Belevenissen op de Willem Barendsz. Twee mannen van Ameland vertellen over naoorlogse walvisvaart.

STEUN RO

Piet Lublink en Sip Wiegersma van Ameland gingen na de Tweede Wereldoorlog ter walvisvaart op de Willem Barendsz.
‘Kom efkes met naar boven. Dan sil ik jou wat siën late!’
Piet Lublink loopt voor me de kamer uit, het halletje door, de trap op. Op de overloop houdt hij halt. ‘Mot je es kieke! De Willem Barendsz!’Boven de trap hangt een groot schilderij met daarop ijsbergen, ijsschotsen en het schip met de naam van de Terschellingse ontdekkingsreiziger op de voorsteven. Piet is een van de Amelanders die meevoer op wat hij en Sip Wiegersma ‘De Barend’ noemen. De twee Amelanders halen herinneringen op over het leven aan boord.

Potvistanden in het museum
Piet schildert zelf ook: paarden, duinlandschappen, zonsondergangen, maar De Barend op volle zee kwam uit de penseel van een scheepsmaat. De Amelander kocht het aan boord en nam het onder de arm mee naar huis. Hij kon het al verschillende keren voor goed geld verkopen, maar Piet houdt het, hij is er aan gehecht. Het is een van de tastbare herinneringen aan zijn walvisvaart. In de kast in de kamer liggen een paar potvistanden en hij heeft er nog vier die in Museum Sorgdrager liggen, uitgeleend aan het cultuurhistorisch museum in Hollum. Dat is het wel zo’n beetje.

Net na de Tweede Wereldoorlog
In de loop der jaren verzamelde hij boeken over het schip waar hij enkele dierbare jaren op doorbracht en hij heeft een dvd. Daarop is hijzelf te horen samen met Sip Wiegersma, die naast hem op de bank is geploft. Beide mannen hadden een vrij korte carrière op de walvisvaart maar aan verhalen geen gebrek. De twee tachtigers – ze zijn uit hetzelfde jaar 1937 – genieten nog van de belevenissen uit de tijd dat ze jong en sterk waren en het zware werk als spek- en vleessnijder en winch operator (lier bediener) uren konden volhouden. Het was een bijzondere tijd, net na de Tweede Wereldoorlog, en de mannen werkten vol overgave mee aan de wederopbouw van het land.

Goede verdiensten
Natuurlijk zouden ze er nu niet meer aan beginnen, maar destijds, nu bijna 70 jaar geleden, was het een avontuurlijke werkkring waar je goed kon verdienen. De mannen kregen een basisloon en een bonus per barrel traan. ‘We hadden niet te klagen,’ zegt Piet. Nee, de verdiensten waren best en je zag nog eens wat van de wereld. Piet en Sip monsterden in de jaren 50 en 60 aan op de Willem Barendsz en gingen mee naar de wateren in het Zuidpoolgebied. Daar zagen ze de echte ijsbergen, alsof ze waren gebeeldhouwd, zo mooi.

Aanmonsteren
Ze hoorden het van eilandgenoten, die het weer van anderen hadden gehoord of in een advertentie in een dagblad hadden gelezen. Het eiland leverde na de oorlog heel wat walvisvaarders, net als de andere Waddeneilanden. Het walvisvaardersbloed, dat een paar eeuwen geleden welvaart op de Waddeneilanden bracht, kroop waar het niet gaan kon en de mannen meldden zich bij Vinke & Co in Amsterdam. Na een keuring kon het avontuur beginnen.

Piet in Kaapstad
Piet voer twee seizoenen mee, de eerste op de oude Willem Barendsz en de tweede op het nieuwe schip met dezelfde naam. Toen moest hij in dienst en daarna kwam het er niet meer van. Hij kreeg een baan bij rederij Wagenborg en werd later onderhoudsman bij zorgcentrum De Stelp. Zestien jaar was hij nog maar, destijds de junior èn de kleinste van het hele stel. De kapitein durfde hem in Kaapstad niet alleen te laten passagieren. Samen met de bootsman, dat mocht wel. “Dan sta je raar te kijken, als je daar de kroeg binnenkomt.” Een losbandige bende was het en de jonge Hollumer keek zijn ogen uit.
 

Neptunisritueel
Tijdens zijn eerste reis vierde Piet zijn zeventiende verjaardag. De oceaanoversteek had hij toen al in the pocket, want de oude Willem Barendsz voer allereerst naar Curaçao om te bunkeren. De olie was in de Nederlandse Cariben goedkoper dan in Kaapstad, de volgende stop. Daar kwamen Afrikaners aan boord, vakbekwame scheepslui. Op de reis naar het zuidelijkste puntje van Zuid-Afrika werd de Evenaar gekruist en dat betekende een doop onder leiding van Neptunus. De mannen die voor de eerste keer de Equator overstaken werden ingesmeerd met smurrie en daarna in een kuip water gegooid: het Neptunusritueel. Piet had daar geen zin in en verstopte zich. Zo ontkwam hij aan het ritueel en ontbeert hij doop-diploma en doopnaam. Piet bleef Pietje. Sip werd wel bij de kladden gepakt. Zijn doopnaam werd Mossel.

De goede dingen van het leven
Sip was in 1958 het wad overgestoken om op Ameland als boerenknecht en helmplanter te werken. De liefde hield hem daar en voordat hij aanmonsterde op De Barend verloofde hij zich met Ytske de Jong. De walvisvaart leverde zoveel op dat Sip en Ytske daarna in 1963 konden gaan trouwen. Later kreeg hij de kans om boerenhulp te worden voor het hele eiland, een nieuwe betrekking die hij 12 jaar met veel plezier vervulde. Zijn handigheid met de zeis opende voor hem de deur naar een baan bij de gemeente. Inmiddels is hij alweer heel wat jaren gepensioneerd, heeft hij last van zijn rug, wil zijn heup niet meer zo goed en spelen zijn longen af en toe op. ‘Voorwaarts!’ zegt hij vol goede moed, ‘De goede dingen van het leven genieten!’

De stem van Sip
De Barend, de mannen spreken er haast liefkozend over, ook al was het een vieze stinkbende en was het dek spekglad en levensgevaarlijk. Dat er niet vaker een ongeluk gebeurde – af en toe was er wel een slachtoffer te betreuren – noemen de twee een wonder. Als de dokter over dek liep, dan hield iedereen even in, want op de dokter waren ze zuinig. Er was er maar één van aan boord en die was van levensbelang voor de walvisvaarders. Sip bijvoorbeeld, werkte op het vleesdek en stond regelmatig tot zijn knieën in de darmen en de stront van een dode walvis. Door al die viezigheid kregen ze snel infectie aan de handen als er ook maar het kleinste wondje was ontstaan. Om te zorgen dat het gevaarlijke werk zo veilig mogelijk verliep liepen de mannen op spikes en werden er commando’s geroepen. Dat was een van de redenen waarom Sip op het vleesdek belandde: hij had een luide stem en als hij zijn strot opengooide kwam de boodschap over.

Winch operator
Piet bediende de lier, de winch. Aanvankelijk werkte hij in de messroom, maar dat was niks voor hem. Als winch operator stond hij buiten en takelde hij de vis naar binnen en de grote lappen vlees omhoog. Die moesten niet gaan zwiepen, want dan kon zo’n lap zomaar een man de kookpot in kletsen of iemand van dek vegen. Het was precisie werk dat concentratie vroeg, spekkie naar het bekkie van Piet.

Walvisvlees
Piet en Sip hebben allebei walvisvlees gegeten en ze roemen de smaak. De cilinder van de lier waar Piet aan stond kon zo heet worden, dat je er wel een lapje vlees op kon bakken. Hij moest wel eerst goed schoongeveegd worden, want de smurrie zat overal. Op smaak gebracht met wat peper en zout was het een lekker hapje van het fijnste vlees dat aan het dolkje geprikt kon worden dat Piet altijd bij zich droeg. Nederlanders waren geen walvisvlees gewend, maar de Japanners, die waren er gek op. ‘En dat zijn ze nog steeds,’ zeggen beide mannen ongeveer tegelijk.

Mannen met baarden
Sip liet tijdens de reis zijn baard staan. Het risico dat hij zich zou snijden tijdens een scheerbeurt vond hij te groot. Elk sneetje leverde een verhoogde kans op infectie op, dus liet hij het scheermes waar het lag. Veel mannen aan boord dachten er zo over en werden mannen met baarden. Ytske vond al dat haar maar niks en sindsdien heeft Sip nooit meer baard of snor gedragen.

Accordeonnetje
Met wat spijt denkt Piet terug aan zijn accordeonnetje. Hij had het meegenomen op zijn eerste reis en speelde er af en toe op. De ledige uren werden ingevuld met sport (Piet bokste), potvistanden versieren, schilderen, lezen en muziek maken. Op een dag leende de timmerman, die virtuoos kon spelen, het instrument. Tot de accordeonist wat al te enthousiast speelde en de trekzak uitelkaar scheurde. Piet kreeg een vergoeding, maar van dat geld heeft hij nooit een nieuwe accordeon gekocht. Dat spijt hem nu wel een beetje, want hij had er best wel aardigheid aan gehad.

Kou en stank
Het was koud, herinneren beide mannen zich, soms wel 20 graden onder nul, maar het was een droge kou, anders dan ze van Ameland gewend waren. Sip warmde zijn handen wel eens in de vis. Het stonk ook verschrikkelijk aan boord. De bemanning was er na een paar dagen wel aan gewend, maar als ze na een reis in Kaapstad aanmeerden wendde menigeen zijn gezicht af en kneep de neus dicht. Voor thuiskomst gingen de kleren overboord; aan hun werkkleding was niets meer te redden. Zelfs gewassen, geschoren en met schone pakken aan roken de koeien iets aan Sip. Ze vonden het kennelijk lekker want eenmaal thuis, vlogen de beesten op hem af.

Beetje melig
Of ze ook zeeziek zijn geweest. De oude Willem Barendsz lag steady op de golven, maar die nieuwe, dat was andere koek. Dat schip ontbeerde een kimkiel en rolde daardoor constant van stuur- naar bakboord. Om gek van te worden, maar echt zeeziek zijn zowel Piet als Sip niet geweest. Sip: ‘In de Golf van Biskaje werd ik wat melig. Toen ben ik wat gaan eten en heb daarna nooit meer last gehad.’

Uren kunnen ze er over vertellen en het ene verhaal haalt het andere uit. Het was een mooie tijd, maar de tijden zijn veranderd. En nee, nu zouden ze niet meer gaan. ‘Nu vind ik het eigenlijk zonde,’ zegt Piet over de grote zeezoogdieren. ‘En het hoeft ook niet meer.’

 

Blaast!
Het kraaiennest was altijd bemand zolang er daglicht was. Als de man hoog in de mast een fontein van een walvis zag, riep hij uit alle macht ‘Blaast!’ en dan werd er gejaagd. Het moederschip had enkele kleinere wendbare schepen als jager en die hadden een kanonharpoen op de boeg met een brisantgranaat in de punt. Als de vis aan de haak zat werd er een vlag op geplant en pikte de boeiboot het dode dier op. Er werd lucht in het grote lijf gepompt zodat het bleef drijven. Daarna verplaatste het werk zich naar de Willem Barendsz. In minder dan een half uur was het dier geslacht. De potvis was het moeilijkst om te snijden. ‘Een lelijk vissie’, noemen Sip en Piet dat. En als het flensmes op een stuk granaat stuitte was het malheur: dan werd het speksnijden gestopt en moest het mes eerst gescherpt worden.

Willem Barendsz I
De Willem Barendsz I was het eerste Nederlandse walvisfabrieksschip dat voor de Nederlandsche Maatschappij voor de Walvischvaart (NMW) naar de wateren rond Antarctica voer. Het was een omgebouwde tanker van bijna 155 meter lengte en het moeder- en fabrieksschip van de walvisvloot dat negen walvisvaartexpedities maakte tussen 1946 en 1955. De expedities waren belangrijk voor de naoorlogse wederopbouw en de walvissen leverden oliën en vetten voor consumptiedoeleinden en vismeel als diervoeder. Uitgehard traan bleek een goede grondstof voor de margarineproductie. Piet voer in de winter van 1953 – 1954 zijn eerste reis mee op dit schip.

Willem Barendsz II
De Willem Barendsz II voer tussen 1955 en 1964 voor de NMW. Het was het moederschip met een uitgebreidere fabrieksfunctie, dat ook negen walvisvaartexpedities naar de Zuidpool maakte. Het fabrieksschip was 206 meter en 49 centimeter lang. De Willem Barendsz II was het schip waar Sip in de wintermaanden van 1961 – 1962 op voer en waarmee Piet zijn tweede reis maakte in de winter van 1955 – 1956. In 1964 werd de walvisvaarder aan Japan verkocht. De Nederlandse walvisvaart was ten einde.

Walvisjacht van de NMW
Er werd op verschillende walvissen gejaagd: blauwe vinvis, gewone vinvis, noordse vinvis en bultrug. De walvis werd kortweg ‘vis’ genoemd. De potvis was bijvangst en de zwaardwalvis verdween soms in de soep voor de bemanning.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -
    Jeanet de Jong is journalist op Ameland voor Persbureau Ameland en YouTube kanaal Ameland Vandaag, correspondent voor diverse media, uitgever en verteller van de vertelgroep Ameland Vertel! Ze schrijft over een grote diversiteit aan onderwerpen, haar hart ligt op de Wadden.