Daar zit je dan, al of niet vrijwillig in quarantaine. De eerste dagen vermaak je je nog wel. Je leest een paar van de boeken die al zo lang op je liggen te wachten. Je luistert wat muziek, kijkt online naar de shows van Radiohead en als je een boomer bent of gewoon een liefhebber, tune je in op het internetkanaal van The Boss (Bruce Springsteen, ook in isolatie, op zijn farm, dat dan weer wel).

STEUN RO

Maar dan, na een tijdje, wil je wel eens ergens anders zijn. Stel je nu voor dat je in het Amazone-regenwoud bent. Klik op een van de hyperlinks hier onder, sluit je ogen en reis naar het Mamirauá reservaat, bij Tefé aan de Solimõesrivier, zoals de Amazone in Brazilië van de grens met Peru tot aan Manaus heet. Loop over een bospad, zit in een kano, luister naar het dierenorkest van vogels, insecten en zoogdieren overal om je heen, de regen die valt.

Youtube: Sounds of Mamirauá | Sons de Mamirauá
Spotify: Sounds of Mamirauá | Sons de Mamirauá

Ik was in Mamirauá, toen het net beschermd gebied was geworden, in 1995. Uit mijn aantekeningen:

Stroomopwaarts de Amazone

Terwijl hij zijn boot door smalle kanalen in de richting van het meer van Mamirauá stuurt, klaagt Valdecir dat de muskieten hier zo groot zijn ‘als een treinwagon’. Het laatste is overdreven, maar wel zijn ze met velen. Hele wolken hangen er rond de boot. Het moeten er miljoenen zijn en allemaal proberen ze door bloeddorst gedreven een plaatsje te veroveren op wat er aan naakte huid voorhanden is. Ook blijkt er een bijensoort aanwezig die het op haren heeft voorzien en die mijn hoofd afgraast alsof het de grasmat van een voetbalstadion is. Mijn gezicht begint te zwellen en tegen de tijd dat we het gebied naderen waar Joaquim Guimares woont, leider van de projectsector die ligt aan de monding van de Mamirauá rivier, heb ik het gevoel dat ik zo auditie kan doen voor een rol als The Elephant Man.

Joaquim is een caboclo, een kleine pezige man van 62 jaar. Net als zijn vrouw Lucia woont hij al zijn hele leven in dit gebied. Tot zo’n tien jaar geleden werd hij nauwelijks of niet gestoord door buitenstaanders. Toen begonnen ze te komen, vertelt hij, de wetenschappers en de zendelingen. Hij had de hoofdcoördinator van het project al regelmatig voorbij zien varen en na enkele keren kwam hij aan land, stelde zich voor en vroeg Joaquim het meteorologische apparaat, waarmee ze metingen in het gebied wilden verrichten, onder zijn hoede te nemen. Vijf jaar later werd de caboclo aangesteld als een soort opzichter. Hij werd het aanspreekpunt voor mensen in de regio en tevens moest hij informatie doorgeven en controleren of er werd gejaagd. Joaquim kon de aandacht die hij van de mensen van het project kreeg wel waarderen. Ze brachten boeken mee en er werd een kleine school neergezet. Ook kreeg de gemeenschap voedsel en konden de jonge mannen meehelpen met het bouwen van huizen en het in kaart brengen van het projectgebied. En het belangrijkste, vooral voor de bewoners van het gebied zelf, de visstand nam in de zeven jaar dat het project loopt enorm toe.

Maar toch, de besluiten over het gebied zijn genomen in Belém, een paar duizend kilometer stroomafwaarts. Hadden de mensen die hier wonen wel een keuze? Joaquim: ‘De besluiten worden genomen door de hoofdkwartieren in Belém, Manaus en Tefé, maar wij controleren zelf de naleving van de vis- en jachtverboden, niet de mensen uit Belém. Wij houden toezicht op de boten die het gebied binnenvaren en als we het niet vertrouwen, sommeren we hen weg te gaan. Als ze niet gaan is er de radio om de federale politie op te roepen.’

Maar wat als Belém iets wil en de mensen, die hier tenslotte al generaties lang wonen, weigeren mee te werken? Arie, Joaquims zoon, die bij het gesprek aanwezig is, antwoordt in plaats van zijn vader. ‘De uiteindelijke beslissing om iets wel of niet te doen, ligt bij de mensen hier. Als iemand uit de top van het project of de gouverneur bijvoorbeeld een idee heeft over economische ontwikkeling, roepen wij een vergadering van de sectorleiders bijeen. Er wordt dan een afgevaardigde gekozen die in Belém moet gaan praten over de positieve en negatieve gevolgen die wij zien en over hoe we het project verder zouden kunnen ontwikkelen. Het belangrijkste doel van het project is de bescherming van het milieu en niemand is daarvoor méér geschikt dan een caboclo. Wij woonden hier al toen het woord natuurbeheer nog moest worden uitgevonden.’

Enkele tientallen kilometer verderop in Jaquiri, waar een groepje Cambeba indianen woont, is de stemming heel wat minder juichend. We treffen alleen maar vrouwen en kinderen aan. De mannen zijn naar Tefé, in verband met een tiendaagse cursus gezondheidsleer die wordt gegeven door mensen van het project. Maria das Graças, een wat stuurse, tandeloze vrouw, werpt zich op als woordvoerster van de vrouwen. Bezoekers moeten meestal eerst met Raimundo Cruz praten, zegt ze. Hij is de leider. Maria: ‘Het is voor ons vaak erg moeilijk om contact te krijgen met de coördinatoren van het project, om inlichtingen te krijgen. En omdat wij onze cultuur willen bewaren, kunnen wij niet iedereen zomaar toestemming geven om aan land te komen.’

Nadat ze dit heeft gezegd, heet ze ons uit naam van Raimundo Cruz echter welkom. Ik begrijp de afwerende houding van de vrouwen wel. De indianen hier behoren tot de laatsten van de Cambeba – in totaal telt de stam slechts een kleine honderd leden – en vaak wordt een resoluut buitensluiten van al het andere gezien als de enige manier die er is om een cultuur te laten overleven. Dat de vrouwen bang zijn, heeft echter vooral te maken met het feit dat soms bendes uit de omliggende gebieden overvallen plegen op het moment dat de mannen van de gemeenschap weg zijn. Zoals nog niet zo heel lang geleden verder stroomopwaarts gebeurde bij de Ticuna indianen. Houtkappers die uit het gebied van de Ticuna weg moesten, kwamen met geweren naar het hoofddorp en vermoordden er veertien mensen.

Ondanks het feit dat ze ons in hun dorp hebben uitgenodigd, blijven de vrouwen wantrouwig. Ze geven nauwelijks antwoord als ik vragen stel over de rol die de gemeenschap speelt in het Mamirauá-project en omgekeerd. Het enige dat Maria kwijt wil, is dat het leven hier veel armer is dan waar we net vandaan komen. Het deel van het gebied waar Joaquim leeft, is voor het project interessanter als onderzoeksgebied – er zit meer en betere vis. Interessanter betekent in dit geval ook belangrijker. De vrouwen vertellen dat als zij iets nodig hebben van de projectleiders, zij naar hen toe moeten, naar Tefé. Bij Joaquim komen de Mamirauá-mensen altijd zelf langs.

‘Het leven hier is hard’, zegt Ines. ‘Vorig jaar kwam het water zo hoog dat wij al onze groenten zijn kwijtgeraakt en ons meel elders moesten kopen. En daarvoor hadden we het geld niet. Als de mannen weg zijn, komt alles op ons neer.’ En de mensen dan van het project, helpen die niet als er problemen zijn? Maria: We hebben een cursus gezondheidsleer, hygiëne en geboortezorg gehad en soms komen hier mensen van het project om ons medisch te keuren. Weigeren we met hen samen te werken, dan zijn we dit ook kwijt.’ En dat kan desastreus zijn in een land waar gezondheidszorg niet vanzelfsprekend is en waar ziekten als malaria, dysenterie en gele koorts vaak epidemische vormen aannemen.

Dan blijken toch niet álle mannen weg te zijn. Hij heet Olavo en vraagt of ik hem naar zijn huis wil vergezellen. Daar ontmoet ik zijn vader. Aloiso is negentig jaar en ‘honderd procent indiaan’. Olavo laat een brochure zien met ‘een volledige woordenlijst Portugees Omauense’. Hij zucht: ‘Helaas nooit uitgegeven.’ Omauense is de taal van de Omaua indianen en dan blijkt dat Aloiso en dus ook Olavo geen Cambeba zijn maar Omaua. Ik ben in een stammenconflict beland. Olavo lijdt onder de druk van de gemeenschap. Hij zegt dat die hem als een paria behandelt. Het was me al opgevallen dat hij de enige in het dorp is met een afrastering rond zijn hut. Zijn vader en hij woonden hier al voordat de rest kwam en als stam ging leven, ongeveer twaalf jaar geleden, toen het Mamirauá project van start ging. ‘Ze kwamen hier en vroegen mijn vader toestemming om te vissen. Ze zouden tien dagen blijven maar zijn nooit meer weggegaan.’ Veel is er sindsdien voor hen veranderd. Ze wilden zijn manier van leven aantasten, zegt Olavo. Hij voelt zich gekwetst doordat de gemeenschap zich afsluit en hem niet wil accepteren. Het meest vreemde bij dit alles: Olavo’s felste tegenstandster is Maria das Graças, dezelfde Maria die ook de grootmoeder is van Christine, Olavo’s pasgeboren kleindochter die in mijn armen wordt gelegd en van wie de ouders Maria’s zoon en Olavo’s dochter zijn. Christine kijkt me aan, eerst verbaasd, verwonderd, maar als ik met haar praat en gezichten trek, begint ze te lachen. Ook Maria, die zich bij ons in het huis van haar ‘vijand’ heeft gevoegd, lijkt te ontdooien. Aloiso, die al die tijd weinig heeft gezegd, zingt een paar frases in een van de oude talen en iedereen luistert stil. Het komt wel goed hier.

‘Wij geloven in God, maar ons leven hangt af van de rivier’, zegt Maria als we afscheid nemen, en als ik haar vervolgens wijsheid toewens voor de toekomst: ‘Wijsheid? Ik kan niet eens mijn eigen naam lezen.’ Dat is wel het laatste om bezorgd over te zijn, antwoord ik. Ze lacht en zegt dat ik denk als een indiaan.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen.

Zie hier voor meer informatie!

Mijn gekozen waardering € -
Ex-muziekjournalist. Ruilde in de jaren 90 redactiestoel muziekblad OOR in voor een hangmat in de Amazone.