Sommige mensen hebben meer ruimte nodig. Je komt ze tegen op onvermoede momenten.

Dichters in de Prinsentuin, de jaarlijks terugkerende manifestatie in juli, biedt precies wat je je ervan voorstelt. Terwijl het moderne leven aan gene zijde haar drukke gang gaat, laven wij ons in het ommuurde lusthof in de Groningse binnenstad aan dichters. Dat klinkt wat archaïsch en dat is precies de bedoeling. Dichters in de Prinsentuin is een tijdloos evenement waar ze de komende eeuwen hopelijk niets aan veranderen.

Al dringt de buitenwereld zich wel steeds nadrukkelijker op. Zo heb ik het idee dat de Kattenhage, de hellende straat van de Turfsingel richting Grote Markt, almaar populairder wordt bij motorrijders. Vooral bij mannen die tussen de hoge muren van de smalle straat graag even extra het gas opendraaien om het gebrul te kunnen voelen van het machtige wapen dat zich tussen hun benen bevindt.

Maar goed dat zijn zij, de anderen. De dichter pauzeert, laat de geparfumeerde testosteronwalm voorbijvliegen en wegsterven, en gaat rustig verder.

Wij zijn hier onder beschaafde mensen die met de trein, fiets of te voet zijn gekomen. De tatoeage heeft weliswaar inmiddels ook haar intrede gedaan in de dichterswereld, maar in de Prinsentuin klinken zelden ringtones en hoef je geen lul-niet-lollies uit te delen. Zelfs kleine kinderen houden zich opvallend vaak gedeisd.

Je hebt enerzijds de voordrachten op het theeveld, voor alle aanwezigen, uiteraard met behulp van de microfoon. Niets mis mee, maar geef mij maar de loofgangen. Alleen dat woord al: proef het, (ja, jij ook brulmotorrijder), leg het op je tong, doe je ogen dicht en een weldadige rust neemt bezit van je.

De loofgangen van de Prinsentuin zijn twee cirkelvormige groene tunnels, die… Kijk, op deze foto kun je het mooi zien:

De dichters staan aan de binnenkant in de volle zon bij een ‘raam’ hun verzen voor te lezen of voor te dragen, terwijl wij onder het bladerdak mogen staan. Dat is ook een prima verdeling: laat ze maar zweten voor hun centen, deze bouwvakkers van de mooiste zinnen.

Na elk gedicht geven wij dan een applaus. Al denkt dat woord de lading niet. Ik zou het eerder een teken van appreciatie willen noemen. Vergelijk je de zwaarste Harley Davidson-motor, draaiend met het hoogste toerental, met een ovationeel applaus, dan is een gemiddeld loofgangen-applaus hooguit een elektrisch fluistermotortje.

Dichters in de zon.
Foto: Coen Peppelenbos

Ik zie mensen applaudisseren zonder dat ze geluid voortbrengen. Die hun rechterhand zo zacht op de knokkels van hun linkerhand laten landen dat een mug rustig z’n gang zou kunnen gaan op een knokkel en na het applaus ongeschonden kunnen wegvliegen.

Ook ik bezondig me er af en toe aan. Schaam me zelfs voor m’n laffe respons, maar heb ook het idee dat ik hier in een traditie sta. Ik pas mij graag aan, dus manoeuvreer ik mij na zo’n vermeend applausje geruisloos tussen de mensen door en ga op weg naar een volgende dichter.

Voor me staat een vrouw. Ze buigt naar voren om haar tas van de grond te pakken en botst daarbij met haar achterste tegen mijn voorste. Kan gebeuren. Meestal heb je na zo’n onbedoeld lichaamscontact even een moment van medemenselijkheid. Afhankelijk van de context haal je dan metéén uit (verbaal of met je vuist) of de agressor zegt geschrokken: ‘sorry’ en de ontvanger knikt begripvol en fluistert ‘het is oké’. Maar de vrouw zegt niets.

Na het gedicht slingert ze de rugzak om haar schouder, en tegen mij aan. Ze zou toch moeten voelen dat ze iets heeft geraakt, aangezien de tas weer op de terugweg is en van haar schouder glijdt. Weer geeft ze geen sjoege. Ik maak ruimte voor haar tweede slinger. Gelukt, de tas hangt en ze baant zich een weg uit het luistergroepje.

Even later bij een andere opening en een andere dichter. Ik probeer zijn woorden op mij te laten inwerken. Dat valt niet mee. Vijf meter verderop staat een toehoorder tegen een dichter die net heeft afgerond aan te praten. Hoewel hun hoofden zich op nog geen halve meter van elkaar bevinden doet zij dit met zo’n volume dat ik haar beter kan verstaan dan de dichter pal voor mijn neus.

Steeds meer hoofden uit ons groepje draaien verstoord in haar richting. Het is de vrouw met de rugzak. Nu zie ik ook haar ogen. Ze heeft geen last van onze verwijtende blikken.

Ze is een zender die toevallig aan de verkeerde kant van de loofgangen moet staan.

Als ik programmeur van Dichters in de Prinsentuin was zou ik haar volgend jaar een plek in de zon geven. Of een motorfiets.

 

Schrijft en fotografeert sinds 1998 voor kranten, tijdschriften en online. Oprichter/eigenaar van www.iederverdienteenboek.nl Maakt graag lange reportages, waarbij hij uiteenlopende mensen voor langere tijd volgt. Dat kunnen sporters of muzikanten zijn, maar ook drugsverslaafden tijdens een Lourdes-reis. Publiceerde de boeken "Onder Marokkanen" (2006), "Bezeten" (biografie over Ton Boot, 2009) en Rock City - Verhalen uit muziekstad Groningen (2017). Won in 2014 de Groninger Persprijs . Woont en werkt sinds 2006 in Groningen.