Met twee gouden medailles en één keer brons mag Sifan Hassan zich de atletiekkoningin van de Olympische Spelen in Tokio noemen. In slechts acht dagen moest de Nederlandse atlete zes keer aan de bak. Hoe verdeelde ze haar energie in die races?

STEUN RO

De motor was abrupt tot stilstand gekomen. Uitgeteld lag Sifan Hassan op de baan. Haar handen bewogen, maar met juichen had het dit keer niks te maken. Daar had ze de puf eenvoudigweg niet meer voor. Water wilde ze, als verkoeling. Het was duidelijk dat de atlete in haar laatste race in Tokio, de 10 kilometer, alles had gegeven. Alle energie die Hassan in haar frêle lichaam had opgeborgen, had ze vakkundig tot en met de laatste druppel opgesoupeerd. En nu was ze helemaal leeg.

Hassan had de energiepuzzel die ze in Tokio voor haar voeten kreeg geworpen, feilloos opgelost. Pacing is de term die hiervoor in sportwetenschappelijke studies opduikt. Oftewel ‘het doelgericht verdelen van de energie voor een vooraf bepaalde sportprestatie’. In het geval van Hassan ging het in Japan om in totaal zes wedstrijden voor drie verschillende disciplines in ruim een week tijd. Drie keer moest ze aan de bak voor een 1500 meter, tweemaal voor de 5000 meter en de 10 kilometer vormde het slotstuk.

Keuzes maken

Hoe ze in die laatste race haar energie verdeelde, is te zien in onderstaande figuur. Hierin is Hassans snelheid voor elke 100 meter vanaf de start weergegeven als een blauw bolletje; dit is ook gedaan voor Susan Krumins, de andere Nederlandse atlete die aan de start van de 10 kilometer verscheen maar na ruim vier kilometer uitstapte (oranje bolletjes).

Figuur 1. Snelheid (voor iedere 100 meter bepaald) van Sifan Hassan (blauw) en Susan Krumins (oranje) tijdens de Olympische 10 kilometer in Tokio. Data via Olympics.com

Op het eerste gezicht een redelijk strak gelopen race, met een snelheid van rond de 20 kilometer per uur tot het ingaan van de laatste ronde wanneer het tempo even flink opgeschroefd wordt. Eerst door de Ethiopische Letesenbet Gidey, lange tijd de koploopster in de race, en na het uitkomen van de laatste bocht door Hassan zelf. De Nederlandse winnares weet in haar laatste 100 meter tot de finishlijn een snelheid van bijna 27 kilometer in het uur te bereiken.

Het is een strategie die veelvuldig tijdens een lange afstandsrace op de baan waar het om de prijzen gaat, gebruikt wordt, zo blijkt uit een vorig jaar verschenen overzichtsartikel. Want waar tijdens inspanningen van minder dan een minuut, zoals de 100, 200, en 400 meter, atleten voor een ‘all out’ aanpak kunnen gaan, wordt dit onhoudbaar als de wedstrijd langer duurt. Dan moeten er keuzes gemaakt worden: enerzijds om niet halverwege de wedstrijd al ‘opgebrand’ te zijn, anderzijds om na de finish niet gefrustreerd te hoeven te constateren dat er te rustig gelopen is en er nog energie in de tank is achtergebleven.

Zeepaardje

Het resultaat is een aantal karakteristieke pacingpatronen die tijdens professionele hardloopwedstrijden -wereldrecords, wereldkampioenschappen, Olympische Spelen- boven komen drijven. Positief, waarbij het tempo tijdens de race gestaag afneemt; soms met een opleving waardoor volgens de auteurs een ‘zeepaardjesprofiel’ ontstaat. Hier tegenover staat de ‘negatief’ gelopen race waarbij het tempo juist geleidelijk wordt opgeschroefd. Vindt er op een eind nog een knallende eindsprint plaats, dan ontstaat de succesvolle ‘J-curve’. En dan is er ook nog de U-curve, waarbij na een snelle start er tijdens het middenstuk relatief langzaam wordt gelopen en op het eind nog een flinke tempoversnelling plaatsvindt.

Volgens de eerste serieuze analyse uit 2006 was de U-strategie jarenlang de succesvolle aanpak tijdens een 5000 en 10000 meter. Maar een recentere studie, die de tussentijden van de loopnummers op de WK atletiek in 2013 en 2017 en die op de Olympische Spelen in 2016 op een rij zette, komt uit op het patroon dat we ook tijdens de 10 kilometer van Sifan Hassan in Tokio zien (Figuur 1): op gang komen, vervolgens een min of meer constante snelheid tijdens het grootste deel van de wedstrijd, en op het eind nog een ferme eindsprint.

Het is ook het tempoprofiel van Hassan tijdens haar twee 5000 meter wedstrijden in Tokio, zoals de volgende figuur laat zien. Wederom schommelt voor het grootste gedeelte van de wedstrijd het tempo van Hassan vrij constant rond de 20 kilometer per uur, terwijl ze op het eind nog genoeg overheeft voor een sterke eindsprint.

Reserve

Waarom succesvolle atleten voor deze aanpak kiezen? Logischerwijs is een relatief strak tempo waarbij het lichaam nog juist in de gelegenheid is om zijn energie uit de verbranding van zuurstof te halen te verkiezen boven snelheidswisselingen waarbij de zuurstofvoorziening geregeld tekort schiet en de benen gaan protesteren. En als dat basistempo -gemiddeld liep Hassan over de 5 kilometer 20,3 (serie) en 20,6 kilometer per uur (finale) en in de 10 kilometer 20,1 kilometer per uur- al te hoog blijkt voor de zwakkere broeders en zusters in de wedstrijd, dan zullen die op een gegeven moment simpelweg afhaken omdat hun lijf ze dwingt om op een lager tempo over te schakelen. Het is duidelijk te zien in het verloop van de 10 kilometerrace voor Krumins: tot 2,5 kilometer kan ze nog aardig mee met de grote groep waarin ook Hassan zit, maar even later, wanneer het tempo weer ietsjes omhoog gaat, moet Krumins definitief gas terugnemen.

Maar waarom topatleten altijd nog zoveel overhouden voor het laatste stuk, is sinds de eerste analyse uit 2006 voer voor discussie. Want is het niet een beetje zonde om die extra energie zo lang op te sparen? Is het niet slimmer om die al eerder tijdens de race in te zetten? De meest gehoorde verklaring is dat tijdens zo’n fikse inspanning het lichaam nog altijd voor de veilige weg kiest: je weet immers nooit of er plots nog een beer langs de baan opduikt. Het betekent dat een atleet tijdens de wedstrijd altijd wat reserve inbouwt. Totdat de finish in zicht komt: pas dan gaat de rem eraf omdat het lichaam weet dat het werk ook écht gedaan is.

Explosiviteit

Dat deze voorzichtige aanpak op de 5 en 10 kilometer vooral in het voordeel van Hassan werkt, laten haar gouden medailles zien. Veel meer dan haar concurrenten kan zij immers vertrouwen op een ijzersterk eindschot, zoals ook uit bovenstaande figuren blijkt. Hierbij weet ze handig te profiteren van de explosiviteit en snelheid die haar derde onderdeel in Tokio, de 1500 meter, van een atleet vragen.  

Maar dat hier zelfs voor Hassan grenzen aan zitten, daar kwam de atlete in de finale van dit onderdeel achter. Hassan koos in de wedstrijd al snel voor de koppositie maar zoals uit Figuur 3 blijkt, lag het tempo hierbij wel een stuk hoger -22,9 kilometer per uur gemiddeld- dan tijdens de andere races. De rem werd bijtijds al wat losgelaten waardoor Hassan tijdens de race haar reserves grotendeels moest aanspreken. Het resultaat? Ze hield net te weinig energie voor een ‘gouden’ J-curve over.

Figuur 3. Snelheid (voor iedere 100 meter gemeten) van Sifan Hassan tijdens de Olympische 1500 meter, tijdens de serie (blauw, mét val rond 1100 meter), halve finale (oranje) en finale (grijs). Data via Olympics.com

Misschien maar goed ook: minder dan 24 uur later wachtte de 10000 meter nog. Pas daarna mocht Hassan haar motor definitief uitzetten.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -
Jurgen van Teeffelen (1968) is freelance wetenschapsjournalist sinds 2014. Tot die tijd werkte hij als gepromoveerd fysioloog aan universiteiten in Nederland (AMC, Maastricht) en de Verenigde Staten (Yale). Data in plaats van meningen vormen de basis van zijn artikelen. Jurgen schrijft graag over wetenschap in relatie tot sport en bewegen. Hij is auteur van 'Het maakbare uur - een zoektocht naar de ultieme wielerprestatie' en mede-presentator van de 'Slimmer Presteren Podcast'.