Elisabeth Maria Post was Nederlands eerste romantische schrijfster. Het liefste zwierf ze door bossen en velden en liet zich daar inspireren. Haar hartstocht voor dominee Justus Overdorp beschreef ze met onthutsende openhartigheid.

STEUN RO

‘De ongelukkige vreemdeling,’ staat als titel boven het mooiste gedicht in een verzamelbundel.*) Daar kun je van alles bij bedenken. Behalve dat de ik-figuur met deze deur in huis valt:

“Helaas daar stierf mijn Lorre!”
Achtentwintig regels lang verhaalt de auteur over het “angstig kwijnen” van een zieke papegaai en diens veronderstelde heimwee naar het oerwoud. Om dan te vervolgen:

“…Maar ach! Wat was uw leven?
Ook dit was langzaam sterven.
Te picken van uw sopjes,
Met lome logge treden
Op uwen stok te stappen,
In uwen ring te hangen,
En met uw krommen snavel
Te bijten aan de tralies
Die uwe vrijheid boeiden,
Te lachen en te schreeuwen,
Te zitten of gij peinsdet
En nu en dan te weenen
Met droeve kindertoonen,
Dit was uw gansche vreugde.”

Elisabeth Maria Post heet ze, de dichteres van deze elegie. “Een domineesvrouw” en tevens “de eerste schrijfster van onze romantiek”, wordt ze genoemd; althans achter in de bundel ‘Geheime gedichten, die niemand kent maar die gezien mogen worden’ zoals Wim Zaal die 43 jaar geleden herontdekte.*) “Te laat voor het Classicisme, te vroeg voor de Romantiek,” nuanceert haar biograaf Bert Paasman een kwarteeuw later.

Urn

Achttien jaar lang was Elisabeth gehuwd met predikant Justus Overdorp. Sinds 1807 woonde ze met hem in Epe. Nee, de pastorie is er niet meer. Wel de hervormde kerk, met daarin een beschadigde stenen urn: ter nagedachtenis aan die misschien wat eigenaardig doch sympathiek bevonden domineesvrouw. Een bescheiden monumentje, naar aanleiding van Elisabeth’s honderdste sterfdag in 1912.

Verder zijn daar de nodige ambtelijke mededelingen. Bijvoorbeeld hoe dominee Overdorp in het voorjaar van 1812 geen belijdeniscatechisatie kan geven “uithoofde van den hoogst gevaarlyken toestand der huisvrouw van den predikant”. Of de vermelding door de adjunct-maire van de gemeente Epe, enkele maanden later, “dat alhier op den derden Julij agtienhonderd twaalf, ‘s morgens om tien uuren overleden is Elisabeth Maria Post, Echtgenote van Justus Lodewijk Overdorp, oud zes en vyftig jaren, … zonder beroep, dogter van…” enzovoort.
Zonder beroep? We weten inmiddels wel beter. Maar feit is dat, alle noeste literatuurstudie in haar tuinhuisje ten spijt, zij gedurende haar Eper jaren niets meer heeft gepubliceerd.

Kinderen

Eén spoor heeft Elisabeth Maria Post helemaal nergens nagelaten: de namen van kinderen in een doopregister. En hoe autobiografisch en openhartig haar werk vaak is (baanbrekend ook, waarover later meer), nergens maakt ze gewag van een kinderwens. Die toch wel zou passen in het profiel van een vrouw die zich zo met hart, ziel en verstand onderdeel weet van de natuur. De vrouw die in haar romandebuut ‘Het land’ en haar bundel ‘Voor Eenzaamen’ (1790) zo vertederd kinderrijke huisgezinnen bezingt, ja in haar magnum opus ‘Reinhart of Natuur en Godsdienst’ (1791/92) het nageslacht als bekroning van het huwelijk neerzet.
Is haar privéleven al voldoende gevuld met schoonheid, liefde en geloof? Of betreft het hier een onverwerkt gemis en hoedt ze zich ervoor om dat via haar werk te aan te roeren? Immers, ook haar voortdurende ziekelijkheid houdt ze consequent buiten de boeken.

Babybroertje

Elisabeth wordt op 22 november 1755 geboren, als nummer zes in een Utrechts gezin met tien kinderen. Haar vroege jeugd brengt ze door binnen een veilig en welgesteld nest. Maar haar puberjaren mogen traumatisch heten.
De suikerraffinaderij van de familie Post gaat failliet. Vader Evert wordt op smadelijke wijze ontheven van zijn hoge bestuurdersfunctie bij de gemeente Utrecht. Zijn gezin verhuist naar het gehucht Emminkhuizen om daar genadebrood te eten en raakt sociaal geïsoleerd. Grote broer komt om tijdens een zeereis; babybroertje bezwijkt nog voor zijn eerste verjaardag. En hiermee bereikt het gezinsleven, toch al getekend door schaamte, verveling en troosteloosheid, een dieptepunt. Elisabeth wijdt een gedicht aan de kleine Adriaan, ‘De Herinnering’ waar haar affiniteit met kinderen ontroerend doorheen schemert.

Godsbeleving

Maar nu de nood het hoogst is, blijkt een vorm van redding nabij: vaders benoeming in 1773 als drost van de heerlijkheid Amerongen, met bijbehorende verhuizing. In deze nieuwe, landelijke omgeving maakt Elisabeth lange wandelingen en wordt zich steeds meer bewust van haar levenshouding. Haar hart gaat uit naar de authentieke, niet door de mens gemodelleerde natuur, als tegenhanger van de achttiende eeuwse, door een symmetrisch hagenpatroon streng geordende tuinen. En haar favoriete schrijver Salomon Gessner navolgend zoekt ze in die natuur naar iets als Godsbeleving, naar antwoorden op existentiële vragen.

Groot is het verdriet wanneer haar vader sterft en haar moeder − altijd al een stadsmens − met de zusjes bij broer Evert Jan intrekt. Want Evert Jan woont in Arnhem, “binnen de muren der muffe Stad,” aldus Elisabeth, waar “het lastig straatgewoel mijne rust verstoort” en “hooge torens en prachtige gebouwen mijn gezicht zoo eng bepalen…” 

Debuutroman

Nu heeft Arnhem ook een zonzijde, namelijk als cultuurcentrum met alle faciliteiten en netwerkmogelijkheden van dien. Evert Jan, predikant van beroep, stelt zijn zusje voor aan de gerenommeerde theoloog en letterkundige Ahasuerus van den Berg. Van den Berg ziet Elisabeths talent en ontfermt zich erover. Als mentor maakt hij haar verder wegwijs in de Nederlandse en Duitse literatuur. Het is ook onder zijn redactie dat ze in 1789 met ‘Het Land, in brieven’ doorbreekt als schrijfster – anoniem wel te verstaan, want ze wil eerst afwachten hoe het boek wordt ontvangen…

Deze innige correspondentie tussen de jongedames Emilia en Eufrozyne, vol minutieuze natuurbeschrijvingen, sluit prachtig aan op de achttiende eeuwse vriendschapscultus en verheerlijking van het buitenleven. Toch gaat Elisabeths beleving van beide thema’s dieper dan mode is. Onverzadigbaar hongert ze naar vriendschap, naar geestelijke verbondenheid met een medemens. En in ‘Het land’ beschrijft ze de jaargetijden als een allegorie voor de menselijke levensloop en de weg naar het hiernamaals, naar de eeuwigheid.
Ze beziet het landschap ook niet langer door de classicistische bril van de idylle. Daarvoor getuigen de verslagen van haar zwerftochten te zeer van realiteitszin.

‘Het Land’ beleeft in datzelfde jaar maar liefst drie drukken en het jaar daarop weer een. Elisabeth benut het succes en publiceert meteen haar bundel ‘Voor Eenzaamen’, waarvan twee drukken verschijnen. Van de opbrengst koopt ze samen met zus Adriana een huis aan de Arnhemseweg te Velp, met een grote tuin en een stuk land. Van daaruit bouwt ze een netwerk op met dames en heren van stand, die de omliggende buitenhuizen als Biljoen, Rozendaal en Beekhuizen bewonen.
Met name op landgoed Beekhuizen is Elisabeth kind aan huis bij van baron J.F.W. van Spaen en vooral zijn zus Francina, die haar vertrouwelinge wordt. De familie Van Spaen heeft de uitgestrekte heidevelden laten cultiveren tot een arcadisch park vol plantsoenen, schuilhutten, tempeltjes, vijvers, bruggetjes en zelfs watervallen. Elisabeth krijgt een eigen sleutel van zo’n hut, om zich daar te kunnen terugtrekken voor haar schrijfwerk.

Hartstocht

Dat ze intussen alsmaar ongehuwd blijft, komt waarschijnlijk nog mede door het voornoemde faillissement van vader Post. Elisabeth beseft maar al te goed dat ze geen begeerlijke partij is binnen de maatschappelijke laag waarin zij verondersteld wordt een echtgenoot te vinden. Ook haar uiterlijk biedt weinig houvast. “Natuur gaf mij geen schoonheid,” noteert ze misprijzend bij een gravure van haar portret.

Maar zie: dankzij broer Evert Jan komt ze in contact met een jonge predikant, Justus Ludovicus Overdorp. Liefde op het eerste gezicht, volgens Elisabeth.
Toch is haar onzekerheid groter dan haar hoop, misschien ook doordat Justus ruim zeven jaar jonger is. De twijfel stemt haar een tijdlang somber. Ze vindt even geen aansluiting meer bij haar vriendenkring en zelfs niet bij de natuur. Totdat haar ‘Amintas’ haar in Velp komt opzoeken en haar kennelijk overtuigt van zijn liefde. Daar trouwen ze op 23 juli 1794. Elisabeth is dan 39 jaar oud.

‘Gezangen der Liefde’ heet de bundel waarin ze het publiek onverholen deelgenoot maakt van haar nieuwe hartstocht. Maar verliefdheid was bij vrouwen destijds geen gangbare reden voor een huwelijk, laat staan dat zo’n vrouw zich openlijk over zulke gevoelens uitliet. Elisabeth is de eerste vrouwelijke auteur in ons taalgebied die dit onderwerp bespreekbaar maakt. In het voorwoord voorspelt ze al dat “…geheel naar de regels der etiquette opgevoede, en met de eenvoudige Natuur weinig bekende, lezeressen, met eene statige afkeuring mijne openhartigheid zien, in eene zaak waarin zij geleerd hebben te veinzen.”

Distels

Aan Justus Overdorp kleeft maar één nadeel: hij woont in Noordwijk. Geen plek waar Elisabeth zal aarden. Aan het einde van hun Velper wittebroodsweken schrijft hij al bijna schuldbewust in het Gastenboek van landgoed Beekhuizen, “…thans ontneem ik u mijn Elise, die hier zo veel genoot en breng Haar naar eenen anderen oort over…”
Inderdaad, schrijnender tegenstelling dan tussen Velp en Noordwijk is voor Elisabeth niet denkbaar. “Wat is dees oord toch woest en doodsch!” klaagde ze nog voor haar verhuizing. Ze gedijt er dan ook niet. Ze vereenzaamt. Haar sociale leven verschraalt, want onder de plaatselijke notabelen vindt ze geen vrienden en een culturele kring is er evenmin.
Nu was ze altijd wel graag alleen, maar dan teruggetrokken in de velden en bossen van de Veluwezoom. Noordwijk biedt haar slechts kale duinen zonder paden, waardoor haar wandelingen ontaarden in moeizaam sjokken door het mulle zand.
“’k Verliet voor hem een roozenpad / Om distels doortetreeden,” aldus Elisabeth. En met liefde, dat dan weer wel. Haar samenzijn met Justus is welhaast idyllisch, “zoo gelukkig als zeldzaam Echtgenooten leven.”

Maar het heimwee blijft. Elisabeth ontwikkelt lichamelijke symptomen als benauwdheid (astma? hyperventilatie?) die erop duiden hoe slecht ze zich op haar plaats voelt.
Tot overmaat van ramp overlijdt in januari 1807 haar oude leermeester Ahasuerus van den Berg. Elisabeth begint meer en meer te piekeren over de dood en gaat kennelijk gebukt onder wat we nu misschien een depressie of midlife crisis zouden noemen. Toch weet Justus Overdorp haar over te halen om weer te gaan schrijven. Op haar schaarse goede momenten ontstaat zo de dichtbundel ‘Ontwaakte Zang-lust’, opgedragen aan haar man − voor als zij er straks niet meer zal zijn.

Een bittere winter

Als Justus in het voorjaar beroepen wordt naar het Gelderse Epe, heeft zijn vrouw volgens hem “een bittere winter doorgeworsteld.” Ze nemen het aanbod gretig aan. Epe is weliswaar geen Velp, maar toch is de opluchting groot: vanuit de pastorie hebben ze het uitzicht over een glooiend landschap met akkers en heide en er stroomt een beekje langs het huis.

Elisabeth maakt een ontwerp voor de tuin, met haar eigen ‘Hermiten Huisjen’, waarin ze ongestoord hoop te gaan werken. Ze krijgt weer plezier in dagelijkse wandelingetjes en rijtoertjes door de bosrijke omgeving. Kortom, “…mijn vrouw door Gods goedheid merkelijk beter, is in 10 jaar zo wel niet geweest,” constateert Justus verheugd.
Opnieuw knoopt ze vriendschappen aan met dames uit de buurt. Een van hen is Anna Rauwenhoff, dochter van Jan Hendrik Rauwenhoff (jurist, oud-burgemeester van Elburg en verdienstelijk amateurdichter) wiens huis op het landgoed Tongeren gelukkig een aardige bibliotheek herbergt. De familie verzamelt bovendien interessante kennissen en Elisabeth past daar mooi tussen.
Hoe oprecht en sterk deze band is, blijkt wanneer de Rauwenhoffs in 1809 besluiten om een eigen begraafplaats aan te leggen op hun landgoed: ze spreken met Elisabeth af dat ook zij daar een graf zal krijgen.

Schuilplaats

Helaas gaat het weer slechter met haar. Gerept wordt van toenemende “krampachtige spanningen en benaauwdheden” en zelfs van “water in de borst”.
In januari 1812 heeft ze de verzorging van twee gezelschapsdames nodig. Rond Pasen is haar toestand uitermate zorgelijk. Toch overlijdt ze pas op de ochtend van 3 juli. Elisabeth Maria Post is de allereerst die op landgoed Tongeren ten grave wordt gedragen. De volgende, slechts twee maanden later en luttele meters verderop, is hartsvriendin Anna Rauwenhoff.

Het had Elisabeth goed gedaan te weten dat haar lichaam temidden van dierbaren zou rusten.
Op haar sterfbed dicteerde ze nog: “…De vriendschap gaf mij hier eene schuilplaats; – …Hier zal ik (…) den zwarten, akeligen nacht van dat lange leven vergeten; – en ongestoord den zaligen morgen der Opstanding verwachten!”
Om dan haar allerlaatste tekst te besluiten met de regels die naderhand in de grafsteen zijn gebeiteld:
“Hy leeft en ik zal Leeven.
Dit stof word gezaaid voor
de onsterfelykheid.”

(In verkorte vorm gepubliceerd in “Sporen van schrijvers en dichters in Overijssel en Gelderland”, een serie schrijversportretten in dagblad de Stentor, 2005)
Bronnen:
*) Zaal, Wim (red.) / “Geheime gedichten”, Arbeiderspers 1974
Paasman, A.N./ “E.M. Post (1755-1812), een bio-bibliografisch onderzoek”, Thespa 1977
Post, E.M. / “Het land, in brieven” (1789). Querido, 1987
Steenbergen, Martijn / “De dood is toch de schrik der natuur…” in: Punt/Komma 3, januari 2002
Met dank aan Peter Smit, neerlandicus te Zwolle