Onze oorlogsverslaggever was in de gevaarlijkste stad van Syrië en ontmoette daar een 73-jarige Nederlander die ondanks alle schoten en explosies niet vertrekt. ‘Het is hier een van buitenaf geleide volksopstand.’

STEUN RO

Het is vrijdag in Homs. Om het hardst roepen de muezzins door luidsprekers op voor gebed als een auto mij op de straathoek afzet. De chauffeur: ‘Wacht hier, ze pikken je in vijf minuten op. Het codewoord is Youssef.’ En weg scheurt de auto. Dan begint het wachten te midden van zwervend huisvuil dat al wekenlang niet is opgeruimd als gevolg van de strijd tussen veiligheidstroepen van de Syrische dictator Bashar al-Assad en opstandelingen. Zo vlak voor de gang naar de moskee zijn de gevechten even geluwd. Maar middels graffiti-slogans op nagenoeg alle muren van de een miljoen inwoners tellende stad woedt de strijd onverminderd verder. De pro’s: ‘God, Syrië en Bashar al-Assad. Meer hebben we niet nodig.’ En de anti’s: ‘God, Syrië en Vrijheid. Meer hebben we niet nodig.’ Veel teksten zijn met zwarte verf onleesbaar gemaakt, dat betekent dat dit kruispunt omstreden is.

Tot driemaal passeert een witte auto met twee glurende jongemannen. Dat zijn ze: waarom stopt-ie niet? Later hoor ik dat ik op een hele verkeerde plek stond. ‘We zagen je staan, maar op dat punt schieten sluipschutters.’

Het ‘foutje’ is exemplarisch. Lang wachten in kleine hotelkamers, het omzeilen van militaire checkpoints en talloze afspraken die bijna nooit worden nagekomen brengen me uiteindelijk naar deze derde en gevaarlijkste stad van Syrië. En daar sta ik, moederziel alleen.

In een steeg verderop stijgt trommelgeroffel op, gevolgd door de kreet ‘Syrië wil vrijheid’. Ik loop er naar toe. Staand op een kleine tafel zingt een man met kort haar en een dikke trui een lied dat wordt nagezongen door kinderen. Ik stel me voor en de zanger kijkt blij verrast. Waneer de moskee verderop uitstroomt, gaan een paar honderd demonstranten richting de wijk Khaldiha, het centrum. Ze zwaaien met vlaggen en roepen onderwijl verwensingen naar de regering. Ik volg en passeer de witte moskee. Beroete gevels, opengereten stalen rolluiken en op de weg gerolde stenen en stalen balken tonen de sporen van felle strijd die driekwart jaar geleden is begonnen. Een inwoner afkomstig uit een van de vooraanstaande soennitische families verklaart waarom de stad Homs inmiddels tot het epicentrum van de Syrische Lente is uitgegroeid. De alawieten, een sjiitische geloofsstroming, kreeg met de machtsovername van de vader van Bashar al-Assad veertig jaar geleden, de mooie baantjes in de stad. Ten koste van die andere moslimstroming, de soennieten. Ze maken de helft van de bevolking van Homs uit en zo’n driekwart van de ongeveer 23 miljoen Syriërs. ‘We eisen onze rechten op.’ 

Martelaar

‘Hollen’, roept de zanger, en hij wijst naar zandzakken van een militaire post als we een brede straat oversteken richting Al saa al-Jadida, een klokkentoren op een kruispunt. Van alle zijden stromen demonstranten toe. Mannen hangen over de balkons van de omringende huizen. Lenige jongeren klimmen op de daken en in de bomen. Ze verstrengelen hun armen als bij een Griekse dans en zingen: ‘Wie zijn burgers doodt, verraadt zijn land.’

De zanger en zijn vrienden duwen me de ladder op naar het spreekgestoelte. Onder luid gejuich verwelkomen de aanwezigen het bezoek. Daarna brengen ze me naar een vrouw en haar vier kinderen. ‘Op de 28e dag van de ramadan is mijn echtgenoot verdwenen, nu ruim vier maanden geleden, en ik weet niet waar hij is.’ Syrië kent duizenden politieke gevangenen.

Een handpalm met daarop een kleine foto wordt uitgestoken. De geëmotioneerde vader vertelt dat zijn zoon Niddal Koudsi de eerste demonstrant is die omkwam in Homs. ‘Een martelaar’. 

Blauw plastic

In het nabijgelegen parkje staan tenten van blauw plastic. Het is een occupy-beweging Syrische stijl, compleet met vastgenagelde pamfletten aan bomen en opgestapelde schuimrubberen matrassen. Een jongen wil zijn laatste druppel bloed offeren: ‘We blijven tot het regime is gevallen en de rechten van het volk worden nageleefd.’ Bij een houtkacheltje tonen mannen hun verwondingen op rug, buik en benen, opgelopen tijdens de vele uit de hand gelopen demonstraties. ‘Een spijkerbom gemaakt in Iran,’ verklaart een man met een baard en wijst op zijn vele hechtingen in zijn bovenarm. Iran steunt het regime van Bashar al-Assad. Een man met korte baard en bril vertelt dat hij uit Dera’a komt, een opstandige stad in het zuiden en uit solidariteit naar Homs is gereisd. ‘Ik zeg tegen de regering: ‘Ga weg. Dit is onze revolutie. We willen vrijheid. We zullen ons toekomstige Syrië bouwen of je dat wilt of niet.’’

Een groep jongeren begeleidt me verder de stad in. Op tijd waarschuwen ze voor een blauwe gepantserde auto die met hoge snelheid de straten doorkruist en zonder reden op voorbijgangers schiet. Over het dodenaantal na driekwart jaar strijd in de stad wordt druk gespeculeerd. Niemand kan betrouwbare cijfers produceren. De man van de vooraanstaande familie, die duidelijk anti-regering is, denkt aan 10.000 slachtoffers in heel Syrië. ‘Met tussen de 4.000 en 5.000 in Homs.’ Een meer neutrale inwoner, met goede contacten bij artsen in het hospitaal, schat dat inmiddels duizend mensen zijn omgekomen. ‘Iedere dag vallen er doden. Ook onder de militairen. Drie maanden geleden stierven vijftig militairen op een dag.’ Het geweld strookt niet met de aard van de Homsianen. ‘Het zijn rustige, bedeesde mensen, een beetje traag van begrip, over wie elders in Syrië grappen worden gemaakt.’

Rolluiken

Rennend doorkruis ik de verlaten straten van niemandsland naar de christelijke wijk van Homs. Daar woont de enige Nederlander, pater Frans van der Lugt, een 73-jarige jezuïet op de grens met de opstandelingenwijken Bab al Sabae en Bab al Dreieb. Wat je noemt ‘heet gebied’. Onophoudelijk vallen er schoten en klinken er bij offensieven zware granaat- en artillerie-explosies. Hij heeft het geweld langzaam zien toenemen. ‘Eerst schieten. Toen aanslagen. Toen bezetting en nu bomaanslagen.’ Vanaf de binnenplaats wijst pater Frans naar de ruiten waar verdwaalde kogels doorheen vlogen. ‘Ze hebben niet het doel op ons te schieten. We worden door de alle partijen gewaardeerd.’

Hij nodigt me uit voor een wandeling. ‘Dat kunnen we het beste doen voor drie uur, daarna zijn de straten leeg.’

Met een winkelier die snuisterijen verkoopt worden de handen geschud. Hij waarschuwt: ‘Pas op dat je op tijd binnen bent.’ Maar de pater is van plan te tonen dat het geweld door de buitenlandse media ook soms wordt overdreven. We lopen een half uur en zien geen politieagenten of militairen. ‘Die durven hier niet te komen.’ Vrouwen lopen met volle manden met groenten. Groepjes mannen staan keuvelend op straat. De rood-wit-zwarte Syrische nationale vlag met twee groene sterren markeert het begin van het regeringsgecontroleerde terrein. Achter zandzakken liggen militairen verscholen die vanuit de omliggende straten ‘s nachts onder vuur worden genomen. En die op hun beurt weer terugschieten: de rolluiken van de gesloten winkels tonen talloze inslagen. Langs de gevels en op braak liggende percelen liggen vuilniszakken. ‘De opstandelingen willen niet dat het wordt opgehaald’, zegt de pater. ‘Het gemeentepersoneel wordt beschoten.’

Het openbare leven in Homs ligt de laatste maand zo goed als stil. De universiteit is gesloten. Drie hooglaren die wel college gaven zijn omgebracht. Veel middelbare scholen zijn eveneens dicht, vooral in de wijken waar de opstandelingen gezag uitoefenen. Een christelijke school waar de volgende dag examens wordt gehouden krijgt extra bewaking.

We lopen langs een espressobar waarvan de luifel verkreukeld op de stoep ligt. Andere winkeliers vegen glasscherven bij elkaar. Niemand kan ons de reden voor de aanslag vertellen. Van der Lugt heeft zo zijn vermoeden. ‘Anti-regeringselementen willen chaos creëren. Ze worden betaald door landen als Qatar en Saoedi-Arabië. Het is hier een van buitenaf geleide volksopstand.’ Pater Frans ziet achter de onlusten tegen het regime van Bashar al-Assad een breed complot. ‘Het Westen wil de machtsblokken in het Midden-Oosten kapotmaken, zoals de band tussen Syrië en Iran, om plaats te maken voor confessionele militair machteloze staatjes. Zo beschermen ze Israël en de toevoer van olie.’

‘s Avonds breng ik een bezoek aan een Syrische familie. In de hoek van de kamer flikkeren kerstlampjes. De glazen worden gevuld met Syrische rode wijn. Al pratend rolt de man routineus het rolluik naar beneden als vlakbij geweerschoten klinken. Het gesprek valt geen moment stil, zover lijkt het geweld al genormaliseerd. De vrouw brengt hapjes binnen en zet de kaarsen op tafel. Tussen negen en elf uur krijgt de wijk geen elektriciteit. Of het energiegebrek met de oorlog te maken heeft? ‘In de winter stoken veel mensen met elektrische kacheltjes’, verklaart zij. En de toekomst voor Homs? De man klinkt optimistisch. Het worden nog zes zware maanden maar al-Assad zal de oorlog niet verliezen. De man rekent hardop voor: ‘De regering heeft de steun van zes miljoen leden van stammen, drie tot vier miljoen alawieten, anderhalf miljoen christenen en dan nog twee miljoen Koerden op zo’n 23 miljoen Syriërs. Dat is de meerderheid.’ De opstandelingen hebben bij het begin een inschattingsfout gemaakt door, anders dan bij de opstand in Egypte, op het leger te gaan schieten. Honderden militairen zijn inmiddels gesneuveld. ‘Dat heeft de soennitische en alawitische militairen juist verenigd.’ Deserties op grote schaal van het bijna half miljoen personen tellend leger zijn daarom tot nu toe gering gebleven.

‘s Avonds rond twaalf uur galmen schoten door de donkere straten. Wie op wie schiet is onduidelijk. ‘s Morgens bij het ontbijt wordt gesproken van een rustige nacht.

Arnold Karskens is Neerlands meest onafhankelijke en ervaren oorlogsverslaggever. Muckraker. Nachtmerrie voor nazi’s en andere oorlogsmisdadigers. Auteur van tienŒ boeken. Onderzoeksjournalist die nooit ‘nee!’ als antwoord accepteert. Lastig, dwars & gehaat door zijn vijanden, maar Last Man Standing voor mensenrechten en vrijheid van meningsuiting.

Geef een antwoord