristieke gebouwen die in de jaren vijftig ontworpen waren door Henri Pieck (de tweelingbroer van Eftelingontwerper en illustrator Anton Pieck) is daarbij een kwestie van “jammer, maar helaas.”

Het huidige gebouwencomplex, dat in niets meer lijkt op de museumvarianten die ik eerst in 1973 en later rond 1990 bezocht, is uitermate geschikt voor zijn functie: ruim opgezet, met een potentiële verwerkingscapaciteit van een groot aantal dagelijkse bezoekers. Heel apart is de fietsbrug die dwars door de reusachtige hallen met rijdend materieel voert – onderdeel van de 59 kilometer lange fietsroute ‘Aan de andere kant‘, die van het museum naar de Duitse militaire begraafplaats Ysselsteyn leidt.

Vernieuwingsdrift zorgde ook voor de onzinnige naamsverandering van het museum in “Liberty Park”, in 2006. Eerst in 2013 kreeg het museum zijn oude, vertrouwde naam terug.

De tentoongestelde collectie

Waar het museum in eerste instantie focuste op voorwerpen en gebeurtenissen die verband hadden met de strijd rond Overloon in 1944, werd de insteek later verbreed naar de hele Tweede Wereldoorlog. Dus ook de Holocaust, verzet en collaboratie komen aan bod – en daar begint het tegelijkertijd een beetje te wringen.

Zo snap ik dat bepaalde voorwerpen heel apart en uniek zijn – de bontkraag die koningin Wilhelmina droeg tijdens radiotoespraken vanuit Londen, persoonlijke voorwerpen die al dan niet aan Reichskommissar Seyss-Inquart toebehoord hebben, de gepantserde geldwagen waarmee prinsessen Juliana, Beatrix en Margriet en prins Bernhard op 10 mei 1940 vanuit Den Haag naar IJmuiden reden. Maar: vertellen die hét verhaal van de oorlog? Ik weet het niet.

Liever zie ik de voorwerpen die een betere blik geven op het leven van de gewone mensen, soldaten en burgers. Gelukkig zijn ook die in ruime mate tentoongesteld – al ontbreekt soms de samenhang en geven de tekstborden te weinig uitleg.

De wapenzaal

Klein gedeelte van de uitstalling in de wapenzaal. Voor het Duitse machinegeweer op de voorgrond hebben verzamelaars een fortuin over.

Die uitleg is ook absoluut ondermaats in de zwaar beveiligde ruimte waar een geschiedenis van het Duitse leger 1940-1945 middels in uniform gestoken poppen en allerhande licht wapentuig te zien is. Wapen- en uniformfanaten zullen in deze zaal, waar voor miljoenen aan authentiek wapenmateriaal staat opgesteld, zeker aan hun trekken komen. Maar het ontbreken van bordjes erbij van wat wat precies is en waartoe het dient ervaar ik als een gemis.

Uitleg ontbreekt vrijwel totaal bij de collectie “1000 bommen en granaten”. Op de museumsite is daarover te lezen: “De munitieverzameling van Ben Junier behoort zonder twijfel tot één van Europa’s meest exclusieve militaire verzamelingen. Deze bijzondere collectie opgesteld in onze grote militaire hal.”

Alles leuk en aardig – maar wat is de werking van al die explosieven? Hoe worden ze afgevuurd? Wanneer zijn ze geproduceerd en door wie? Antwoorden zijn in het museum niet te vinden.

Ook nauwelijks uitleg is er bij het “wrak” van de Lancaster. Met brokstukken van en uit deze in 1945 in België neergestorte Britse bommenwerper zijn de contouren van dit toestel op een schuine wand “herbouwd”. Indrukwekkend – maar wat doet dit in Overloon? Het complexe verhaal van de luchtoorlog wordt hiermee bepaald niet verteld. Het oogt indrukwekkend, maar is ook niet meer dan dat.

Zwaar beveiligd

De wapenzaal is waarschijnlijk zwaarder beveiligd dan het Rijkmuseum, en met reden. In de jaren zestig kregen zowel criminelen als speelzuchtige kinderen in de gaten dat zich in het museum veel hebbedingetjes bevonden. De eerste gedocumenteerde inbraak vond plaats eind 1964/begin 1965. Na een inbraak in een betonfabriek worden twee jongemannen uit Nijmegen gearresteerd. Bij hun verhoor biechten ze op een bedrijfsklare stengun, drie bajonetten en en drie handgranaten uit het museum gestolen te hebben. Ze wilden daarmee een postwagen overvallen.

Later in 1965, niet lang nadat de museumdirecteur H. van Glabbeek klaagt dat de schooljeugd nauwelijks belangstelling heeft voor zijn museum, wordt er weer ingebroken. Ditmaal zijn de daders vier jongetjes uit Arnhem van 10, 12, 13 en 14 jaar. In de nacht van 10 op 11 augustus slaan ze toe. “ Omdat zij graag oorlogje wilden spelen met echte wapens” ontvreemden ze drie machinepistolen, een aantal geweren, twee bajonetten, twee helmen, enkele handgranaten en een “Efford-schijnpistool.”

Eerst na deze tweede inbraak wordt het museum beveiligd. Wat overigens niet verhinderd dat onverlaten in de daarop volgende decennia er toch in slaagden voorwerpen te ontvreemden. De recentst gedocumenteerde diefstal uit het museum vond plaats in 2004, toen bij een snelkraak een luxe editie van Mein Kampf gestolen werd, met een verzamelaarswaarde van 50.000 euro. Het ding werd later bij een huiszoeking in België teruggevonden en kwam in 2009 terug in Overloon. Daar wordt het boek sedertdien achter tralies bewaard. Deels symbolisch, omdat Hitler het in gevangenschap geschreven had, deels om een nieuwe snelkraak te voorkomen.

De voertuigenzaal

Een van de publiekstrekkers is de collectie rijdend materiaal – honderden militaire voertuigen waarvan een groot deel in rijdende staat. De tanks, jeeps, vracht- en pantserwagens uit deze collectie spelen een prominente rol in Militracks, een evenement dat het museum eens per twee jaar mede organiseert. Het publiek kan zich dan laten rondrijden in of op deze voertuigen. Iets waar veel belangstelling voor is: in 2016 trok het evenement 14.000 bezoekers, in 2018 18.000. Vanwege corona kon het evenement de afgelopen jaren geen doorgang vinden; in 2022 staat het gepland op 14 en 15 mei 2022.

Ook het tweejaarlijkse Santa Fe-evenement, waar bezoekers gere-enacte Tweede Wereldoorlog-kampementen kunnen bezoeken, staat garant voor duizenden bezoekers.

Hoewel ik zelf enige bedenkingen heb bij de inzet van zwaar vervuilende historische voertuigen, beladen met volvette in veelkleurige stoffen gehulde toeristen in vreedzaam bosgebied,waar het olijk gekwinkeleer van het gevogelte danig verstoord wordt, hebben veel mensen kennelijk behoefte om het geheel bij te wonen – dus wie ben ik om dat te veroordelen? Bovendien: het zorgt voor extra inkomsten voor het museum, en komt dus ten goede aan de educatieve werking van het museum.

Is het moreel verwerpelijk om geld aan de Tweede Wereldoorlog te verdienen?

En dat brengt ons tot de kern van deze hele artikelenreeks over “De Tweede Wereldoorlog als industrie”. Is het moreel verwerpelijk om er geld aan te verdienen?

Het antwoord is duidelijk: nee. Want zonder geld kan de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog en al haar verschrikkingen niet levend gehouden worden. Zonder geld zouden allerhande instellingen en gedegen uitgeverijen niet kunnen bestaan. Zonder geld kunnen geen solide boeken en documentaires gemaakt worden. Zonder geld verhongeren onderwijzers en onderzoekers.

Maar… dat betekent natuurlijk niet dat in deze industrie óók veel rotzooi vervaardigd wordt – denk aan Het Verraad van Anne Frank. Of denk aan de valse meuk die bij Duitse, Amerikaanse en Britse veilinghuizen als “authentiek” gesleten wordt. Denk ook aan alle fake documentaires over Hitlers vermeende ontsnapping naar Argentinië of over diens seksleven. Of denk ook aan het antisemitische geschrift Hitlers diamanten, of aan het van bedrog aan elkaar hangende Bloemen van het kwaad, met zogenaamde gedichten van Adolf Hitler.

Waar het om draait is uiteindelijk de intentie: wil een museum, uitgever, tv-maker, schrijver of militariahandelaar/verzamelaar kennis overdragen, of gaat het alleen maar om geld? Indien het laatste het geval is, is het het einde zoek.

Uitwassen

Dat zoekgeraakte einde doet zich helaas ook voor in Overloon, niet in maar net buiten het museum. Al in 1960 berichtte het Algemeen Dagblad:

“Het Nederlands Nationaal Oorlogsmuseum in Overloon wil behalve een museum ook een nationaal monument zijn. (…) Vlak buiten het museum is deze doelstelling echter minder goed verwezenlijkt. Tegenover de ingang zijn twee souvenirwinkels gevestigd. Zij maken op de bezoeker de indruk dat het museum niet meer is dan een toeristische attractie zoals de grotten van Valkenburg en de Kaasmarkt in Alkmaar.

Vooral voor nabestaanden van oorlogsslachtoffers moet het een grievende ervaring zijn deze winkels hier aan te treffen. Het is smakeloos om aan de herinnering aan oorlogsleed een handel vast te knopen. Het museum zal nooit geheel en al een nationaal monument kunnen zijn zolang het bij zijn poorten deze winkels heeft staan.”

Eenenzestig jaar later – we bezochten voor dit artikel het Oorlogsmuseum in oktober 2021 – staan die twee souvenirwinkels er nog steeds. Eén ervan was open en wat we aantroffen bestond uit precies dat wat je niet wil zien: fantasie-ijzeren kruizen naast dito Davidssterren, een grote collectie granaten met kop (volstrekt illegaal) en weet ik wat voor verdere rotzooi.

Sommige dingen veranderen nooit.

Oorlogsmuseum Overloon
Museumpark 1
5823 AM Overloon
Dagelijks geopend.
www.oorlogsmuseum.nl

Voor dit artikel geraadpleegde bronnen

Sanctuary Wood Museum. (Hill 62). The Great War 1914-1918, (s.l.), (1998).
http://www.greatwar.co.uk/ypres-salient/museum-sanctuary-wood.htm

Daal van, Hendrikus P J m., Graftombe.nl, februari 2009.
https://www.graftombe.nl/names/info/1274809/daal_van

Het tweede Caen van het front. Nationaal museum te Overloon? Het Binnenhof, Den Haag, 15-12-1945.
https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB19:000365184:mpeg21:a00025

Overloon, het Yperen van Nederland. Algemeen Handelsblad, Amsterdam, 07-02-1946.
https://resolver.kb.nl/resolve?urn=KBNRC01:000046265:mpeg21:a0013

Overloon (zwaarder getroffen dan Caen) krijgt oorlogsmuseum. Trouw, Amsterdam, 07-02-1946.

https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ABCDDD:010936620:mpeg21:a0061

Kleine Academie. Nieuwsblad van het Zuiden, Tilburg, 13-08-1946.
Verslag georganiseerde reis. 7000 bezoekers afgelopen week.
https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010770467:mpeg21:a0049

De tankslag bij Overloon. (Rondleiding door museumdirecteur H.W.J. van Glabbeek). Nieuwe Tilburgsche Courant, Tilburg, 05-05-1956.
https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB19:000262029:mpeg21:a00056

J.J. Vis. Harry van Daal. De man van Overloon. Algemeen Dagblad, Rotterdam, 28-05-1960.

https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB19:000337047:mpeg21:a00084

Stengun gestolen uit oorlogsmuseum. Algemeen Dagblad, Rotterdam, 16-01-1965.

https://resolver.kb.nl/resolve?urn=KBPERS01:002826013:mpeg21:a00013

Grote slag werd fikse straf. De Telegraaf, Amsterdam, 21-05-1965
https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:110588846:mpeg21:a0398

Oorlogsmuseum Overloon trekt wel publiek, maar geen jeugd. De Tijd De Maasbode, Amsterdam, 01-05-1965.

http://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:011234046:mpeg21:a0236

Oorlogje spelen leidde tot wapendiefstal. Kinderen zetten kraak in Museum Overloon. Limburgs Dagblad, Heerlen, 26-08-1965.
https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010526505:mpeg21:a0010

Na wapendiefstallen. Oorlogsmuseum wordt strenger bewaakt. De Volkskrant, Amsterdam, 28-08-1965.
https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ABCDDD:010878192:mpeg21:a0421

Oorlogsmuseum na 25 jaar bijna compleet. (Interview met Harrie van Daal). De Tijd, Amsterdam, 08-05-1971.
https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:011235845:mpeg21:a0206

A. Korthals Altes. Slag in de schaduw. NRC Handelsblad, Rotterdam, 30-11-1974.

https://resolver.kb.nl/resolve?urn=KBNRC01:000032909:mpeg21:a0181

Oorlogsmuseum met ontmanteling bedreigd. Overloon verklaart Den Haag de oorlog. Limburgs Dagblad, Heerlen, 08-10-1981.
https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010570401:mpeg21:a0269

Oorlogsmuseum in Overloon nu veel uitgebreider van opzet. Het Parool, Amsterdam, 28-05-1984.
https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ABCDDD:010832773:mpeg21:a0110

Ruilbeurs trekt bezoekers naar Oorlogsmuseum. Limburgs Dagblad, Heerlen, 22-02-1988.
Door Vara-radio medegeorganiseerde militariabeurs in het museum.
https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010611553:mpeg21:a0175

‘Mein Kampf’ weer te zien in Overloon. Omroep Brabant, Den Bosch, 26-11-2009
https://www.omroepbrabant.nl/nieuws/500340/mein-kampf-weer-te-zien-in-overloon

Liberty Park in Overloon wordt ‘Oorlogsmuseum’. Omroep Brabant, Den Bosch, 10-01-2013.
https://www.youtube.com/watch?v=izc60uwH6jM

Peter ter Haar. Slag om Overloon en Venray. Traces of War, Badhoevedorp, 12-12-2013.
https://www.tracesofwar.nl/articles/3124/Slag-om-Overloon-en-Venray.htm

E.L.M. Somers. De oorlog in het museum. Herinnering en verbeelding. Proefschrift. Universiteit van Amsterdam, 2014, blz. 29, 38, 426.

A. Korthals Altes & N.K.C.A. in ’t Veld. Slag in de schaduw. Peel/Maas 1944-45. Aspekt, Soesterberg, (2015).

Minder bezoekers Oorlogsmuseum Overloon. De Gelderlander, Arnhem, 22-12-2016.
https://www.gelderlander.nl/boxmeer/minder-bezoekers-oorlogsmuseum-overloon~a2a1486f/

Marco van Kampen. Militracks trekt recordaantal bezoekers. De Limburger, Heerlen, 20-05-2018.

https://www.limburger.nl/cnt/dmf20180520_00062240

Rebecca Seunis. Bevrijdingsleger herleeft tijdens Santa Fe bij oorlogsmuseum Overloon. Omroep Brabant, Den Bosch, 10-08-2019.
https://www.omroepbrabant.nl/nieuws/3050453/bevrijdingsleger-herleeft-tijdens-sante-fe-event-bij-oorlogsmuseum-overloon-fotos-video

Record aantal bezoekers Oorlogsmuseum Overloon. Oorlogsmuseum Overloon, 02-01-2020.
https://www.oorlogsmuseum.nl/nl/nieuws/02-01-2020-record-aantal-bezoekers-oorlogsmuseum-overloon/

Tweeduizend brokstukken Britse bommenwerper in Oorlogsmuseum Overloon. Nu.nl, Amsterdam, 28-06-2021.
https://www.nu.nl/cultuur-overig/6142283/tweeduizend-brokstukken-britse-bommenwerper-in-oorlogsmuseum-overloon.html

Benevens vele artikelen over bezoekerscijfers van het museum in Delpher – de digitale krantenbak van de koninklijke Bibliotheek.

Met dank aan Guido Ouwerkerk en Gaston Vrolings.

Foto’s: © Bart FM Droog, 2021 en 2022.

Dit artikel is mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten.
De Canard-serie is onderdeel van een vierdelige reeks artikelen over De Tweede Wereldoorlog als industrie.
1: 75 Jaar Duitse militaire begraafplaats Ysselsteyn.
2: Ciney 2021.
3. De canard van “Het verraad van Anne Frank” (zesdelige sub-serie)
Deel I: De canard van ‘Het verraad van Anne Frank’.
Deel II: De canard van ‘Het verraad van Anne Frank’: the show must go on.
Deel III: Interview met Rosemary Sullivan. De canard van ‘Het verraad van Anne Frank’.
Deel IV: De datering van het anonieme briefje.
Deel V. Gerommel in Duitsland en mysterieus gedoe in Nederland.
Deel VI. Ondanks vernietigend rapport blijft HarperCollins bullshitboek verkopen.
Deze artikelen zijn ook in het Engels verschenen, zie “The Betrayal of Anne Frank. A 21st century canard“.

Achtergrond: Tweede Wereldoorlog herinneringscentra, oorlogsbegraafplaatsen en – musea in Nederland, 2021 / bezoekersaantallen 2019.

Mijn gekozen waardering € -

Onderzoeksjournalist, dichter en samensteller van de Nederlandse Poëzie Encyclopedie.
Werkt aan een boek over het Hitler-de-kunstenaar en het nazivervalsingencircuit.