Het vernieuwen van onderwijs is van alle tijden. Begin twintigste eeuw kwamen er verscheidene reformscholen op, waarvan er vijf nog altijd bestaan: Montessori-, Jenaplan-, Dalton- Freinet- en vrije scholen. Ze hadden uitgesproken idealen en streefden – elk op een eigen manier – naar een betere wereld. Wat is daarvan over? En naar welke school kun je je dochter of zoon nu het beste sturen?

STEUN RO

‘Elk kind staat centraal’, laat basisschool De Mienskip in Buitenpost op haar website weten. ‘Met gevarieerde werkvormen bevorderen we zelfstandig en samenwerkend leren.’ Basisschool De Catamaran in Oud-Loosdrecht schrijft: ‘Met weektaken stimuleren we zelfstandigheid bij leerlingen.’ En De Zevensprong in Cuijk houdt wekelijks workshops ‘die klassen en methodes doorbreken’; bij toerbeurt staat er een kind “in the spotlight” dat complimenten krijgt van klasgenoten.
Klassikaal, uniform onderwijs? Kom daar nog maar eens om. Weinig scholen die zich daarmee tegenwoordig profileren. Veel vaker vermelden ze alternatieve werkwijzen, zoals ontdekkend leren of thematisch onderwijs. Zo opent basisschool De Proeftuin in Zwolle dit schooljaar haar deuren: ‘Met veel spelen, en veel buiten zijn, want leren en ontdekken doen kinderen met hun hele lichaam en al hun zintuigen’.

Keuzestress

Decennialang lagen ouders niet wakker van het kiezen van een basisschool. Ze stuurden hun kind naar een openbare school, of naar een bijzondere – een die verbonden was aan een religie. Tegenwoordig slaat al snel de keuzestress toe. Maar wel om heel andere redenen, vertelt Paul Zoontjens, emeritus-hoogleraar onderwijsrecht aan de Universiteit Tilburg: ‘Ouders kiezen nauwelijks nog op grond van denominatie. Hiervoor in de plaats pluizen ze zorgvuldig uit welke school “de beste” voor hun kind zal zijn. Het moet een leeromgeving zijn waar het zich zo optimaal mogelijk kan ontplooien.’
Dat valt nog niet mee. Wordt het coöperatief leren of gepersonaliseerd onderwijs? Heterogene klassen misschien, coach-gestuurde routes? En wat houdt tutorlezen in? Scholen overtreffen elkaar met een eigentijds aanbod. ‘Wij bieden hoogstaand onderwijs met moderne methoden’, schrijft de Wilhelminaschool in Woerden op haar website. Onder andere door: ‘gedifferentieerd onderwijs dat aansluit op de onderwijsbehoeften’, en ‘aandacht voor de sociaal-emotionele en creatieve ontwikkeling van uw kind’.

Kortom, er valt wat te kiezen voor hedendaagse ouders en hun kroost. Des te opmerkelijker is dat wat nu als vooruitstrevend wordt gepresenteerd, in de meeste gevallen al ruim honderd jaar bestaat. In heel andere omstandigheden, in een tijd die op alle fronten anders in elkaar stak dan de onze, dachten pedagogen allerlei alternatieve onderwijsmethoden uit. Levend leren, individueel onderwijs, weektaken — het was er allemaal al begin vorige eeuw.

Arbeidskrachten

Ze werken in fabrieken, op het land en in het huishouden. Kinderen zijn goedkope arbeidskrachten als de twintigste eeuw begint, maar verder draait de wereld niet om hen. Hoewel het dan al 25 jaar (sinds 1874 – red.) bij wet verboden is om kinderen jonger dan twaalf jaar te laten werken, gebeurt dat nog volop. Het is uiteindelijk de leerplicht die in 1901 een einde aan die praktijken maakt. Voortaan moeten jonge kinderen naar school.
‘De eeuw van het kind’ is de titel van het boek dat de Zweedse pedagoge en feministe Ellen Key in 1900 schrijft. Zij verwoordt de toenemende wens in westerse landen om kinderen eigen rechten te geven en ze met aandacht op te voeden. Key’s boek is een bestseller en wordt in negen Europese talen vertaald. Later zal blijken dat de twintigste eeuw ook écht ‘de eeuw van het kind’ wordt. Langzaam maar zeker komt er meer aandacht voor de jongsten.

Door het kind naar een nieuwe wereld

Toch duurt het nog tot na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) voordat nieuwe opvoedkundige ideeën vaste voet aan de grond krijgen. Na zoveel oorlogsbarbarij snakt Europa naar “geestelijke hygiëne” en een vreedzame toekomst, en steeds meer mensen raken ervan overtuigd dat die alleen bereikt kunnen worden door kinderen beter op te voeden en anders les te geven. ‘Door het kind naar een nieuwe wereld’, stelt de opkomende Italiaanse pedagoge Maria Montessori.

Met die ambitie wordt in 1921 de New Education Fellowship (NEF) opgericht. Pedagogen uit verschillende westerse landen buigen zich over de vraag hoe het onderwijs anders moet. Wat hen betreft, komt er snel een einde aan het klassikale schoolsysteem. Geen lockstep teaching meer, waarbij kinderen vastzitten in hun bankjes en allemaal tegelijk hetzelfde moeten doen. Kinderen moeten zich juist individueel, zelfstandig kunnen ontwikkelen, en sociaal en persoonlijk gevormd worden, is hun sterke overtuiging. Alleen zo kunnen kinderen ‘zelfbewust, gevoelig, goed geïnformeerd, competent en verantwoordelijk worden in de samenleving en in de wereldgemeenschap’.
De NEF-deelnemers ontmoeten elkaar tijdens congressen en bezoeken elkaars scholen. Zo ontstaan er in die jaren allerlei soorten reformonderwijs, waarvan er vijf nog altijd in Nederland bestaan: vrije scholen, jenaplan-, dalton-, freinet- en montessorionderwijs, samen ‘traditionele vernieuwers’ genoemd.

Flowerpower

Al in 1919 begint in Amsterdam een opleiding voor montessorileerkrachten; in 1923 opent de eerste vrije school in Den Haag. Toch blijft het aantal alternatieve scholen in Nederland nog decennialang beperkt. Pas in de jaren zestig en zeventig, in de tijd van flowerpower en antiautoritaire bewegingen heeft reformonderwijs het tij mee en komen er snel meer.

Gewone lagere scholen — en dat zijn verreweg de meeste — continueren ondertussen hun vertrouwde leerstofjaarklassensysteem. Alternatieve opvattingen blijven buiten de deur. Alleen het oorspronkelijke kleuteronderwijs werkt in de jaren van zijn bestaan (1956 – 1985) al volop volgens de pedagogische en didactische inzichten van de traditionele vernieuwers.
‘Lagere scholen (huidig groep 3 t/m 8, red.) behielden hun status quo en bleven frontaal lesgeven’, vertelt Patrick Sins, lector vernieuwingsonderwijs aan Hogeschool Saxion. ‘Dit veranderde pas na de invoering van de basisschool in 1985. Toen de Wet op het basisonderwijs voorschreef dat ze moesten differentiëren, werden ze wel “gedwongen” hun oude lesmethodes los te laten.’ Onderwijsjurist Paul Zoontjens: ‘De kennis en ervaring die het vroegere kleuteronderwijs inbracht in de basisschool, speelde hierbij een belangrijke rol. Tegelijkertijd werd de maatschappij steeds individueler, en wensten ouders toegesneden oplossingen voor hun kind.’ Patrick Sins vult aan: ‘In de jaren negentig deed het marktdenken zijn intree in het onderwijs, toen moesten scholen kinderen gaan “binnenhalen”, dan is een onderscheidend profiel wel nodig.’
En zo verschijnt de kringopstelling van het jenaplan in de klaslokalen, net als de weektaken van dalton- en de individuele benadering van het montessorionderwijs. Steeds vaker grabbelen basisscholen uit de ideeën van de oude pedagogen. Zo lijkt het in het begin van dit artikel beschreven geven van complimenten op basisschool De Zevensprong veel op een van de “technieken” die Célestin Freinet een eeuw eerder al in zijn onderwijs had geïntroduceerd.

Stormen

Waarom zou je je kind nog naar een jenaplan-, dalton- of andere alternatieve school sturen, nu het gewone basisonderwijs delen ervan overneemt? Onderscheiden de traditionele vernieuwers zich nog?
Patrick Sins twijfelt daar niet aan: ‘De reformscholen hebben in de afgelopen eeuw al veel stormen doorstaan. Ze hebben een duidelijke oorsprong en pedagogisch concept, waarmee ze zich steeds goed aan nieuwe omstandigheden kunnen aanpassen.’ Reguliere basisscholen hebben zo’n visie doorgaans niet.’ Sins is dan ook kritisch over hoe zij zich tegenwoordig presenteren: ‘Er staan prachtige innovatieve werkwijzen in de schoolplannen, maar in de praktijk van de klas zie je die niet altijd terug.’
‘De kracht van de traditionele vernieuwingsscholen is vooral hun pedagogische visie’, meent onderzoeker vernieuwingsonderwijs aan Hogeschool Saxion, Jaap de Brouwer. ‘’Hoe voed je kinderen op? Hoe help je ze op een goede manier volwassen te worden? Daar hebben ze uitgewerkte ideeën over.’

Kennis en ervaring die het vroegere kleuteronderwijs inbracht, speelden een belangrijke rol bij vernieuwingen

‘Scholen kunnen knippen en plakken vanuit alternatieve concepten, maar als ze zelf geen opvoedkundige visie hebben, en geen visie op leren en de rol van de leerkracht, is hun profiel leeg’, stelt Patrick Sins. ‘Het is interessant om te zien of nieuwe onderwijsinitiatieven dergelijke visies hebben. In de laatste twintig jaar kwamen er al veel soorten bij, zoals Agora-, iPad-, en Iederwijs-scholen. Aan een schoolleider van een iPad-school vroeg ik destijds wat de visie op leren was. Die hadden ze nog niet. Dat vind ik zorgelijk. Met een iPad kunnen werken is didactisch een leeg concept. Die scholen zijn er overigens niet meer.’

Kan iedereen zomaar een school stichten? In principe wel, vertelt hoogleraar onderwijsrecht Paul Zoontjens. ‘De overheid bemoeit zich niet met de leerstof en pedagogische inzichten. Wanneer scholen officieel onder openbaar of bijzonder onderwijs vallen, worden ze volgens gelijke maatstaven bekostigd.’ Dit is de vrijheid van onderwijs, het veelbesproken artikel 23 uit de Grondwet. Onder de vleugels van deze denominaties kunnen scholen daarbij óók een pedagogische richting kiezen. Zo zijn er bijvoorbeeld openbare, oecumenische en katholieke jenaplanscholen.

Nieuwe wet

Sinds begin 2021 is die omweg verleden tijd. Door de nieuwe wet ‘Meer ruimte voor nieuwe scholen’ kan iedereen nu een school beginnen, mits er voldoende leerlingen voor zijn. Is dit een verbetering? ‘Het is hoe je ernaar kijkt’, stelt Paul Zoontjens. ‘Het is goed dat ieder die een bepaalde visie belangrijk vindt, nu zonder belemmering een school kan oprichten. Dat hoeft geen nieuw concept te zijn, een originele freinetschool kan ook. Met een voldoende leerlingenaantal — afhankelijk van de dichtheid van de bevolking in de regio — wordt die bekostigd door de overheid. Dat is winst vergeleken met de situatie voorheen, toen dit via een denominatie moest.’
‘Maar je kunt de wet ook een verslechtering noemen’, vervolgt hij, ‘omdat er snuiters op de onderwijsmarkt kunnen komen, waarvan je niet weet wat ze van plan zijn. Salafistische scholen misschien, of commerciële, zoals Google-scholen. De wet maakt geen voorbehoud, behalve dat de te stichten school niet in strijd mag zijn met de democratische rechtsorde en de bestuurders bonafide zijn.’ Zoontjens niet dat er veel richtingen bijkomen. ‘We hebben een geseculariseerde samenleving, en zeker op het platteland heb je niet snel tweehonderd kinderen voor een nieuw idee bij elkaar.’

Mogelijk vind je als ouder bepaalde pedagogiek belangrijk, kies dan daarvoor

Meer soorten scholen? Patrick Sins ziet liever dat onderwijsconcepten en -initiatieven ontschotten. ‘Een nieuw New Education Fellowship zou een mooi initiatief zijn, een conferentie met grote internationale denkers op het terrein van onderwijs, die samen optrekken en met elkaar discussiëren, dat lijkt mij geweldig. We kunnen meer van elkaar leren in plaats van naast elkaar bestaan.’

De beste

Blijft de vraag: welke school is de beste voor je dochter of zoon? Daar kun je beter niet té ingewikkeld over doen, vinden de meesten die je ernaar vraagt. Het gros van de kinderen ontwikkelt zich goed, ongeacht de school die ze bezoeken. Geert Bors: ‘Er is geen eenduidig antwoord op welk onderwijs goed voor je kind is. De meeste kinderen gedijen overal. Kijk vooral naar de school in de buurt, waar kinderen uit de omgeving naartoe gaan. Loop een dag mee’, adviseert hij, ‘hoe vind je de schoolleider, hoe is de sfeer? En inderdaad, een aantal kinderen is beter af met een specifiek soort onderwijs, of mogelijk vind je als ouder bepaalde pedagogiek belangrijk, kies dan daarvoor.’


DE REFORMPEDAGOGEN TOEN
Wie waren de vijf traditionele reformpedagogen die begin twintigste eeuw aan de wieg stonden van alternatieve scholen? Wat wilden ze bereiken, en hoe hebben ze het onderwijs veranderd?

JENAPLAN
‘Op een jenaplanschool leer je samenleven’, vertelt Geert Bors, hoofdredacteur van Mensenkinderen, het vakblad van de Nederlandse Jenaplanvereniging. ‘Wie sociale vaardigheden belangrijk vindt voor zijn kind, is op bij ons aan het juiste adres. Volgens jenaplangrondlegger Peter Petersen (1884-1952) word je mens in relatie tot anderen. Hiervoor bedacht hij verschillende vormen van samenzijn, zoals de kring die voor verschillende onderwijsdoeleinden gebruikt wordt, en allerlei vieringen binnen onze jenaplanscholen.’

Op de dorpsschool van zijn jeugd in Noord-Duitsland zit Peter Petersen met kinderen van verschillende leeftijden in een klas. Geert Bors: ‘Daar ervaart hij wat hij later als pedagogisch uitgangspunt introduceert, namelijk dat een jong kind kan meedoen met oudere kinderen, en dat de oudsten de kleintjes op weg kunnen helpen. Dit principe vind je terug bij de stamgroepen in zijn jenaplanonderwijs. Het zijn drie jaarklassen bij elkaar, zodat er een onderbouw is voor kleuters, een midden- en een bovenbouw.’
Als Petersen in 1923 hoogleraar opvoedkunde wordt in de stad Jena, richt hij een universitaire oefenschool in om met zijn pedagogische ideeën te kunnen experimenteren. Hier komt de naam jenaplan vandaan. Geert Bors vervolgt: ‘Voor Petersen is de stamgroep een leefgemeenschap, waaraan kinderen met hun karakters en talenten vormgeven.’ Elk schooljaar schuiven ze een stukje op binnen hun -groep: de jongste leerling wordt middelste, de middelste wordt oudste. Doordat de stamgroep jaarlijks van samenstelling verandert, krijgt het kind telkens andere verantwoordelijkheden. Bors: ‘Dit is het principe van leerling, gezel en meester. Ze leren zo goed samenwerken, voor anderen zorgen en zich aan elkaar optrekken.’
‘Een stamgroepleider is een andere leraar dan een “gewone” leerkracht’, benadrukt Geert Bors nog even. Petersen schreef hierover: ‘De meester gaat van de ene naar de andere leerling, van de ene naar de andere groep, maar dringt zich niet op. Hij heeft liever dat ze hem vragen stellen.’

FREINET
Peter Petersen is niet de enige pedagoog die een betere maatschappij nastreeft. Bijna vijftienhonderd kilometer naar het zuiden, in de buurt van Nice, denkt ook Célestin Freinet (1896-1966) dat de samenleving door ander onderwijs zal verbeteren. Hij is daar mogelijk nog uitgesprokener in. ‘Freinets onderwijs sluit aan bij het opkomende socialisme’, vertelt Jan Dekker, coördinator van de Freinetvereniging, en gepensioneerd docent. ‘Niet om die stroming te propaganderen, maar vanuit idealen voor weerbare mensen in een betere wereld. Nog altijd heeft het freinetonderwijs maatschappelijke idealen. Onze leerlingen worden opgevoed tot kritische, solidaire volwassenen, die goed voorbereid zijn voor de democratie in de toekomst.’

Freinets ideaalbeeld komt niet uit de lucht vallen. Hij is nog maar twintig, als hij in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog gewond raakt. Een paar jaar later, als hij onderwijzer is op een dorpsschooltje in Zuid-Frankrijk, wil hij dat zijn leerlingen zelfbewuste, verantwoordelijke burgers worden. In geen geval slaafse onderdanen die zich gewillig naar het slagveld laten voeren.
Freinet ziet zijn klas als een coöperatie, waarin kinderen individueel en in groepjes aan het werk zijn. Bovendien trekt hij veel met ze naar buiten. ‘De spijbelschool’, noemt hij het gekscherend; zijn onderwijs is antiautoritair. Een studiereis naar de Sovjet-Unie inspireert Célestin Freinet om op school democratie en klassenvergaderingen in te voeren. Gelijkwaardigheid staat voorop: ‘leraren zijn wel groter dan de kinderen, maar daarom niet beter’, is een van zijn vastgelegde uitgangspunten. Niet voor niets wordt hij een emancipatoir onderwijsvernieuwer genoemd.
Een bekend onderdeel van Freinets onderwijs zijn “vrije teksten” van leerlingen, die ze al dan niet met behulp van een drukpers kunnen vermenigvuldigen en verspreiden. Jan Dekker: ‘We hebben geen vaste lesmethodes, maar bieden vakken in de werkelijkheid aan. Daar gebruiken we zogeheten technieken bij, zoals het dagboek, de buurtwandeling, en de muurkrant voor vragen en complimenten aan elkaar. Ook beheren de leerlingen samen een geldkistje met een kasboek.’

MONTESSORI
De wereld verbeteren? Prima, maar daar hoeft het onderwijs kinderen niet op voor te bereiden, vindt de Italiaanse arts en pedagoge Maria Montessori (1870-1952). Als kinderen zich goed kunnen ontwikkelen, ontstaat die nieuwe wereld vanzelf, is haar overtuiging.
Het lijkt haarkloverij, maar voor Montessori is dit een essentieel verschil. Voor haar draait onderwijs om zelfontplooiing en autonomie. Niet toevallig ook de rode draad in haar eigen leven. Als enig meisje volgt ze een technische opleiding, en ook haar latere keuze om arts te worden, is vrij opmerkelijk voor een vrouw in die tijd. Ze wordt ongehuwd moeder en laat haar zoon door anderen opvoeden. Als gevierd wetenschapper woont Montessori in verschillende landen, tot haar dood in 1952 ook in Nederland. Jaap de Brouwer, onderzoeker vernieuwingsonderwijs Hogeschool Saxion: ‘Ze kwam uit de vrouwenrechtenstrijd en wilde ook dat kinderen konden emanciperen door te leren met vrijheid en verantwoordelijkheid om te gaan.’
‘Leer mij het zélf te doen’, zou een kind eens tegen zijn lerares hebben gezegd. Waar of niet, het is een belangrijk motto in het montessorionderwijs. ‘Kinderen zijn van nature nieuwsgierig, en willen de wereld begrijpen’, vertelt De Brouwer. ‘De leraar biedt steeds andere materialen aan, om een volgende stap te kunnen zetten.’
Schuurpapieren letters, geurkokers, de roze toren, een duizendketting, Montessori ontwierp veel leermiddelen, vooral om de zintuigen te oefenen, volgens haar dé basis voor verstandelijke ontwikkeling. Aan fantasie en creativiteit hechtte ze minder waarde. De Brouwer: ‘Van kleurspoelen sorteren tot worteltrekken met het knopjesbord, montessorionderwijs gaat ervan uit dat je vooral leert via je handen en zintuigen. Je moet eerst de handelingen doen, voordat je begrippen kunt verinnerlijken en toepassen.’

DALTON
Terug naar het jaar 1905, naar de Amerikaanse staat Wisconsin, waar onderwijzeres Helen Parkhurst (1886-1973) haar handen vol heeft aan een klas met 45 leerlingen in de leeftijd van 6 tot 16 jaar. Om ze zoveel mogelijk te laten opsteken, voert Parkhurst individueel werken in. Leerlingen mogen zelf taken uitkiezen, en elkaar ook helpen. Ze is een fervent aanhangster van Maria Montessori en haar handen jeuken om ook in de VS het onderwijs te moderniseren. Helen Parkhurst reist zelfs naar Italië om een training bij haar grote voorbeeld te volgen. Lange tijd trekken beide vrouwen nauw met elkaar op. Ook Parkhurst zet de ontwikkeling van het individuele kind centraal en ze benoemt daarvoor drie kernwaarden: zelfstandigheid, samenwerken en omgaan met vrijheid en verantwoordelijkheid. Die werkt ze uit in haar daltononderwijs.
‘Met daltononderwijs kies je vooral voor de manier van lesgegeven’, legt lector vernieuwingsonderwijs Patrick Sins uit. ‘De leerstof staat niet ter discussie. Kinderen leren eigen keuzes maken, plannen en organiseren.’ In de praktijk betekent dit dat ze zelf bepalen wanneer, en in welk tempo ze leertaken uitvoeren. Elke dag iets doen? Prima. Alleen ’s morgens eraan werken? Ook goed, als de taak maar op tijd afkomt. Keuzes maken en erop kunnen reflecteren, zijn belangrijk voor de persoonsvorming van kinderen.

VRIJE SCHOOL
Dat steeds meer ouders voor vrije-schoolonderwijs kiezen, is opvallend, omdat niet een-twee-drie is uit te leggen wat er de uitgangspunten van zijn. Het heeft geen emancipatoire doelen, zoals Freinet die heeft, en het gaat ook niet om zelfontplooiing, zoals bij Montessori. Dit onderwijs is gestoeld op de antroposofische leer van Rudolf Steiner (Oostenrijk, 1861–1925), die uitgaat van het bestaan van een geestelijke wereld die iedereen via innerlijke ontwikkeling kan bereiken. De hogere wereld is de bron van natuur en kosmos; alles hangt met elkaar samen. Antroposofie is een levensvisie, die onder andere ook de grondslag is voor antroposofische geneeskunde en biologisch-dynamische landbouw.
‘Ons onderwijs helpt kinderen om op alle ontwikkelterreinen “in hun eigen kleren” te passen’, vertelt Jarla Geerts, onderwijsmanager van de vrije-schoolpabo Leiden, ‘zodat ze goed kunnen meedoen in de toekomstige samenleving. Hoe die toekomst eruitziet, gaan wij niet over, daar geven kinderen tegen die tijd zelf vorm aan.’
Ze vervolgt: ‘Ons spirituele perspectief is dat kinderen vanuit de geesteswereld op aarde komen om zich hier verder te ontwikkelen, waarna ze weer terugkeren naar de geestelijke wereld. Inderdaad kun je dat een vorm van reïncarnatie noemen, maar die prediken we niet.’
Wat dit voor het onderwijs betekent? Geerts: ‘Hoe we met de tijd, met materie en elkaar omgaan, gebeurt allemaal volgens de antroposofische uitgangspunten. Creativiteit ontwikkelen, toneelspelen en dansen zijn net zo belangrijk als rationeel kennis vergaren. Omdat de kinderen langere tijd met een vak bezig zijn, kunnen ze zich echt met de leerstof verbinden. We hoeven niet alle leerstof te behandelen, maar verdiepen liever op onderdelen. Zo spreken we de metacognitie bij kinderen aan. Ze leren dat ze dit ook buiten schooltijd kunnen doen, met andere onderwerpen die op hun pad komen.’
Bekend van de vrije school is onder andere het volgen van de seizoenen, met de bijbehorende feesten en rituelen, zoals in juni de midzomerzonnewende en het lichtfeest van Sint-Maarten 0p 11 november.

DE REFORMPEDAGOGEN NU
Horen de oude onderwijshervormers inmiddels tot het verleden, of hebben ze nu juist veel te bieden? Hoe gaan ze om met nieuwe eisen die de overheid stelt, zoals burgerschapsvorming en vaardigheden voor de 21e eeuw?

JENAPLAN
Past het jenaplanonderwijs nog in deze tijd? Redacteur Geert Bors is daar nuchter over: ‘Wat Peter Petersen honderd jaar geleden schreef, ligt natuurlijk niet op ieders nachtkastje. Het gaat erom wat er in de huidige jenaplanschool gebeurt. Omdat er geen strakke voorschriften zijn, kunnen we er zelf richting aan geven. Doordat wereldoriëntatie het hart van ons onderwijs vormt, kunnen we ons steeds opnieuw verhouden tot de tijd waarin we leven. Nieuwe taken, zoals burgerschapsvorming zijn voor ons geen probleem’, stelt Bors. ‘Daar zijn we van nature al volop mee bezig. Sterker nog, jenaplanonderwijs wordt als een voorbeeld van burgerschapsvorming genoemd.’
Er zijn circa 170 basis- en vijf jenaplanscholen voor voortgezet onderwijs in Nederland. Het totale aantal leerlingen wordt geschat op 20.000. Genoeg animo zou je denken, toch zijn er zorgen om het voortbestaan. Bors: ‘Vaak is er maar één jenaplanschool binnen een grote onderwijsstichting. Besturen weten niet altijd wat jenaplan inhoudt en wat het tempo en de cadans ervan zijn. Onbekend maakt onbemind. Als het teveel afwijkt, wordt er al snel afscheid van de jenaplangrondslag genomen.’

FREINET
Freinetscholen vind je in Nederland vooral in de omgeving van Delft. Mede door de toenemende regelgeving door de overheid — een keurslijf voor het freinetonderwijs — is hun aantal geslonken tot ongeveer negen. Heel anders is dit in Vlaanderen, waar het freinetonderwijs bloeit en bij benadering 200 scholen voor primair onderwijs telt. Wereldwijd hebben ruim veertig landen een freinetbeweging. Toch is verenigingscoördinator Jan Dekker optimistisch over de toekomst in Nederland. Corona, MeToo, Black Lives Matter — ‘Mensen zoeken opnieuw hoe ze zich tot elkaar moeten verhouden. Omdat solidariteit en democratie bij ons een grote rol spelen, is ons onderwijs een goede keuze’, stelt hij. ‘Dat scholen nu ook aan burgerschapsvorming moeten doen, is geen probleem. Daar zijn we al honderd jaar mee bezig.’

DALTON
‘In principe kan elke school zich afficheren met dalton, maar alleen scholen die de vereniging heeft goedgekeurd, zijn gecertificeerd en mogen het logo dragen’, vertelt Willem Wagenaar, voorzitter van de Nederlandse Daltonvereniging en gepensioneerd -schoolleider. ‘Van leerkrachten verwachten we dat ze een daltoncertificaat hebben, of dit op korte termijn halen, anders is het afbreukrisico te groot.’
Aan de drie kernwaarden van Helen Parkhurst — zelfstandigheid, samenwerken en omgaan met verantwoordelijkheid — zijn inmiddels effectiviteit en reflectie toegevoegd. Daltononderwijs wordt op ongeveer 350 basisscholen, en 25 scholen voor voortgezet onderwijs gegeven in Nederland, in totaal aan ongeveer honderdduizend leerlingen.
Klaar voor de toekomst? ‘Daar zitten we al middenin’, stelt Wagenaar. ‘We zijn ervan overtuigd dat we kinderen goed voorbereiden op deze vrij ingewikkelde samenleving, door ze de ruimte te geven zichzelf te ontdekken. Wat is hun bioritme, wanneer zijn ze alert, hoe verdelen ze makkelijk en moeilijk werk? Hun leren is tegenwoordig anders dan twintig jaar geleden, ook door de opkomst van ict. Software helpt ons de kinderen te volgen en ze een volgend niveau aan te bieden. Niet voor niets zijn we de lockdown makkelijk doorgekomen. We waren al digitaal ingericht.’

MONTESSORI
Onderzoeker Jaap de Brouwer: ‘Het uitvoeren van de uitgangspunten van montessorionderwijs blijkt in Nederland niet altijd eenvoudig te zijn. Sommige scholen voeren het concept strikter uit dan andere. Het zou goed zijn als ze allemaal de montessori-uitgangspunten weer belijden. De traditie en geschiedenis bestaan niet voor niets al honderd jaar. Daar is nog steeds behoefte aan.’
‘Aan nieuwe taken, zoals burgerschapsvorming en 21th century skills besteden we al veel aandacht. Er zijn niet veel aanpassingen nodig om die een plek in ons onderwijs te geven. Ik zeg: schoenmaker blijf bij je leest, het montessoriconcept biedt voldoende houvast om onderwerpen als burgerschap te integreren. Onze leerlingen leren omgaan met vrijheid en zelfstandigheid, en bij te dragen aan de maatschappij. Zo beschouwd zit burgerschap er al in.’
Digitaal onderwijs lijkt niet te stroken met het belang dat Montessori hecht aan sensomotorisch leren. De Brouwer: ‘Handelen met materialen en leren via de zintuigen kun je nog niet vervangen door een computer of tablet. Er zijn al apps met montessorimaterialen voor op je device, maar daarmee sla je de plank mis, dan mist het kind het sensomotorische. Dit betekent niet dat de computer de klas niet inkomt. Digitalisering helpt ons om het onderwijs op het individuele kind af te stemmen. Digitalisering is een feit. Ze kan voor ons onderwijs een toevoeging zijn en het zelfs verrijken, bijvoorbeeld bij het afstemmen van het onderwijsaanbod per kind.’

VRIJE SCHOOL
Had de antroposofische beweging in 1950 tien scholen, inmiddels zijn het er ruim honderd. Toen corona uitbrak en er onderwijs op afstand gegeven moest worden, hielp de eigen schoolbegeleidingsdienst de vrije scholen om via het beeldscherm hun eigen onderwijs te kunnen geven. Onderwijsmanager Jarla Geerts: ‘Via cameraverbindingen konden ze bijvoorbeeld toch aan kunstzinnige vorming doen en daagden ze kinderen uit om veel naar buiten te gaan.’
‘Omdat er steeds meer vrije scholen bij komen, kijken we goed hoe het onderwijs aansluit bij ouders van nu, zodat ze begrijpen wat er in de klas gebeurt en dat willen ondersteunen. Nieuwe eisen die de overheid aan het onderwijs stelt, gaan ook over creativiteit en een eigen oordeel kunnen vormen. Daar zijn we altijd al sterk in geweest. We blijven teruggaan naar Steiners bronnen. Dat is niet stoffig, we gebruiken ze om steeds nieuwe afwegingen te maken.’

Hogeschool Saxion in Deventer heeft een lectoraat Vernieuwingsonderwijs, dat het het dalton-, montessori- en jenaplanonderwijs onderzoekt. Hogeschool Leiden heeft een lectoraat Waarde(n) van Vrije-schoolonderwijs.

Het Comeniusmuseum in Naarden wijdt een tentoonstelling aan de vijf traditionele vernieuwers. Van 3 september tot en met 31 december 2021.
https://comeniusmuseum.nl/tentoonstellingen/reformpedagogiek-op-de-schouders-van-comenius/

Het schrijven van dit artikel was mede mogelijk door een werkbeurs van het Matchingfonds.
Dit artikel werd ook gepubliceerd in HP / De Tijd (september 2021).

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -