Tientallen, zo niet honderden vluchtelingen stierven donderdag in de golven en spoelden aan op het Italiaanse eiland Lampedusa. Het is een verhaal dat steeds opnieuw begint en waar geen einde aan komt.

STEUN RO

Naar schatting zijn de afgelopen tien jaar alleen al in het Kanaal van Sicilië zo’n zesduizend mensen omgekomen in zee, stond in de Volkskrant. Op de vlucht voor armoede en repressie nemen mensen uit Afrika de gok en stappen in een houten boot, een onzekere toekomst tegemoet. Een reis die voor velen eindigt in een blauwzwarte dood. Onder de tientallen lichamen die bij Lampedusa aanspoelden, dat van een peuter en een zwangere vrouw. Vele anderen zijn voorgoed verzwolgen door de diepte.

Kan van zo’n afschuwelijk drama literatuur gemaakt worden? Kan het leed, de wanhoop, het verdriet dat mensen ertoe drijft hun land en familie achter te laten in woorden worden gevat?

Is er taal voor het leed, de wanhoop, het verdriet dat de nabestaanden treft, zij die zo ‘gelukkig’ zijn in elk geval te vernemen welk lot hun dierbaren heeft getroffen?

De Marokkaanse schrijver Youssouf Amine Elalamy (1961) schreef in 2000 een prachtnovelle: De clandestienen (Les clandestins), bekroond met de Grand Prix Atlas in 2001. In 2010 werd het boek vertaald in het Nederlands, maar het sneeuwde onder in het geweld van de grote literaire titels. Ten onrechte. Niet vaak werden woorden over dood, leven en liefde in zo’n prachtige poëtische stijl gevat.

‘Ze zijn verdronken.’ We riepen het zo hoog en zo hard deze keer dat de wind het nieuws in minder dan een uur naar de hoofdstad droeg, en voor het einde van de dag naar het hele land.
Het hele land met daarin de noordelijke provincies, en daarin het dorp Bnidar, en daarin het huis van Hammadi, en daarin de kamer van Hammadi, en daarin de radio van Hammadi, en daarin een mannenstem die zei:
‘Twee roekeloze zwemmers zijn verdronken vlak bij het kleine plaatsje Bnidar.’
Dat is alles.
‘Twee roekeloze zwemmers.’
Alsjeblieft.

Niet twee roekeloze zwemmers, maar twaalf mannen en één (zwangere) vrouw verdrinken terwijl ze vanuit een dorpje in Marokko proberen de straat van Gibraltar over te steken naar Spanje. Hun misvormde lichamen worden kort na hun vluchtpoging gevonden op het strand.

Als grote vissen zijn ze aangespoeld in de buurt van het dorp Bnidar, waar ze worden gevonden door hun families. Door de ogen van de nabestaanden en de doden zelf leren we hun levens en laatste uren kennen, de uitzichtloosheid van hun wanhoop, hun dromen en verlangens.

Ik zing zing zing, want sterven in muziek, geloof ik, is een beetje meer leven, en sterven in muziek, geloof ik, is een beetje minder sterven. Ik zing ter nagedachtenis van mijn makkers die zijn verdwenen in de buik van de zee, ter nagedachtenis van hen met wie zij zich binnenkort zal voeden, maar ook voor mijn herinnering, want je moet weten, mijn liefde, mijn prins, dat ik geen kracht meer heb en geen tranen, alleen nog een dun stemmetje om mee te zingen. Ze is hier en kijkt mij in de ogen.
Overal.

Elk hoofdstuk is een nieuw miniatuurtje, geschreven in ik-, hij- of jij-vorm; zinnen met het ritme van de golfslag van de zee. Op unieke en meeslepende wijze vertelt Youssouf Amine Elalamy zo het verhaal van de verdronkenen en degenen die achterbleven, en geeft zo een zinloos sterven betekenis. De clandestienen is een literair juweel, dat ontroert en troost tegelijk.

Youssouf Amine Elalamy werd in 1961 geboren in Larache, Marokko. Hij studeerde communicatiewetenschap, mode en reclame, waarvan een aantal jaar in New York. Sinds zijn terugkeer naar Marokko woont en werkt hij in Rabat en doceert hij stijl en media aan de universiteit van Kénitra. Zijn eerste boek, Un Marocain à New York (1998), was direct een succes en won de eerste prijs voor reisverhalen van de British Council International. De clandestienen was zijn tweede boek. Naast fictie publiceert Youssouf Amine Elalamy ook  internationale artikelen over media, mode en fotografie en is hij beeldend kunstenaar. Zijn werk is vertaald in het Arabisch, Engels, Spaans en Italiaans. De clandestienen is vertaald door Jacco Leeuwerink en Manik Sarkar, en is verschenen bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.

Geef een reactie