Vorige week nog zaten we te kijken naar het Wereldkampioenschap darten. Ja ‘we’ zeg ik, want ook ik zat te kijken. Voor het eerst in mijn leven zag ik een paar hele wedstrijden. In de jaren daarvoor woonde ik op Curaçao en daar zegt een WK darten helemaal niets. In de jaren dáár weer voor, de periode van ‘Barney’ zeg maar, zapte ik rustig verder als ik de pijltjes zag vliegen.

STEUN RO

Dat ik nu bleef kijken had te maken met de Nederlander Michael van Gerwen. En velen met mij, stel ik mij zo voor. Ik had begrepen dat Van Gerwen topfavoriet was en dus was ik benieuwd hoe hij zich onder die druk zou houden. Dat is namelijk nogal een ‘dingetje’ bij Nederlanders, heb ik het idee. ‘De Nederlander’ kan goed presteren in allerlei takken van sport, komende vanuit de luwte, maar hooggespannen verwachtingen waarmaken, dat is nog eens wat anders! Van Gerwen deed dat overigens met verve.

Dit weekeinde keek ik naar het Europees Kampioenschap schaatsen. Ook dat was een sport waar ik vele jaren voorbij zapte. Soms bleef ik wel eens hangen, bij de 500 of de 1500 meter. ’s Avonds keek ik dan naar de samenvattingen, als het zo uitkwam. Mijn vader niet. Die keek alles. Vanaf de eerste seconde van elke uitzending tot de aller- allerlaatste. Zo kreeg ik altijd veel mee, al vanaf de periode Ard Schenk, Kees Verkerk en Jan Bols. Dat waren overigens wel andere tijden. Ik krijg beelden op mijn netvlies van heroïsche schaatswedstrijden in een open stadion, waarbij wind en sneeuw vrij spel hadden, zeker als de toernooien op Scandinavische bodem werden afgewerkt. Iets dat me ook bij is gebleven van die tijd, de zingende supporters: ‘heja Jan Bols, heja Jan Bols, heja heja heja Jan Bols’.

Wat er verder allemaal is blijven hangen? Nou ja, die drie dan, waarbij Ard Schenk me altijd deed denken aan televisieheld Floris, maar dat terzijde. Hilbert van der Duim natuurlijk, met zijn beroemde vogelpoepje. De frisse en fruitige Tonny de Jong, de vrolijk babbelende Hagenees Ben van der Burg, Rintje Ritsma, Marianne Timmer, ja noem er nog eens een paar! Hoe heet-ie grote sterke kerel uit Made ook alweer? Oh ja, Gianni Romme. Dank Wikipedia. En dan komen er meer namen. Hein  Vergeer, Falko Zandstra, Jochem Uytdehaage, Bart Veldkamp, Ids Postma. En bij de vrouwen behalve Tonny de Jong (waarom is zij bij mij blijven hangen?), Ria Visser, Yvonne van Gennip natuurlijk, Annamarie Thomas en Ireen Wüst. Gek wel, dat uitgerekend Tonny de Jong me als eerste te binnen schiet. Zal met haar vrolijke uitstraling te maken hebben. Dit weekeinde zag ik weer zo’n leuke spontane meid voorbij komen, al dan niet toevallig met dezelfde achternaam: Antoinette de Jong.

Ireen Wüst werd uiteindelijk de koningin van dit weekeinde. De Brabantse werd voor de vijfde keer Europees kampioen. Uitermate knap. Sven Kramer flikte het kunstje al voor de negende keer. Op hem stond weer geen maat. Hij degradeerde alle andere deelnemers min of meer tot koekenbakkers. Ik zag een Noor met de handen op de knieën de laatste ronde schaatsen tijdens de 10 kilometer. Hij had zich opgeblazen in zijn poging een tijd neer te zetten waar Kramer nóóit aan zou kunnen komen. Even later schaatste Kramer vrolijk iets van 19 seconden langzamer over het traject. Fluitend haast.

Het leidde tot carnavaleske taferelen op de heel het weekeinde al sfeervolle tribunes.  Het ‘Bloed, zweet en tranen’ van André Hazes rolde over het ijs. En dat had gevloeid. Behalve voor Kramer. Voor hem gold mogelijk dat hij die lichaamssappen de afgelopen maanden al flink had laten lopen, in zijn voorbereiding op het EK. En mogelijk maakte dat ook wel het verschil.

Al bij al was het een weekeinde van fantastische sport. Van topsport. Duizenden waren erbij in Thialf, het gerenoveerde ijssportcentrum in Heerenveen. Ze hadden sneeuw en ijzel getrotseerd om er te komen. Miljoenen bekeken de verrichtingen van de schaatsers via de televisie, samen met mij. Allemaal in hun eigen  huiskamer. De ‘bruine pater’ en een zak chips onder handbereik. Om tijdens de wedstrijd en erna over hun belevenissen te vertellen op whatsapp. Gedeelde vreugde is dubbele vreugde.

Mijn eerste echte schaatsweekeinde deed me beseffen dat deze vorm van topsport zó puur Nederlands is dat je het eigenlijk bij Unesco zou moeten voordragen als werelderfgoed. Zo belangrijk is dat schaatsen voor ons landje. Voetbal is een grote sport in Nederland. Wielrennen ook. Maar schaatsen mobiliseert jaarlijks misschien wel de meeste mensen. Goed, de aantallen volgers die tijdens EK’s en WK’s voetbal worden gehaald – als Oranje meedoet – worden niet gehaald, door geen enkele sport, maar schaatsen is zo’n eerlijke sport dat het vrijwel niemand koud laat en dat elke Nederlander het dus ook volgt. Nauwlettend, dan wel op afstand. Maar uiteindelijk grijpt het je dus.

Schaatsen, ik ben ermee opgegroeid, maar pas sinds dit weekeinde heb ik de sport toegelaten in mijn hart. Echt, eens moet ik naar Thialf. Gewoon om het eens mee te maken. En misschien ga ik van de week wel naar kunstijsbaan bij mij in de buurt. De schaatsen onder binden en dan eens kijken welke tijd ik klok op de 500 meter. Ha! Aan de 10.000 meter waag ik me voorlopig maar niet!