Over 30 jaar is het aantal mensen met dementie in Nederland verdubbeld tot een half miljoen. Dementie kent verschillende vormen, waardoor de ernst per persoon enorm kan verschillen. Een bezoek aan bewoners van Sonnevanck in Ermelo die dagelijks in de herhaling vallen, maar tegelijkertijd onvoorspelbaar blijven. Op bezoek bij mijn opa.

STEUN RO

Ik stap de woonkamer binnen. Ogen staren naar de televisie waaruit de continue klank van strijkende violen te horen is. André Rieu live in Maastricht. Net als gisteren, net als vanochtend, net als een halfuur geleden. Ze hebben het niet meer door. De dagelijkse routine van deze dementiepatiënten. Al snel zie ik mijn opa, 84. Natuurlijk op zijn vertrouwde plekje: de beige tweepersoonsbank. Ook vandaag heeft hij zijn helft weten te veroveren. Hij draagt zijn blauwe trui. Zijn lievelingstrui. Ik heb hem, sinds hij hier in Verpleeghuis Sonnevanck in de bossen van Ermelo en Harderwijk woont, nooit in iets anders gezien. De trui wordt vast wel eens gewassen, maar altijd wanneer ik op bezoek kom bij mijn opa, heeft hij hem aan. Op de bank, armen over elkaar, haren netjes opzij, rondkijkend met een controlerende blik. In de blauwe trui.

Ik ga voor de bank staan. ‘Dag opa.’ Mijn opa reageert verrast met ‘ha, hoi!’ en gaat meteen staan. ‘Hoe is het met u?’ vraag ik. ‘Ja, ja, z’n gangetje.’ Nooit een overtuigende ja, maar ook nooit een nee. En dat stemt mij al gerust. ‘Moet je niet naar school?’ vraagt hij, terwijl ik de plek naast hem op de bank bemachtig. ‘Nee, ik ben altijd vrij op donderdag opa. Dan werk ik thuis.’ Vervolgens klinkt het antwoord dat hij standaard gebruikt wanneer hij doet alsof hij zich iets herinnert: ‘Oh ja.’ Ik glimlach, omdat ik precies weet welke vraag hierna zal komen. Het is een kwestie van zwijgen en wachten.

‘Is het koud buiten?’ ‘Nee hoor opa, valt wel mee. Alleen een stevig windje, dat wel.’ Over vijf minuten zal hij me hetzelfde vragen, en dan zal ik hetzelfde antwoord geven. Ik ben allang blij dat mijn opa ‘een van de besten is’ in dit huis. In de woonkamer zitten de zeven bewoners van zijn afdeling. Mevrouw Bloemendaal* slaat zo nu en dan een gilletje. Meneer Oudenaar* sloft heen en weer. Hij daagde me net nog uit om te stoeien. Ook mevrouw Bakker* komt binnenlopen. Mijn opa wordt vaak nukkig van haar. Ze is onvoorspelbaar en sjouwt graag met andermans spullen – gisteren nog met opa’s pet, vanochtend een stoel. De andere drie bewoners houden zich zoals altijd stil en zitten op een rij in hun rolstoelen. ‘Wanneer gaan die dingen nou eens weg?’ hoor ik opa vragen.

‘Is het koud buiten?’ Dit is nu de vierde keer in twintig minuten. ‘Nee hoor opa, wel een stevig windje.’ Hij knikt. Mevrouw Bakker komt plotseling voorbij. Ze stopt bij een bloempot, voelt er aan en sloft verder. Mijn opa houdt haar in de gaten. Ze mompelt iets en glimlacht naar me. Geen gewone glimlach: ze flirt. Ik lach wat ongemakkelijk terug en probeer een gesprek over de actualiteit aan te gaan met mijn opa. Ik pak het AD en wijs naar de grote foto op de voorpagina. ‘De paus is gestopt hè, opa. Wist u dat al?’ Zijn wenkbrauwen dalen en wijzen naar zijn neus. Hij zwijgt. Zijn hele leven streng-katholiek, maar nu kan hij het niet meer volgen. Ook het schandaal rond het grootschalig kindermisbruik in de Kerk is hem volledig ontgaan. Daar ben ik de (vasculaire) dementie dan wel weer enigszins 'dankbaar' voor.