De onafhankelijkheid van veel wetenschapsjournalisten laat te wensen over. Als we niet uitkijken, komt de mokerslag voor de journalistiek straks vanuit ons eigen midden.

STEUN RO

Ik dacht dat mijn ogen me voor de gek hielden. Toch stond het er echt, zwart op wit, in een kort mailtje:

‘Ik stel voor dat je het onderwerp laat rusten.’

De mail was afkomstig van de bestuurswoordvoerder van een universiteit, die niet gecharmeerd was van mijn idee voor een artikel in De Volkskrant. Het was het begin van een korte, maar heftige mailwisseling, die ermee eindigde dat ik belandde op een zwarte lijst van de universiteit (of er nog meer schrijvers op staan, weet ik niet). Bovendien belde de woordvoerder naar al zijn collega’s van de overige universiteiten om ze te waarschuwen voor mijn demonische plannen.

Ik wist niet wat me overkwam.

De opdracht en de knipoog

Het zat zo: een communicatiemedewerkster van dezelfde universiteit had mij gevraagd of ik in opdracht van hen teksten wilde schrijven in het kader van een fondsenwervingscampagne. Er was juist een afdeling opgezet om vrijgevige alumni en liefdadigheidsinstellingen vakkundig warm te maken voor ‘maatschappelijk relevante onderzoeksprojecten’. Een vergelijkbare campagne, vertelde de medewerkster enthousiast, had de universiteit van Wageningen al miljoenen opgeleverd. Ook andere universiteiten waren hard bezig om hun fondsenwerving te professionaliseren.

Ik bedankte vriendelijk voor de opdracht, maar het onderwerp interesseerde me wel. De universiteitskrant had al een groot artikel besteed aan de plannen en ik vermoedde dat De Volkskrant wel geïnteresseerd zou zijn in een achtergrondverhaal over deze trend in Nederland. De communicatiemedewerkster nam mijn weigering sportief op: jammer, maar als ik informatie voor mijn artikel nodig had, wist ik haar te vinden! In haar mail voegde ze een knipoog toe.

Dat kwam mooi uit, want ik kon wel wat informatie gebruiken. In de eerste plaats financiële informatie, want ik kon mijn artikel moeilijk baseren op de blauwe ogen van de voorlichtster. Naar alle universiteiten stuurde ik een verzoek om cijfers over hun inkomsten van de afgelopen jaren.

‘Verkeerde insteek’

Een paar uur later hing de communicatiemevrouw aan de telefoon. ‘Dat is niet de insteek die wij voor ogen hadden’, zei ze bezorgd. ‘We willen een inhoudelijke insteek, niet de financiële insteek waar jij voor kiest.’ Hoe een verhaal over fondsenwerving zonder financiële cijfers ‘inhoudelijk’ kan zijn, was me een raadsel. Een nog groter raadsel was het mij, waarom zij meende te kunnen bepalen waar mijn krantenartikel over zou gaan. Ik weigerde mijn insteek te veranderen.

Nog dezelfde dag ontving ik weer een mailtje, dit keer wat minder sportief van toon. De communicatiemedewerkster was ‘teleurgesteld’ dat ik haar ‘vertrouwelijke’ informatie gebruikte voor een journalistieke productie. En aangezien ik de insteek zelf wenste te bepalen, wilde de universiteit ‘hier verder geen bemoeienis meer mee.’

Jeetje, dacht ik. Ik klikte mezelf een weg naar hun online jaarverslagen en mompelde iets over verkeerde been uit bed of zo.

De volgende dag ontving ik nog een mail, dit keer van de bestuurswoordvoerder. En nog een. En nog een. Hij schreef dat ik het onderwerp moest laten rusten, dat mijn werkwijze niet beantwoordde aan de ‘journalistieke deontologie’. Dat de universiteit het hierbij niet zou laten zitten en dat ze ‘consequenties’ aan mijn besluit zouden verbinden.

Ik zocht op wat ‘deontologie’ ook alweer betekende en verzekerde hem keer op keer dat ik heus niets vreemds van plan was. De informatie waarmee ik volgens hem ‘aan de haal was gegaan’, betrof immers informatie die in de eigen universiteitskrant al breed was uitgemeten.

Twee petten

Het hele verhaal gaf me een nare bijsmaak. Mijn relatie met deze universiteit was altijd goed geweest. Ik ken er veel wetenschappers, heb nogal wat vrienden daar ontmoet. Mijn journalistieke loopbaan is ooit bij de universiteitskrant begonnen en jarenlang verdiende ik wat bij door af en toe een jubileumboekje te schrijven, een webpagina te vullen, of een interview uit te werken voor het relatiemagazine. Dat ik ‘nee’ had gezegd tegen hun opdracht, kwam doordat ik het zat was om met twee petten – die van tekstschrijver en journalist – door het leven te gaan: je komt als tekstschrijver altijd leuke onderwerpen tegen waar je vervolgens niks journalistieks mee mag doen.

Vermoedelijk snapte de afdeling communicatie het verhaal van die twee petten ook niet zo, want de volgende ochtend hing de hoofdredacteur van het relatiemagazine aan de lijn. ‘Kom ik terug van vakantie, blijkt de hel hier losgebarsten,’ riep hij uit, ‘wat heb jij in vredesnaam uitgespookt?’ Het hoofd van de communicatieafdeling, zo bleek, had hem helder te verstaan gegeven dat hij mij nooit meer mocht inschakelen voor een artikel.

Communicatiejournalisten

Het achtergrondartikel voor De Volkskrant kwam er toch en de ruzie met de universiteit werd een dankbaar onderwerp voor gesprekken met collega-journalisten. ‘Belachelijk’, krijg ik steevast te horen, ‘wie denken die communicatietypes wel niet dat ze zijn?’

Ik foeter graag mee, maar er is een belangrijke vraag die geen enkele collega stelt: waarom belde die communicatiemedewerkster mij als ze geen journalist, maar een tekstschrijver nodig had? Hoezo droeg ik jarenlang twee petten? Dat die vraag blijft liggen, komt doordat bijna al mijn freelance collega’s óók schnabbelen als tekstschrijvers. ‘Commerciële opdrachten’ noemen we dat, extraatjes waarmee we de huur of de hypotheek kunnen ophoesten. Want met de paar dubbeltjes per woord die je voor een journalistieke tekst krijgt, is het voor de meesten lastig rondkomen. Redacteuren in vaste dienst zijn er nog maar weinig: zoveel mensen zijn noodgedwongen ‘overgelopen’ naar een baan in de communicatie, dat de Vereniging voor Wetenschapsjournalisten Nederland zich maar heeft omgedoopt in ‘Vereniging voor Wetenschapsjournalistiek en -Communicatie’.

Wat geeft het, zeggen we schouderophalend, als de freelancers hun journalistieke werk maar netjes gescheiden houden van hun andere schrijfklussen. Tuurlijk. Alleen zijn we als tekstschrijvers juist gewild bij partijen in de branche waar onze expertise ligt: universiteiten en onderzoeksinstellingen.

En dus schrijven we teksten over onderzoeksprojecten volgens de ‘briefing’ van communicatiemedewerkers: ronkende teksten, waarvan de toon, de inhoud, de vragen en de conclusies bij voorbaat vaststaan. Daar betalen ze goed voor en ach, zolang maar duidelijk is dat die teksten horen bij de instelling en niet verschijnen in een krant. Zolang de betreffende freelancers hun journalistieke artikelen maar niet over dat specifieke onderzoek schrijven. Nou ja, niet gelijktijdig in elk geval. Maanden later kun je best weer bij zo’n universiteit of zo’n onderzoeker aankloppen. Wat maakt het uit?

Onafhankelijkheid

De reden waarom ik mijn akkefietje met deze universiteit hier zo breed heb uitgemeten, is om duidelijk te maken dat het wél uitmaakt. Hoe kinderachtig de communicatiemedewerkers zich in dit geval ook gedroegen, hun vaste overtuiging dat ik hun ‘briefing’ braaf zou opvolgen, geeft nogal te denken. Die overtuiging wordt dagelijks gevoed door schrijvers die zij aansturen, vaak freelancers met twee petten.

Freelancers die beweren dat ze nooit over onderzoek publiceren waarover ze ooit ronkende teksten hebben geschreven, draaien zichzelf een rad voor ogen. In een klein land als Nederland doet de gelegenheid zich vroeg of laat toch voor. Daar komt nog bij, dat communicatiespecialisten in steeds grotere mate het nieuws bepalen. Terwijl hun afdelingen blijven groeien, neemt het aantal onafhankelijke journalisten recht evenredig af. Juist die laatsten moeten zich dus een zo kritisch mogelijke houding aanwenden. Dat is best moeilijk als je een groot deel van de tijd braaf doet wat communicatiemedewerkers je opdragen.

De journalistiek in Nederland verkeert in zwaar weer. Redacties worden gekortwiekt, voor diepgravende journalistiek is steeds minder geld. Zowel de geloofwaardigheid als de onafhankelijkheid van de journalistiek worden steeds vaker in twijfel getrokken. Inderdaad, voor freelancers is het verdomde lastig om puur van de journalistiek te leven. Maar als we onze onafhankelijkheid zelf niet wat principiëler gaan bewaren, komt de mokerslag voor de journalistiek toch echt vanuit ons eigen midden.

Het artikel over fondsenwerving in De Volkskrant is hier te lezen.