Ouwe Jongen

Juni 2006 mocht ik (voor een onderwijstijdschrift) een held interviewen. Het was een heerlijke zomerdag en HJA was in vorm. Buiten sliep Amsterdam-Zuid een voetbalroes uit, dichterbij ritselde de jongere vriendin, ooit opgepikt in café Hesp. We zaten in zijn kantoortje, met om ons heen de gevonden voorwerpen en knutsels die zo vaak terugkomen in zijn geschreven werk. En een asbak, want HJA rookte stevig door. Uit een groen pakje waaruit ik er ook eentje mocht.

Talent

Ik denk dat ik een talent voor constructies heb. Dat begon met het bouwen van hoge torens van houten blokken. Daarna kreeg ik een timmerdoos en begon het maken van allerlei andere soorten constructies.

Daarna sloegen onze tegenstanders op de vlucht, als ze ons de monsterkatapult naar het front zagen rijden.

Hoogtepunt was de monsterkatapult. We zullen een jaar of twaalf geweest zijn en hadden ruzie met een bende aan de andere kant van de ’s Gravenweg, in Rotterdam. Katapults maakten we vaker, van een gevorkte stok, wat elastieken en een leertje. Ditmaal nam ik het chassis van een kinderwagen, bevestigde daarop een voetsteun en een zadel -allemaal gevonden- en een dikke balk met daarop gebogen stukken betonijzer en daartussen een oude fietsband. Bij het eerste proefschot leun ik achterover, laat de steen los en een halve minuut later klinkt glasgerinkel vanuit de huizenrij aan de overkant van het stuk niemandsland. Nou, dat schot was gelukt. Daarna sloegen onze tegenstanders op de vlucht, als ze ons de monsterkatapult naar het front zagen rijden.

Het zijn allemaal dingen die behoren tot de creativiteit. Intussen -veertien zal ik geweest zijn- had ik grote bewondering opgevat voor Belcampo. Met name het gedicht ‘Het Woeste Paard’ maakte diepe indruk op me. Ik kan het nog zo opzeggen. Ik stond paf man, werkelijk, wat een mooi gedicht. En prachtige korte verhalen. Net als de verhalen van Bulletje Bonestaak, daarin komen episodes voor die diepe indruk op me hebben gemaakt. Ik kan ze zo navertellen, over oude Hein, of over de rubberman die van de wolkenkrabber springt. Episodes die mij inspireerden, die het zelfstandig nadenken stimuleren. Dus toen dacht ik: weet je wat, ik ga zelf ook schrijven. Want het gaat erom dat je zelf dingen probeert. Dat je zelf je handen en hersens leert gebruiken, en combinaties maakt die nooit eerder ergens gebruikt zijn. Ik denk nu: begin met een blokkendoos, lees die verhalen en dan raak je vanzelf op het goede spoor, welk spoor dat ook moge zijn.

Nu sterft de een na de ander. Gister Jan Blokker, een paar maanden geleden Rudy Kousbroek, daarvoor Simon Vinkenoog. Het wordt wel heel stil om me heen. Treurig. Maar ja.

Bij mij is dat het schrijven geworden. Ik was een gewone leerling, met gewone cijfers. Na mijn diensttijd ben ik politicologie gaan studeren in Amsterdam, omdat ik links geëngageerd was geraakt. Zeer links. En langzamerhand kwam ik in contact met Gerrit Kouwenaar, Karel Appel, Brammetje Bogart en de vijftigers en de experimentelen, en ben ik in Propria Cures gaan schrijven en in die kringen terecht gekomen en nooit meer uit los geraakt. En nu sterft de een na de ander. Gister Jan Blokker, een paar maanden geleden Rudy Kousbroek, daarvoor Simon Vinkenoog. Het wordt wel heel stil om me heen. Treurig. Maar ja.

Een zin maken is ook bouwen, bouwen met woorden. Daar heb ik nog steeds het grootste plezier in. Deze week heb ik vier stukken geschreven, waaronder een column over luiheid. Het was lastig om daar een stevige constructie voor te bedenken. Nou ja, die had ik af en toen ging Jan dood, en belde de krant: heb je herinneringen aan hem. Dat heb ik gisteravond geschreven. Geen voetbal gezien, maar dat wil ik ook helemaal niet. Het werd wel steeds stiller op straat, met af en toe een golf gejuich vanaf het Museumplein, dat ligt hier vlak achter.

Op een stoel in de zon zitten of zwemmen, daar moet ik niet aan denken

Inzet
Ik ben niet energiek, ik ben niet lui, ik ben gewoon bezig. Ik weet niet wat ik moet doen als ik niet bezig ben. Op een stoel in de zon zitten of zwemmen, daar moet ik niet aan denken. Nieuwsgierig ben ik zeker, maar dat is geen talent, dat is een eigenschap. Ik kan geen laptop zien staan of ik zit er even in te kijken, want je weet maar nooit wat je daar aantreft. Zulk soort dingen meer, ik raap oud ijzer op van straat, daar maak ik sculpturen van, of een of andere constructie. Ik ben een groot kind. Daar valt niets aan te doen, het is te laat om daar iets aan te prutsen.

Ik doe nooit iets tegen mijn zin. Ik heb echt een leuk leven. Je moet de dingen waaraan je bent begonnen natuurlijk wel afmaken. Als ik een column schrijf, heb ik daar zin in. Dan moet die toren af. Een onderwerp word je vaak al dagen tevoren in de schoot geworpen, als je in de tram zit, of iets opraapt van de grond. Dat onderwerp kiemt in je hersens, breidt zich uit en als je gaat tikken hoort die column eigenlijk al af te zijn. Hoewel je nog maar moet zien of dat op het scherm werkelijk zo is. Soms heb ik ‘m zo af, soms zit ik een hele dag aan zo’n ding te pielen.

Ik ben een zondagskind, heb voortdurend geluk gehad in mijn leven.

Toeval
Het lag niet voor de hand dat ik schrijver zou worden. Als mijn vader niet een fervente lezer was geweest, weet ik niet of ik schrijver was geworden. In zijn boekenkast stond ook Menno Ter Braak. Vooral Het Tweede Gezicht, met achterin journalistieke stukjes, die bevielen me heel goed, gaven me inspiratie om het zelf ook eens te proberen. Het leven hangt van zoveel toeval aan elkaar. Ach, talent is in elk geval niet voldoende. Je moet ook energie hebben. Ik heb geboft dat ik een buitengewoon energieke vader en moeder had, die me op veler gebied en met toewijding van alles geleerd hebben. En ik ben door toeval bij het Handelsblad gekomen. Ik ben een zondagskind, heb voortdurend geluk gehad in mijn leven. Als toeval geen rol heeft gespeeld, dan heb ik altijd de doodlopende weg laten liggen, en de goede kant gekozen. Dat is misschien ook wel een vorm van talent.

Trots
Ik heb een aantal dingen geschreven waar ik echt trots op ben. De boeken De Alibicentrale, Man van zijn eeuw en Cicero Consultants. Een aantal essays. Bijvoorbeeld een essay tegen de auto. Dat de auto de allergrootste vergissing is van de technische beschaving. Dat vind ik nog steeds een heel goed essay; goed geformuleerd, en dat ik daar gelijk in heb, maar helaas tevergeefs.

Journalist van de eeuw; als je maar lang genoeg door blijft tikken krijg je die titel vanzelf wel.

Prijzen -of zo’n titel als journalist van de eeuw- daar zit ik niet op te wachten. Journalist van de eeuw; als je maar lang genoeg door blijft tikken krijg je die vanzelf wel. Ik heb een hoop prijzen gekregen, maar er is geeneen die er uitspringt. Ik heb er ook een geweigerd, een orde van Nederlandse eeuw of iets dergelijks, daarover heb ik een brief aan Hare Majesteit geschreven: hoor ‘s, daar ben ik niet geschikt voor, om met zo’n ding op je revers te lopen. Nee. Dank je. De Willemsorde, die had ik wel willen hebben. Maar ik heb niks gedaan dat ontzettend dapper is.
Wel heb ik mezelf een prijs toegekend, de Gouden Mussenveer. Ik dacht: die past wel bij mij. Ik raap vaker veren op van de grond -zoiets moet je niet laten liggen- en die mussenveer heb ik goud gemaakt en in een plastic houdertje gedaan. Mooi he?

Wat voor talent ik ook mag hebben, ik heb er wel een leuk leven mee gehad. Goddomme, wat ik allemaal wel niet gedaan heb zeg, als journalist. De Hongaarse opstand, eigenlijk het hele oostblok, Italië, overal geweest. Ja, dat was een vrolijke tijd als verslaggever. Dat was met het hoofdredacteurschap wel afgelopen. Je zit in je kamer, gaat naar ontvangsten en partijen en je ontmoet belangrijke mensen. Maar daar ben ik helemaal niet op gesteld. Ik ben trotser op de handen die ik gegeven heb als niet-hoofdredacteur: Gorbatsjov, Brodsky, Kennedy; mensen die de moeite waard waren. Dat rijtje, daar ben ik trots op. Oude jongens.
Het zijn van hoofdredacteur, nee. Het is toevallig dat men mij daar geschikt voor achtte, dat was ik misschien ook wel, maar daarna is voor mij een nieuw leven begonnen, godzijdank.

Spijt
Nee, ik heb nergens spijt van. Je hoort wel eens van mensen die hun leven willen over doen, en dan alles anders gaan doen. Ik moet er niet aan denken zeg, ik heb voortdurend gedaan wat ik wilde. Nu weer een mooi project samen met een fotograaf, over het consumentisme in Nederland. Die foto’s, je moest ze eens zien, die vetzakken op die miljonairsbeurzen. Ik ben nu 83, dan zou je toch het beste gehad moeten hebben. Maar dat gevoel heb ik helemaal niet. Ik ben iedere dag aan de slag, met veel plezier. Tweemaal per week kom ik op de redactie, hier in Amsterdam, om de post op te halen en met de oude jongens te lullen. Gezellig. Mensen die ik al jaren en jaren ken. Een kopje koffie en een sigaretje, en dan ga ik weer met lijn 26 naar het station en met lijn 5, 2 of 1 naar het Spui, naar Café de Zwart, want daar zitten weer andere oude jongens om mee te lullen. Leuk hoor. Gister ook. Hadden we het -toch maar weer- over de jaren ’60. Over de beste practical joke uit de geschiedenis, maar die past niet in dit stuk. Staat zaterdag wel in de krant.

Imago
Kan me niets schelen. Of er een beeld over mij bestaat, geen idee, dus ook geen idee of dat beeld klopt. Er wordt nu een biografie over me geschreven, maar ik zal de laatste zijn om de schrijver te vragen wat die opschrijft. Moet hij zelf maar weten. Als je net op televisie bent geweest schieten mensen op straat je aan: u bent een bekende Nederlander, maar ik weet niet meer welke. Dan denk ik: rot op. Ik ga liever op in de massa, lekker anoniem. Maar wel veel boeken verkopen, veel geld verdienen en gelezen worden. Waarbij het eerste belangrijker is. Want met geld doe je leuke dingen.

Er is maar een ding dat ik die kinderen kan leren: liefde en mateloze, grenzeloze toewijding.

Genen
Mijn vier kleinzonen komen over twee weken weer langs, op mijn verjaardag. Dan gaan we eerst schieten met de windbuks, en daarna de stoommachine laten lopen. Fascinerend. Constructies, prachtig. Ik heb er een boekje over geschreven: Rederij Hofland. Hoe je bootjes en karretjes kan maken, van stukken hout, kurk, oude plastic flessen. Ik heb daarmee mensen aangestoken die ver in middelbare leeftijd zijn gevorderd. Kijk, dit bootje, de eerste in de serie heb ik gemaakt toen ik als student een veer vond. Die heb ik in een kachelhoutje geprikt, daaraan een roer en een kiel gemaakt en in de Herengracht laten plonzen, onder lunchtijd. Dat bootje zeilde werkelijk als een god door de gracht, de mensen vergaten spontaan hun lunch. Volgende maand houd ik een practicum met kinderen: werkgroep Hofland, in fort Asperen. Verhaaltje, practicum. Leuk. Er is maar een ding dat ik die kinderen kan leren: liefde en mateloze, grenzeloze toewijding.

(artikel verscheen eerder in Tijdschrift Talent/serie Uitblinkers senior)

Tekst ging per email en ook per snailmail naar HJA, die er aanvankelijk niet op reageerde. Uiteindelijk belde ik maar, hij accordeerde alles, met uitzondering van het woord ‘gehad’. Dat was lelijk en moest ‘gekregen’ worden.

Mijn gekozen waardering € -

Een actualiteit staat zelden op zichzelf, die komt voort uit context. Daarom reist Anthon Keuchenius (1964) graag rond, ongeveer tussen Heuvelrug en Jemen, om die context in tekst en beeld te brengen. Liefst ruim voor- of nadat die actualiteit zich voordoet. Of waar anderen hem laten liggen.